Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
200905469/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, beroep ingesteld. [appellanten] hebben de gronden aangevuld bij brief van 9 september 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905469/1/R2.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Rijnwaarden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, beroep ingesteld. [appellanten] hebben de gronden aangevuld bij brief van 9 september 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2011, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. H.J. Kastein, advocaat te Zevenaar, en de raad, vertegenwoordigd door ir. A.B. Schenk en H. Bosch, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door drs. J.H.J.M. Sträter.

De Afdeling heeft de beroepen van de overige appellanten in zaaknummer 200905469/1 afgesplitst en afgedaan bij uitspraak van 15 juni 2011, zaaknummer 200905469/4/R2.

De Afdeling heeft aanleiding gezien, met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), over te gaan tot heropening van het onderzoek. De Afdeling heeft de raad en [belanghebbende] verzocht om nadere inlichtingen in het kader van het beroep van [appellanten] en heeft partijen hiervan in kennis gesteld.

Bij brieven van 1 juni en 6 juni 2011, bij de Raad van State binnengekomen op 6 en 7 juni 2011, hebben de raad en [belanghebbende] geantwoord en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft deze stukken aan [appellanten] verzonden en hen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Bij brief van 6 juli 2011 hebben [appellanten] een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 26 september 2011, waar [appellanten], in persoon van [twee appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door ir. A.B. Schenk, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door drs. J.H.J.M. Sträter.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente Rijnwaarden. Het bestemmingsplan vervangt 32 bestemmingsplannen, waaronder de plannen van de buitengebieden van de voormalige gemeente Herwen en Aerdt en de gemeente Pannerden.

2.2. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met het aangewezen agrarisch bouwperceel op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" en de toegekende aanduiding "Sierviskwekerij (S)" toegekend aan een perceel aan de Renbaan te Aerdt (hierna: de sierviskwekerij). Zij betogen dat vestiging van de sierviskwekerij op dit perceel inbreuk maakt op de door het streekplan te beschermen landschappelijke waarden. Zij betogen dat er geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, er geen noodzaak is voor het ontwikkelen van een nieuwe locatie en er ook geen ruimtelijke of milieuwinst wordt behaald. Het verwachte aantal verkeersbewegingen is, aldus [appellanten], onderschat bij het verrichte geluidsonderzoek. Voorts betogen [appellanten] dat de toegestane bouwhoogte van 2 meter voor de kweekvijvers te ruim is omdat hierdoor het open landschap en hun uitzicht wordt aangetast. Zij betogen dat onvoldoende is stil gestaan bij mogelijke wateroverlast in verband met de lage ligging van het maaiveld en milieugevolgen voor de bodem vanwege het gebruik van kippenmest. Voorts betogen zij dat de sierviskwekerij niet rendabel kan draaien zodat het plan niet economisch uitvoerbaar is. Het plan maakt slechts detailhandel van ondergeschikte aard mogelijk in streekeigen producten. Ten slotte betogen [appellanten] dat het haalbaarheidsonderzoek en bedrijfsplan van de sierviskwekerij niet tijdig ter inzage zijn gelegd.

2.2.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening, voor zover thans van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing, met dien verstande dat het ontwerp-besluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg wordt beschikbaar gesteld.

2.2.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.2.3. Naar het oordeel van de Afdeling betreffen het haalbaarheidsonderzoek en het bedrijfsplan van de sierviskwekerij op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 3:11 van de Awb. In de "Ruimtelijke onderbouwing Sierviskwekerij", Oostzee Stedenbouw, juni 2009, (hierna: de ruimtelijke onderbouwing van de sierviskwekerij) wordt op de stukken gewezen. Vast staat dat deze stukken niet met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd.

2.2.4. De raad heeft derhalve gehandeld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.

2.2.5. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb en overweegt daartoe als volgt.

Gebleken is dat [appellanten] het haalbaarheidsonderzoek en bedrijfsplan hangende hun beroep hebben ontvangen van de raad. Zij hebben de stukken derhalve in hun beroep kunnen betrekken, hetgeen zij ook eerst hebben gedaan in de pleitnota die op de zitting is voorgedragen waarin op de stukken is ingegaan. Het onderzoek is heropend om de raad en [belanghebbende] in de gelegenheid te stellen op de pleitnota te reageren. De reacties van de raad en [belanghebbende] zijn aan [appellanten] overgelegd. Op deze stukken hebben [appellanten] bij brief van 6 juli 2011 gereageerd. Niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden dan [appellanten] hebben afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze omdat het haalbaarheidsonderzoek en bedrijfsplan niet met het ontwerpplan ter inzage lag. Deze stukken zijn immers genoemd en samengevat in de ruimtelijke onderbouwing die betrekking heeft op de sierviskwekerij die een bijlage vormt bij de plantoelichting. Aangenomen mag worden dat eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage liggen van het haalbaarheidsonderzoek en bedrijfsplan. Er zijn geen andere belanghebbende dan [appellanten] die een zienswijze tegen de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" en de toegekende aanduiding "Sierviskwekerij (S)" hebben ingediend. Niet kan dan ook staande worden gehouden dat het niet ter inzage leggen van de stukken bij het vastgestelde plan belanghebbenden die een zienswijze omtrent het genoemde plandeel naar voren hebben gebracht de mogelijkheid heeft ontnomen nadere gronden over de stukken te kunnen aanvoeren in het kader van een beroep tegen het besluit tot vaststelling van het plan. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is dat belanghebbenden zijn benadeeld doordat het haalbaarheidsonderzoek en bedrijfsplan niet met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen.

2.3. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting is aangegeven dat de gemeente Rijnwaarden continuïteit wil bieden aan de bestaande agrarische bedrijven. Het beleid is erop gericht om de agrarische bedrijven op de bestaande locaties de mogelijkheid te bieden de bedrijvigheid te handhaven en eventueel uit te breiden. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor vestiging van bedrijven op nieuwe locaties. Indien er toch een dringende noodzaak bestaat om een nieuwe agrarische bouwlocatie te ontwikkelen, omdat daarmee elders een belangrijke ruimtelijke of milieuwinst te behalen valt, dan is, aldus de plantoelichting, een planherziening de daarvoor geëigende weg. Het dorpenlint (de bestemming "Agrarisch gebied") geldt als het meest geschikte gebied voor eventuele nieuwvestiging.

2.3.1. In paragraaf 1 van de ruimtelijke onderbouwing van de sierviskwekerij is aangegeven dat deze betrekking heeft op de verplaatsing en uitbreiding van de Koikwekerij van [belanghebbende]. De huidige kwekerij is gelegen in het uiterwaardengebied van de Rijn in de Lobberdense Waard. Voor het gebied zijn diverse nationale beleidsuitspraken geformuleerd waaronder natuurontwikkeling en is rivierverruiming voorzien. Dit gebied maakt onderdeel uit van het Natura 2000 gebied Gelderse Poort. Er ligt een initiatief van de Samenwerking Lobberdense Waard voor om de genoemde doelstellingen middels zandwinning, waaronder de huidige locatie van de [belanghebbende], te realiseren. Met een verplaatsing zou de kwetsbare locatie in de Lobberdense Waard worden verruild voor een locatie binnendijks, aldus de ruimtelijke onderbouwing van de sierviskwekerij.

2.3.2. In paragraaf 3.3 van de ruimtelijke onderbouwing van de sierviskwekerij is aangegeven dat het initiatief om een bestaande sierviskwekerij te verplaatsen naar de Renbaan te Pannerden uit landbouwkundig oogpunt niet op bezwaren stuit. Het provinciebestuur van Gelderland heeft uitgesproken dat er sprake is van een in potentie volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf. Het initiatief past, aldus de ruimtelijke onderbouwing, binnen het provinciaal en gemeentelijk beleid. De kwekerij kan ruimtelijk-visueel, architectonisch en landschappelijk goed in het beeld van de Renbaan worden ingepast en heeft een neutraal effect op het huidige ruimtelijk beeld.

2.3.3. De raad stelt in de nota van zienswijzen dat de bouwregeling zal worden aangepast waardoor alleen op een gedeelte van het bouwperceel hoger dan 2 meter gebouwd kan worden. Verder stelt de raad dat het een verplaatsing betreft van de sierviskwekerij vanwege de ligging in een natuur- en waterbergingsgebied.

2.3.4. In het verweerschrift stelt de raad aanvullend dat door de verplaatsing van het volwaardig agrarisch bedrijf uit de EHS en het Natura 2000-gebied, er sprake is van ruimtelijke winst. Over de verkeersbewegingen stelt de raad dat de Renbaan hiervoor toereikend is en verwijst naar het akoestisch onderzoek. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt volgens de raad tevens dat aan de geluidgrenswaarden wordt voldaan. Tot slot is van aantasting van de bodem volgens de raad geen sprake en is er voldoende ruimte op het perceel aanwezig voor het bezinken van hemelwater.

2.3.5. In het plan is aan de desbetreffende gronden de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Van de gronden is op de verbeelding een gedeelte nabij de Renbaan van circa 1 hectare aangewezen als "agrarisch bouwperceel". Het bouwperceel is voorzien van de aanduiding "Sierviskwekerij (S)".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels zijn de als "Agrarisch gebied" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, waaronder intensieve veehouderijbedrijven of bedrijven met een intensieve veehouderijtak op percelen met de aanduiding "i" op plankaart 1, alsmede een sierviskwekerij ter plaatse van de aanduiding "S" op plankaart 1.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c sub 4 mag maximaal 50 m² van de oppervlakte van bestaande bedrijfsgebouwen worden gebruikt ten behoeve van nevenfuncties, als bedoeld in bijlage E: "Toegelaten functies" onder nr. 1 en maximaal 350 m² van de oppervlakte van bestaande bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van nader aangeduide nevenfuncties, mits geen detailhandel plaatsvindt anders dan detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten tot een maximale vloeroppervlakte van 40 m².

Ingevolge artikel 1, lid 22, onder b wordt onder streekeigen verstaan de plaatselijk gekweekte of vervaardigde producten.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c is detailhandel verboden, met dien verstande dat detailhandel als agrarische nevenactiviteit in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten op het agrarische bedrijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 1, achtste en negende lid, van de planregels wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf met agrarische doeleinden gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of het telen van gewassen. Uitgezonderd zijn het telen van gewassen in kassen, champignon-, boom- of sierteelt. De sierviskwekerij valt onder deze definitie.

2.3.6. Ten aanzien van het betoog van [appellanten] dat er geen ruimtelijke of milieuwinst wordt behaald met de nieuwe locatie, overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting is aangegeven dat de oprichting van een agrarisch bedrijf op een nieuwe locatie niet mogelijk is, tenzij er een dringende noodzaak bestaat voor het behalen van belangrijke ruimtelijke of milieuwinst. De sierviskwekerij valt onder de definitie van agrarisch bedrijf zoals opgenomen in artikel 1 van de planregels. De huidige woning en sierviskwekerij aan de Kijfwaard 2 ligt in de Lobberdense Waard, het winterbed van de Rijn. Het gebied de Rijnwaardense Uiterwaarden, waartoe de Lobberdense Waard behoort, is in het rijksbeleid ruimte voor de rivier en de Beleidslijn Grote Rivieren opgenomen als lopend project voor rivierverruiming. Binnen dit kader wordt rivierverruiming bij voorkeur gecombineerd met de natuurontwikkeling van het Natura-2000 gebied "Gelderse Poort". Het terrein Kijfwaard 2 is omsloten door het Natura 2000-gebied "Gelderse Poort". Het terrein Kijfwaard 2 ligt tevens binnen de EHS zoals is aangegeven in het streekplan en de streekplanherziening van juli 2009. De locatie aan de Renbaan ligt buiten het Natura 2000-gebied "Gelderse Poort" en de EHS en maakt geen deel uit van de Lobberdense Waard. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van ruimtelijke en milieuwinst door het vestigen op de nieuwe locatie. Het betoog van [appellanten] faalt.

2.3.7. Ten aanzien van het betoog van [appellanten] dat het plan in strijd is met het provinciaal beleid is van belang dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden is aan provinciaal beleid, maar dat hij daarmee wel rekening dient te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De locatie aan de Renbaan maakt op grond van het streekplan deel uit van het op de Beleidskaart Ruimtelijke structuur aangegeven "multifunctioneel gebied". Hierbinnen wordt de locatie nader aangeduid als "waardevol landschap" Het gebied is niet aangeduid als "waardevol open gebied".

De raad heeft het provinciale beleid betrokken bij de belangenafweging. In de plantoelichting zijn de landschappelijke waarden als tamelijk open, grootschalig en functioneel ingericht landbouwgebied omschreven. De situering van de bebouwing is vergelijkbaar met de geclusterde wijze van de bebouwing die binnen het dorpenlint voorkomt, zodat de sierviskwekerij op verantwoorde wijze in het landschap kan worden ingepast. Voor zover sprake is van een beperkte aantasting van het gebied als gevolg van de bebouwing zij opgemerkt dat het niet gaat om een "waardevol open gebied" en de sierviskwekerij niet leidt tot het verlies van natuurwaarden. In het kader van de landschappelijke inpassing van de viskwekerij is het rapport "Landschappelijke inpassing viskwekerij Renbaan Aerdt", Van der Molen Groenconsult van november 2006 opgesteld. In dit rapport worden de uitgangspunten gegeven van de landschappelijke inpassing van het terreindeel ten noorden van de bedrijfshal. Hieruit blijkt dat dit terreindeel zal worden omzoomd door een haag van bomen en heesters. Ten noorden van de bedrijfshal is een boomgaard met hoogstamfruitbomen ingetekend. De kweekvijvers worden voorzien van een begroeiing van inheemse kruiden. Het betoog faalt.

2.3.8. [appellanten] betogen dat de resultaten van het akoestisch onderzoek waarvan de raad is uitgegaan niet juist zijn omdat is uitgegaan van onvoldoende verkeersbewegingen en de ligging in een stiltegebied buiten beschouwing is gelaten.

Het perceel is weliswaar gelegen in een stiltegebied, maar nu de sierviskwekerij onder de agrarische bedrijfsvoering valt, heeft het stiltegebied hierop geen betrekking.

Voor een inschatting van de gevolgen van de sierviskwekerij ten aanzien van (onder andere) geluid is de Rapportage betreffende de gevelbelasting ten gevolge van het wegverkeer, geluidbelasting ten gevolge van bedrijvigheid en luchtkwaliteit bij een geplande woning en bedrijfsperceel aan de Renbaan te Aerdt van oktober 2008, Abovo Acoustics opgesteld. In dit rapport is bij de berekening uitgegaan van het inwerking zijn van de inrichting in de dagperiode en van 26 voertuigbewegingen in die periode. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het aantal van 26 voertuigbewegingen per dag geen redelijke inschatting is en dat de raad zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren. Het betoog faalt.

2.3.9. Met betrekking tot hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd omtrent het optreden van wateroverlast ter plaatse overweegt de Afdeling het volgende.

2.3.10. In de ruimtelijke onderbouwing van de sierviskwekerij is ingegaan op de toekomstige waterhuishouding in het gebied. Voor de watertoets is het Waterschap Rijn en IJssel verantwoordelijk. In het kader van de watertoets is het waterschap betrokken geweest bij de planvorming. Het waterschap heeft aangegeven te kunnen instemmen met het plan. Het is niet in geschil dat het maaiveldniveau van het perceel in kwestie lager ligt dan het omliggende maaiveld. Met name in perioden van grote neerslag of bij hoge waterstanden in de Rijn treedt hierdoor ter plaatse eerder wateroverlast op dan bij de omliggende percelen. In de stukken is aangegeven dat tegen de wateroverlast maatregelen kunnen worden getroffen, zoals kruipruimteloos bouwen en het bouwen van de woning en de bedrijfshal op een hoger peil dan het maaiveld. Op grond van het bestemmingsplan is het treffen van deze maatregelen mogelijk. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de watertoets zodanige onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren. Dit betoog faalt.

2.3.11. Ten aanzien van de bouwhoogte van 2 meter bij de kweekbassins overweegt de Afdeling het volgende. De maatvoering van de bouwwerken waaraan moet worden voldaan is opgenomen in artikel 3, tweede lid, onder d, van de planregels aangevuld met enkele specifieke voorwaarden voor de sierviskwekerij in artikel 3, tweede lid, onder e, van de planregels. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder e, van de planregels gelden ten aanzien van de maatvoering en de situering van de gebouwen en andere bouwwerken van de sierviskwekerij de volgende bepalingen:

1….

2..

3. de hoogte van de kweekbassins bedraagt maximaal 2 m.

2.3.12. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels waaronder bouwmogelijkheden voor gronden vaststellen. De komst van de sierviskwekerij betekent weliswaar verandering in de woon- en leefomgeving van [appellanten] maar de sierviskwekerij betreft een agrarisch bedrijf dat wordt gevestigd in een gebied dat is bedoeld voor agrarische doeleinden. De woningen van [appellanten] liggen op respectievelijk ongeveer 45 meter en 100 meter van het perceel waar de sierviskwekerij komt te liggen. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet staande worden gehouden dat de raad na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de bouwmogelijkheden voor de kweekbassins op te nemen.

2.3.13. Ten aanzien van de uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling het volgende. Voor de sierviskwekerij is de verkoop van eigen agrarische producten als nevenfunctie toegelaten met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder c, van de planregels. Onder streekeigen wordt hier verstaan de plaatselijk gekweekte of vervaardigde producten. De term streekeigen heeft betrekking op de vraag of het ter plaatse is gekweekt. De sierviskwekerij is gericht op de verkoop van Koikarpers aan particulieren en uit broed gekweekte visjes voor de groothandel. De raad is bij zijn besluitvorming met name afgegaan op een door ing. J.D. van Rheenen, dienst Ruimte, Economie en Welzijn van de provincie Gelderland aan het college uitgebracht landbouwkundig advies van 5 maart 2007. In het landbouwkundig advies is gesteld dat er sprake is van een in potentie volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij er gezien de aanwezige kennis en ervaring van de kweek en de markt, als ook gezien de opzet en omvang, een voldoende duurzaam bedrijfseconomisch perspectief bestaat. Hierbij is de kanttekening geplaatst dat de omvang van het bedrijf naar de toekomst nog zou mogen groeien en de marktoriëntatie en bedrijfsvoering mogen professionaliseren. Daarnaast is vermeld dat hiervoor voldoende concrete aanknopingspunten zijn gevonden. De raad stelt zich achter deze bevindingen. [appellanten] hebben met de naar voren gebrachte uitkomsten van een onderzoek naar de uitvoerbaarheid uitgevoerd door dr. A. Ploeg niet aannemelijk gemaakt dat de raad ten onrechte is afgegaan op het landbouwkundig advies en dat de sierviskwekerij niet uitvoerbaar zou zijn.

2.3.14. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de toegekende aanduiding "Sierviskwekerij (S)" toegekend aan een perceel aan de Renbaan te Aerdt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten] is ongegrond.

2.3.15. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van

mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

224.