Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201103949/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college de begunstigingstermijn die was vastgesteld in het besluit van 8 april 2008 waarbij [appellant] is gelast de uitoefening van een civieltechnisch bedrijf op of vanuit het perceel aan de [locatie] te Leende (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden, verlengd totdat het nieuwe bestemmingsplan in werking is getreden en besloten de inning van de reeds verbeurde dwangsommen tot die tijd op te schorten.

Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de einddatum van de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 mei 2009.

Bij uitspraak van 18 februari 2011, verzonden op 21 februari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 april 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103949/1/H1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 februari 2011 in zaak nr. 09/1686 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college de begunstigingstermijn die was vastgesteld in het besluit van 8 april 2008 waarbij [appellant] is gelast de uitoefening van een civieltechnisch bedrijf op of vanuit het perceel aan de [locatie] te Leende (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden, verlengd totdat het nieuwe bestemmingsplan in werking is getreden en besloten de inning van de reeds verbeurde dwangsommen tot die tijd op te schorten.

Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de einddatum van de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 mei 2009.

Bij uitspraak van 18 februari 2011, verzonden op 21 februari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 april 2011.

[belanghebbende] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.A. Pommer, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordig door P. Davits, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit op bezwaar van 8 april 2008 heeft het college [appellant] gelast binnen vier weken na de verzenddatum van het besluit de uitoefening van een civieltechnisch bedrijf op of vanuit het perceel te beëindigen en beëindigd te houden aangezien een dergelijk gebruik van de grond in strijd is met het bepaalde in artikel 15 van de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan "Herziening I 1999 Buitengebied". Indien voornoemd strijdig gebruik na genoemde termijn van vier weken niet is beëindigd en beëindigd wordt gehouden, zal [appellant] een dwangsom verbeuren van € 4.000 per week waarin de last niet is uitgevoerd met daarbij een maximum aan te verbeuren bedragen van € 100.000.

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd totdat het nieuwe bestemmingsplan in werking is getreden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat tot die tijd geen nieuwe dwangsommen worden verbeurd en dat de inning van de reeds verbeurde dwangsommen tot die tijd wordt opgeschort.

In het besluit op bezwaar van 7 april 2009 heeft het college het bezwaar van [belanghebbende] dat in het besluit geen concrete einddatum is genoemd gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 mei 2009, en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de begunstigingstermijn er niet toe kan dienen om de inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan af te wachten. Hij voert daartoe aan dat het college wist dat het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" op 7 mei 2009 in werking zou treden en daarmee sprake was van concreet zicht op legalisatie, zodat in dit geval de begunstigingstermijn als onredelijk moet worden aangemerkt. Volgens [appellant] is de begunstigingstermijn voorts onredelijk, omdat hij redelijkerwijs niet kon voorzien dat deze termijn op 1 mei 2009 zou worden gesteld.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200900304/1/H1; www.raadvanstate.nl), geldt bij de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De begunstigingstermijn dient er toe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.2.2. Het betoog van [appellant] dat in dit geval de begunstigingstermijn als onredelijk moet worden aangemerkt, faalt. Hierbij is van belang dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een begunstigingstermijn niet mag worden vastgesteld als overbrugging naar de inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan. Dat hij, naar [appellant] stelt, niet kon voorzien dat de begunstigingstermijn op 1 mei 2009 zou worden gesteld, maakt dit, wat daar ook van zij, niet anders. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet binnen de daartoe gestelde termijn aan de last kan voldoen, is de begunstigingstermijn in zoverre niet onredelijk.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de begunstigingstermijn in het besluit op bezwaar, in tegenstelling tot het primaire besluit van 7 oktober 2008, onvoldoende exact is omschreven. Het college heeft bij besluit van 7 oktober 2008 de begunstigingstermijn verlengd totdat het nieuwe bestemmingsplan in werking is getreden. Anders dan [appellant] betoogt, is hiermee geen sprake van een voldoende duidelijk en onvoorwaardelijke omschreven begunstigingstermijn. Met de begunstigingstermijn zoals die in het onderhavige geval aan het primaire besluit is verbonden, is, indien het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" voor het perceel van [appellant] niet in werking zou treden, immers sprake van een termijn voor onbepaalde tijd. Met het vaststellen van een begunstigingstermijn tot 1 mei 2009, zoals is gebeurd in het besluit op bezwaar van 7 april 2009, is voldaan aan het vereiste dat de begunstigingstermijn voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk moet zijn.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

473.