Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7376

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201009466/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Swetten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2010, beroep ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009466/1/R4.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Drachten, gemeente Smallingerland,

en

de raad van de gemeente Smallingerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Swetten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2011, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. E. de Haan, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] kan zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van artikel 5, lid 5.6 van de planregels voor zover daarbij met betrekking tot zijn perceel aan de Omloop 56 de mogelijkheid is komen te vervallen dat het plan zodanig kan worden gewijzigd dat binnen de bestemming "Bedrijventerrein-2" zelfstandige kantoren zijn toegestaan. Deze wijziging is ingegeven door de zienswijze van het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân (hierna: het college) dat teveel kantoorruimte dreigt te worden ontwikkeld. Volgens [appellant] is dit geen ruimtelijk relevant aspect en had dit niet bij de bestemmingsplanprocedure betrokken mogen worden. Hij wijst erop dat op het bedrijventerrein reeds zelfstandige kantoren aanwezig zijn en stelt dat er geen ruimtelijk relevant verschil bestaat tussen een zelfstandig kantoor en een aan een bedrijf gerelateerd kantoor.

2.2. De raad stelt dat in de zienswijze van het college staat dat de wijzigingsbevoegdheid zich niet verdraagt met het kantorenprogramma waarover in het kader van het Streekplan Fryslân 2007 (hierna: het streekplan) afspraken zijn gemaakt tussen het gemeentebestuur en het provinciebestuur. De binnen de kaders van het streekplan beschikbare ruimte voor kantoren in de gemeente Smallingerland is namelijk reeds ingevuld in diverse bestemmingsplannen. De raad heeft zich in het kader van het tegengaan van leegstand van kantoren aan het kantorenprogramma gecommitteerd en daarom bij de vaststelling van het plan besloten de in het ontwerpplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid niet te handhaven. De raad stelt dat [appellant] daardoor niet onevenredig in zijn belangen is geschaad nu het vorige plan evenmin de mogelijkheid kende om ter plaatse een zelfstandig kantoor te realiseren.

2.3. Het kantorenprogramma is erop gericht leegstand en daarmee verpaupering van bestaande kantoorpanden te voorkomen. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een ruimtelijk relevant aspect betreft en dit in de afweging kunnen betrekken. De omstandigheid dat op het bedrijventerrein waarvan het perceel van [appellant] deel uitmaakt reeds zelfstandige kantoren aanwezig zijn, kan niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid waarin de raad aanleiding had moeten zien af te wijken van het kantorenprogramma.

De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke uitstraling en gevolgen van een zelfstandig kantoor op een bedrijventerrein verschillen van die van een aan een bedrijf gerelateerd kantoor. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat aan het plan in zoverre geen ruimtelijk relevante onderbouwing ten grondslag ligt.

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in de naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Gerkema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

472-718