Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201102116/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 17 maart 2010 heeft de minister van Justitie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011, verzonden op 14 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2011/231
ABkort 2011/416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102116/1/H2.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te 's-Gravenhage,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats

's-Hertogenbosch, van 13 januari 2011 in zaak nr. 10/13310 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 17 maart 2010 heeft de minister van Justitie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011, verzonden op 14 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te 's-Gravenhage, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. van Zijl, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Hierna wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Bij besluit van 19 juni 2007 heeft de minister [appellant] krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 juli 2007 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] vóór 1 april 2001 een asielaanvraag heeft ingediend, zodat vooralsnog geen grond bestaat voor het oordeel dat hij onder de pardonregeling valt en dat geen reëel zicht op zijn uitzetting bestaat.

Bij uitspraak van 11 september 2007 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het voortduren van de bewaring ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Op 26 september 2007 is de bewaring opgeheven op de grond dat [appellant] mogelijk onder de pardonregeling valt.

2.3. Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft de minister krachtens de pardonregeling ambtshalve met ingang van 15 juni 2007 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan [appellant] verleend.

2.4. Bij brief van 19 november 2008 heeft [appellant] de minister verzocht om schadevergoeding. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat, voor zover thans van belang, hij ten onrechte in bewaring is gesteld. Daartoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat, nu uit een proces-verbaal van 19 juni 2007 blijkt dat hij op 10 april 1985 een asielaanvraag heeft ingediend, hij behoort tot de in het kabinetsbesluit van 13 december 2006 (TK 2006-2007, 19 637, nr. 1114) bedoelde groep vreemdelingen die in afwachting van de totstandkoming van de pardonregeling niet mocht worden uitgezet. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij, gezien het besluit van 8 oktober 2008, ten tijde van de bewaring, achteraf bezien, rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in Nederland had.

2.5. De minister heeft aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel en het voortduren van de bewaring door de vreemdelingenrechter zijn getoetst en niet onrechtmatig zijn bevonden. Verder heeft de minister uiteengezet dat in de pardonregeling, zoals neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 nr. 2007/11, is bepaald dat een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de regeling van kracht is geworden, zijnde 15 juni 2007. Dat [appellant] achteraf bezien ten tijde van de bewaring rechtmatig verblijf krachtens artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw 2000 had, brengt volgens de minister niet met zich dat hij de onrechtmatigheid van de bewaring heeft erkend.

2.6. De rechtbank heeft overwogen dat, gezien de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200800596/1, AB 2008, 378), in beginsel van de rechtmatigheid van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel dient te worden uitgegaan en dat geen aanleiding bestaat voor het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt, omdat het besluit van 8 oktober 2008 geen uitdrukkelijke erkenning van de onrechtmatigheid van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel behelst en niet is gebleken dat het [appellant] niet kan worden toegerekend dat hij geen rechtsmiddel tegen de uitspraak van 9 juli 2007 heeft ingesteld.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank dat ten onrechte heeft overwogen. Daartoe voert hij aan, voor zover thans van belang, dat onbegrijpelijk is waarom het besluit van 8 oktober 2008 geen erkenning van de onrechtmatigheid van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel behelst, dat hij van het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van 9 juli 2007 heeft afgezien op basis van mededelingen van de minister die achteraf onjuist bleken te zijn en dat de weigering om schadevergoeding te betalen in strijd met de artikelen 5 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is.

2.7.1. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, strekt het beroep tegen het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 59, tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Indien de rechter de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel beveelt of de maatregel reeds vóór de behandeling van het beroep is opgeheven, kan hij, ingevolge artikel 106 van de Vw 2000, aan de vreemdeling schadevergoeding toekennen.

2.7.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 106 van de Vw 2000 (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 61, 219 en 225-226) blijkt dat de wetgever met deze bepaling heeft bedoeld een bijzondere en exclusieve regeling voor toekenning van schadevergoeding na opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel te geven. Voor toekenning van schadevergoeding langs de weg van een zuiver schadebesluit is naast deze regeling dan ook geen plaats. Derhalve heeft de minister het verzoek reeds hierom terecht afgewezen en behoeft het betoog van [appellant] geen bespreking.

2.8. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister van het horen in bezwaar mocht afzien. Daartoe voert hij aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld en het bezwaar, gelet op de relevante bepalingen in het EVRM, niet kennelijk ongegrond was.

2.8.1. Van het horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

2.8.2. In bezwaar heeft [appellant] aangevoerd - samengevat weergegeven - dat, nu hij ten onrechte in bewaring is gesteld, de minister is gehouden de gestelde schade te vergoeden.

Gelet op overweging 2.7.2 moet redelijkerwijs uitgesloten worden geacht dat [appellant] tijdens een hoorzitting feiten en omstandigheden naar voren zou hebben gebracht die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden hebben kunnen leiden. Dat brengt met zich dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister tot het oordeel heeft kunnen komen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat hij, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, van het horen mocht afzien.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

452.