Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201012226/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5308, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 12 augustus 2009 heeft hij dat besluit ingetrokken, het verzoek om schadevergoeding opnieuw afgewezen en het door [appellant] tegen dat besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012226/1/H2.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats

's-Hertogenbosch, van 18 november 2010 in zaken nrs. 09/32317 en 10/17577 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 12 augustus 2009 heeft hij dat besluit ingetrokken, het verzoek om schadevergoeding opnieuw afgewezen en het door [appellant] tegen dat besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 26 april 2010 heeft de minister van Justitie het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2009, voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding opnieuw is afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 12 augustus 2009, voor zover daarbij het tegen het besluit van 15 april 2009 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard,

niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant] tegen het besluit van 26 april 2010 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Hierna wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Bij besluit van 26 maart 2003 heeft de minister de aan [appellant] verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij uitspraak van 9 oktober 2003 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij uitspraak van 9 maart 2004 (zaak nr. 200307667/1) heeft de Afdeling het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen. Bij uitspraak van 8 februari 2005 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 26 maart 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij uitspraak van 4 augustus 2005 (zaak nr. 200502191/1) heeft de Afdeling het daartegen door [appellant] ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard, het daartegen door de minister ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen. Bij uitspraak van 20 november 2006 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 26 maart 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij uitspraak van 13 april 2007 (zaak nr. 200609213/1) heeft de Afdeling het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2.3. Bij brief van 21 augustus 2008 heeft [appellant] de minister verzocht om vergoeding van de immateriële schade die hij door de trage besluitvorming sinds het voornemen van 3 mei 2002 heeft geleden.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 7 april 2010 in zaak nr. 200804891/1H2, AB 2010, 206) heeft overwogen dat de redelijke termijn is aangevangen op 1 april 2003, zijnde de dag waarop hij beroep tegen het besluit van 26 maart 2003 heeft ingesteld. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de jurisprudentie van de Afdeling slechts ziet op gevallen waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag en dat hij sinds 3 mei 2002, zijnde de dag waarop hij het voornemen tot intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft ontvangen, spanning en frustratie heeft ondervonden.

2.4.1. In asielzaken, waarin niet de bezwaarschriftprocedure, maar de voornemenprocedure wordt gevolgd, vangt de redelijke termijn aan op het moment van het instellen van beroep tegen een besluit. Bij dat besluit en niet reeds bij het voornemen daartoe wordt een standpunt ingenomen waartegen, in beginsel, in rechte kan worden opgekomen. Vanaf het moment waarop tegen dat besluit beroep wordt ingesteld, kan worden gesproken van een geschil, dat binnen een redelijke termijn moet worden beslecht. Of dat besluit ziet op de afwijzing van een aanvraag, dan wel op de intrekking van een verblijfsvergunning, vormt, anders dan [appellant] betoogt, geen relevant verschil. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de in voormelde uitspraak van 7 april 2010 vervatte jurisprudentie in dit geval niet van toepassing is. Voor zover [appellant], naar hij heeft gesteld, als gevolg van het voornemen spanning en frustratie heeft ondervonden, kan dat op zichzelf, gelet op het vorenstaande, niet tot een ander oordeel leiden.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, voor zover thans van belang, dat de redelijke termijn niet in de bestuurlijke fase is overschreden en dat de minister terecht geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding heeft gezien. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte onderscheid tussen de bestuurlijke en de rechterlijke fase heeft gemaakt en dat zij heeft miskend dat de redelijke termijn door de proceshouding van de minister is overschreden.

2.5.1. [appellant] heeft, gezien de brief van 21 augustus 2008, de minister verzocht om vergoeding van schade in verband met onredelijk trage besluitvorming. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat dit neerkomt op een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase. Vaststaat, gelet op het vorenstaande, dat in de bestuurlijke fase geen overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Of in de rechterlijke fase een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden en deze overschrijding, gezien de proceshouding van de minister, volledig aan de minister toe te rekenen is, is, gelet op de inhoud van het verzoek bij genoemde brief, in deze procedure niet aan de orde.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank het tegen het besluit van 12 augustus 2009, voor zover daarbij het tegen het besluit van 15 april 2009 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat de minister de betekenis van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft miskend en dat de rechtbank ten onrechte niet met toepassing van artikel 8:74 van die wet heeft bepaald dat het griffierecht door de minister wordt vergoed.

2.6.1. Dat betoog faalt evenzeer. Dat de minister in het besluit van 12 augustus 2009 de betekenis van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft miskend, laat op zichzelf onverlet dat, zoals de rechtbank heeft uiteengezet, [appellant] geen belang had bij het instellen van beroep tegen dat besluit, voor zover daarbij het tegen het besluit van 15 april 2009 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Daarvan uitgaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het door [appellant] betaalde griffierecht door de minister wordt vergoed.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

452.