Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7425

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201102095/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college geweigerd [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst, hem vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, voor drie dagen in 2010 en geweigerd vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden langs de openbare weg.

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, voor twee dagen in 2010 en geweigerd vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden langs de openbare weg.

Bij uitspraak van 4 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102095/1/H3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 januari 2011 in zaak nr. 10/2033 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college geweigerd [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst, hem vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, voor drie dagen in 2010 en geweigerd vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden langs de openbare weg.

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, voor twee dagen in 2010 en geweigerd vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden langs de openbare weg.

Bij uitspraak van 4 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 14 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2011, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Claessen en mr. S. den Hartog, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2:10, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Overbetuwe 2009 (hierna: APV) is het verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

Ingevolge het tweede lid kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

Ingevolge het derde lid geldt het verbod in het eerste lid niet voor:

a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27;

c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17.

Ingevolge artikel 5:18, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

Ingevolge artikel 5:18a, eerste lid, is het innemen van een standplaats, als bedoeld in artikel 5:18, op een andere locatie dan door het college bij besluit is aangewezen, verboden.

Ingevolge het tweede lid geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet ten aanzien van het innemen van een standplaats voor het te koop aanbieden, verkopen of verstrekken van:

a. seizoensgebonden producten;

b. producten, waaronder gedrukte of geschreven stukken, door ideële instellingen en politieke partijen.

Bij besluit van 15 mei 2007 is de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders.

Volgens de Welstandsnota 2006, voor zover thans van belang, zijn de criteria voor reclame bedoeld voor alle gebieden in de gemeente. Reclame in de bebouwde kom komt voornamelijk voor in die delen waar winkels en/of bedrijven gevestigd zijn. Op bedrijfs- en winkelpanden kan reclame een passend middel zijn om een bedrijf of winkel herkenbaar te maken, uit te dragen wat voor soort bedrijf het is en welke goederen verkocht worden. In andere delen van de gemeente (woonwijken) is reclame in principe niet passend en daarmee ongewenst. Om die reden wordt in die delen van de gemeente een restrictief beleid gevoerd voor reclame. Daarnaast is er nog de mogelijkheid van algemene reclame op bushokjes en aan lantaarnpalen. Deze vormen van reclame worden meestal door de gemeente geïnitieerd en voor zover daar behoefte aan is binnen een eigen beleidskader behandeld. In deze welstandsnota worden zij verder niet besproken.

Volgens artikel 12, eerste lid, eerste volzin, van de Beleidsregels standplaatsen gemeente Overbetuwe 2007 (hierna: de Beleidsregels) worden vergunningen uitsluitend verleend voor de locaties en maximale afmetingen zoals deze door het college bij nadere regels zijn aangewezen.

Op bijlage 1 bij de Beleidsregels is de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, genoemd als standplaats voor kentekengraveerders. De locatie Europaplein is niet aangewezen als standplaats.

2.2. Het college heeft geweigerd een vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst voor het graveren van kentekens en het repareren van autoruiten en heeft in plaats daarvan vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein. Verder heeft het bij besluit van 26 november 2009 voor drie van de aangevraagde negen dagen vergunning verleend. Daarnaast heeft het college bij dat besluit geweigerd vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigingsborden langs de openbare weg, omdat het op grond van de beleidsnotitie sandwich- en driehoeksborden niet is toegestaan om dergelijke borden met commerciële teksten te plaatsen. Volgens het college in het besluit van 26 november 2009 zijn dat soort borden alleen bedoeld voor het aankondigen van evenementen en niet voor handelsreclame.

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2009 gegrond verklaard en voor nog twee dagen vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein, nu [appellant] slechts twee van de zes nog resterende dagen standplaats wenste in te nemen. Voor het overige heeft het college het besluit van 26 november 2009 gehandhaafd, met dien verstande dat voor de weigering vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst en het in plaats daarvan vergunning verlenen voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein, is verwezen naar bijlage 1 bij de Beleidsregels en voor de weigering een vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden is verwezen naar de Welstandsnota 2006.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het college zijn weigering om vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst en het in plaats daarvan vergunning verlenen voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat ten onrechte heeft gemotiveerd met een verwijzing naar de Beleidsregels en bijlage 1 van de Beleidsregels. De rechtbank heeft hierin evenwel geen grond voor vernietiging gezien, omdat in het besluit van 15 mei 2007 de Dorpsstraat is aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders en het Europaplein in het geheel niet als standplaats wordt aangewezen in dat besluit en omdat de relevante bepalingen in dat besluit gelijkluidend zijn aan die in bijlage 1 bij de Beleidsregels. Volgens de rechtbank is [appellant] daarom niet benadeeld door de verwijzing naar bijlage 1 bij de Beleidsregels. Voorts heeft de rechtbank het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel afgewezen.

De rechtbank heeft verder overwogen dat het college terecht de beleidsnotitie sandwich- en driehoeksborden niet van toepassing heeft geacht op de aanvraag voor een vergunning om verwijsborden te plaatsen. Het college had aan zijn besluit van 27 april 2010 volgens de rechtbank echter de Welstandsnota 2010 ten grondslag moeten leggen. Omdat die op de relevante onderdelen niet wezenlijk verschilt van de Welstandsnota 2006 is [appellant] hierdoor echter niet benadeeld, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college mocht weigeren een vergunning te verlenen voor het plaatsen van verwijsborden, omdat op grond van de Welstandsnota 2010 slechts reclameborden zijn toegestaan in de onmiddellijke omgeving van een bedrijfspand of vaste standplaats en [appellant] voorts geen rechten kan ontlenen aan borden die zonder vergunning zijn geplaatst.

Verder is niet gebleken dat het college [appellant] onvoldoende compensatie heeft geboden voor verloren dagen en heeft het college hem een juiste proceskostenvergoeding toegekend, aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college mocht weigeren hem een vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein. Zij heeft volgens hem ten onrechte zijn betoog onbesproken gelaten dat de Beleidsregels niet rechtsgeldig zijn. Volgens [appellant] heeft het college in de Beleidsregels weigeringsgronden toegevoegd en wordt ten onrechte onderscheid gemaakt naar de aard van de activiteit waarvoor een standplaatsvergunning wordt aangevraagd. Het besluit van 15 mei 2007, waarbij de Dorpsstraat is aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders en het Europaplein in het geheel niet is aangewezen als standplaats, is voorts genomen zonder dat daaraan een onderzoek naar de relevante feiten ten grondslag lag, aldus [appellant]. Volgens hem liggen aan dat besluit andere redenen ten grondslag dan de parkeerdruk en is hij ten onrechte niet betrokken bij de voorbereiding van dat besluit. Daarnaast heeft het college een bloemenverkoper vergunning verleend om standplaats in te nemen op het Europaplein terwijl de verkoop van bloemen niet seizoensgebonden is. Ook heeft het college toestemming verleend om de bibliobus een aantal weken in 2010 op tien parkeerplaatsen op het Europaplein te stallen terwijl die bus werd opengesteld voor het publiek. Volgens [appellant] heeft de rechtbank verder miskend dat het college vergunning heeft verleend aan kentekengraveerders voor het innemen van standplaats op andere locaties dan de Dorpsstraat, locatie fontein, ondanks het feit dat alleen de Dorpsstraat is aangewezen als een locatie voor kentekengraveerders voor het innemen van standplaats. De rechtbank heeft miskend dat het college heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur en vooringenomenheid en is daarnaast niet ingegaan op zijn betoog over de bloemenverkoper, aldus [appellant].

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college mocht weigeren [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein en in plaats daarvan vergunning mocht verlenen voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein, omdat het Europaplein in het geheel niet is genoemd in het besluit van 15 mei 2007 en de Dorpsstraat, locatie fontein, in dat besluit is aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders. Het besluit van 15 mei 2007 is genomen overeenkomstig artikel 5:18a, eerste lid, van de APV. Hetgeen [appellant] aanvoert tegen dat besluit kan niet leiden tot het oordeel dat het college hem ten onrechte geen vergunning heeft verleend voor het innemen van standplaats op het Europaplein, omdat dat besluit geen onderwerp vormt van dit geding. Nu het college de weigering [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein en in plaats daarvan vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein, mocht baseren op het besluit van 15 mei 2007, behoefde de rechtbank zich geen oordeel te vormen over de vraag of de Beleidsregels rechtsgeldig zijn.

Hieraan doet niet af dat het college een bloemenverkoper vergunning heeft verleend om standplaats in te nemen op het Europaplein, de bibliobus ontheffing heeft verleend om op het Europaplein te parkeren en aan andere kentekengraveerders vergunning heeft verleend voor het innemen van standplaats op standplaatsen die niet zijn aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders. De door [appellant] genoemde gevallen zijn niet gelijk aan zijn geval. Het college heeft gemotiveerd betoogd dat de bloemenverkoper vergunning is verleend voor de verkoop van seizoensproducten op de zaterdag voor moederdag en de zaterdag voor Pasen. Verder is aan de andere kentekengraveerders waarnaar [appellant] verwijst geen vergunning verleend voor het innemen van standplaats op het Europaplein, hetgeen hij wenst. Daarnaast heeft het college gemotiveerd betoogd dat de bibliobus slechts ontheffing is verleend vanwege een verbouwing van de bibliotheek.

Ter zitting van de Afdeling heeft het college hieraan toegevoegd dat ten onrechte niet is beoordeeld of de bibliobus voor de betreffende standplaats tevens een standplaatsvergunning nodig zou hebben en dat die vergunning waarschijnlijk niet zou zijn verleend. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2010 in zaak nr. 201002815/1/H2; www.raadvanstate.nl) strekt een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat een gemaakte fout moet worden herhaald.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij vergunning heeft gevraagd voor het plaatsen van zowel aanwijzingsborden als verwijsborden. Weliswaar wordt in de aanvraag van 13 oktober 2009 enkel gesproken over aankondigingsborden, maar na een telefoongesprek met een ambtenaar van de gemeente is per e-mail op 25 november 2009 alsnog verzocht om verwijsborden, aldus [appellant]. Het college is daarnaast niet ingegaan op het advies van de commissie bezwaarschriften dat het het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel, dat hij met foto’s heeft ondersteund, alsnog moest beoordelen. De rechtbank heeft verder ten onrechte verwezen naar de Welstandsnota 2010, nu die ten tijde van het besluit van 27 april 2010 nog niet in werking was getreden. De Welstandsnota 2006 was evenmin van toepassing, nu die niet handelt over reclame aan lantaarnpalen. Het college heeft in dat besluit dan ook ten onrechte naar die nota verwezen. De rechtbank heeft volgens [appellant] verder miskend dat het college in de beleidsnotitie sandwich- en driehoeksborden een onderscheid maakt naar de aard van de reclame, hetgeen in strijd is met de APV. De APV biedt geen grond om een vergunning voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden te weigeren al naar gelang de inhoud van die borden. Verder is in de beleidsnotitie sandwich- en driehoeksborden ten onrechte een onderscheid gemaakt tussen lokale en niet-lokale evenementen, aldus [appellant]. Hij betoogt dat de beleidsnotitie dan ook niet rechtsgeldig is. De rechtbank heeft daarnaast volgens [appellant] miskend dat het college de plaatsing van aanwijzings- en verwijsborden niet mocht beperken tot daartoe aangewezen plaatsen, nu geen bepaling in de APV in een dergelijke bevoegdheid van het college voorziet. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat het college de vergunningplicht voor aanwijzings- en verwijsborden niet handhaaft, nu uit de overgelegde foto’s volgt dat in de gemeente op veel plaatsen dergelijke borden zonder vergunning zijn geplaatst en het college hiertegen niet optreedt. Ter ondersteuning van zijn betoog verwijst [appellant] naar de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2011 in zaak nr. 201009324/1/H3 (www.raadvanstate.nl) en zaak nr. 201007264/1/H3 (www.raadvanstate.nl).

2.5.1. [appellant] betoogt met juistheid dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij vergunning heeft gevraagd voor het plaatsen van zowel aanwijzingsborden als verwijsborden. Het college heeft zijn aanvraag ook als zodanig begrepen, nu in het besluit van 27 april 2010 zowel aanwijzingsborden als verwijsborden zijn vermeld.

[appellant] betoogt verder terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de Welstandsnota 2010, nu die ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit nog niet in werking was getreden. Het college heeft in het bij de rechtbank bestreden besluit verwezen naar de Welstandsnota 2006. [appellant] betoogt evenwel met juistheid dat die evenmin van toepassing is op zijn aanvraag, nu [appellant] borden wil plaatsen aan lantaarnpalen en die nota niet ziet op reclame aan lantaarnpalen.

De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat [appellant] geen rechten kan ontlenen aan het plaatsen van borden die in strijd met artikel 2:10 van de APV zijn geplaatst. In zoverre [appellant] betoogt dat het college ten onrechte niet optreedt tegen borden die in strijd met die bepaling zijn geplaatst, geldt dat dit een kwestie van handhaving betreft en in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.5.2. Het college heeft in zijn besluit van 27 april 2010 geen toepassing gegeven aan de beleidsnotitie sandwich- en driehoeksborden, zodat de vraag of die notitie in strijd is met enige bepaling uit de APV thans geen behandeling behoeft. Het college heeft voorts aan zijn besluit van 27 april 2010 niet ten grondslag gelegd dat slechts op daartoe aangewezen plaatsen aanwijzings- en verwijsborden mogen worden geplaatst, zodat ook het betoog van [appellant] dat daarop ziet geen bespreking behoeft.

2.5.3. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.1 is overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het weigert [appellant] een vergunning te verlenen voor het plaatsen van aanwijzings- en verwijsborden.

Het betoog slaagt.

2.6. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat het college hem onvoldoende compensatie heeft geboden door hem aan te bieden vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats voor zes van de negen dagen in 2010 die nog resteren, waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt. Hij heeft geen gebruik kunnen maken van de standplaats op de vergunde dagen omdat hij geen vergunning had voor het plaatsen van verwijs- en aankondigingsborden en zonder het plaatsen van die borden het innemen van standplaats zinloos is, hetgeen het college en de rechtbank wisten, aldus [appellant]. Verder kunnen volgens hem gemiste dagen in het verleden niet meer worden ingehaald. Daarbij verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 in zaak nr. 200809163/1/H3 (www.raadvanstate.nl). Het is volgens [appellant] voorts aan het college om aannemelijk te maken dat hem wel voldoende compensatie is geboden.

2.6.1. Het college heeft [appellant] bij besluit 26 november 2009 voor drie dagen vergunning verleend voor het innemen van standplaats. Niet in geschil is dat het college [appellant] heeft aangeboden bij het besluit van 27 april 2010 vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats voor zes door hem te bepalen dagen in aanvulling op de dagen waarvoor reeds vergunning was verleend. Voorts is niet in geschil dat [appellant] daarop te kennen heeft gegeven voor slechts twee dagen vergunning te wensen. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 5 februari 2010 de voorziening getroffen dat [appellant] moest worden behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning voor het innemen van standplaats voor alle door hem aangevraagde dagen.

Slechts een van de door [appellant] aangevraagde dagen, te weten 22 januari 2010, lag voor de uitspraak van de voorzieningenrechter. Voorts was hem voor die dag geen vergunning verleend voor het innemen van standplaats, zodat hij die dag geen standplaats mocht innemen. Het was de keuze van [appellant] om af te zien van het aanbod van het college om hem vergunning te verlenen voor alle dat jaar nog resterende dagen waarvoor hij aanvankelijk een vergunning had aangevraagd.

Alhoewel het college niet heeft gemotiveerd waarom het van oordeel is dat het aanbod om [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op een willekeurige andere dag in 2010 voldoende compensatie is voor het gegeven dat hij op 22 januari 2010 geen standplaats mocht innemen, kan niet worden geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] onvoldoende compensatie is geboden. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 in zaak nr. 200809163/1/H3, heeft [appellant] de omvang van de schade die hij heeft geleden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, zodat het college zich ook geen oordeel kon vormen over de schade die hij heeft geleden.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet gehouden was hem een proceskostenvergoeding te geven voor verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar. Hij is zelfstandig ondernemer en werkt veelal ’s avonds door. Daarom is niet van belang dat de hoorzitting ’s avonds is gehouden, aldus [appellant]. Volgens hem had een werknemer die aanwezig had moeten zijn bij die hoorzitting daarnaast overuren kunnen schrijven welke wel als verletkosten waren beschouwd en verder krijgen ook de leden van de bezwaarschriftencommissie een vergoeding.

2.7.1. Dit betoog slaagt. In de Nota van toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763, p. IX) is te lezen dat verletkosten kosten van tijdverzuim zijn door bijvoorbeeld het persoonlijk bijwonen van een zitting. [appellant] heeft aannemelijk gemaakt dat hij ’s avonds eveneens werkzaamheden verricht omdat hij zelfstandig ondernemer is en hij die werkzaamheden vanwege de hoorzitting op een ander moment heeft moeten doen. Het college was dan ook gehouden hem de verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting te vergoeden, hetgeen de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend.

[appellant] heeft stukken overgelegd waaruit volgt dat zijn verletkosten minstens € 53,09 per uur bedragen. Nu echter volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht maximaal € 53,09 per uur aan verletkosten worden toegekend, zal van dat bedrag worden uitgegaan. De verletkosten worden forfaitair vastgesteld op zes uur.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond heeft verklaard voor zover dat is gericht tegen het handhaven van de weigering hem vergunning te verlenen voor het plaatsen van aanwijzings- en verwijsborden en hem ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 27 april 2010 van het college alsnog gedeeltelijk gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking, voor zover het college daarbij de weigering [appellant] vergunning te verlenen voor het plaatsen van aanwijzings- en verwijsborden heeft gehandhaafd en het hem ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Bij de vaststelling van deze kosten is, hoewel [appellant] heeft verzocht om een kilometervergoeding, uitgegaan van de kosten van openbaar vervoer, nu niet is gebleken dat gebruik hiervan niet mogelijk was.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 januari 2011 in zaak nr. 10/2033, voor zover zij het beroep van [appellant] ongegrond heeft verklaard voor zover dat is gericht tegen het handhaven van de weigering hem vergunning te verlenen voor het plaatsen van aanwijzings- en verwijsborden te Elst en voor zover dat is gericht tegen de weigering hem een vergoeding toe te kennen voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe van 27 april 2010, kenmerk 10bw000220, voor zover daarbij de weigering is gehandhaafd [appellant] vergunning te verlenen voor het plaatsen van aanwijzings- en verwijsborden te Elst en is geweigerd hem een vergoeding toe te kennen voor het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 318,54 (zegge: driehonderdachttien euro en vierenvijftig cent);

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 688,19 (zegge: zeshonderdachtentachtig euro en negentien cent);

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

176-622.