Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201008495/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tinq B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onbemand tankstation voor het wegverkeer met een showroom en een werkplaats aan de Sloterweg 12 te Badhoevedorp. Dit besluit is op 23 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 23 september 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008495/1/M1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tinq B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onbemand tankstation voor het wegverkeer met een showroom en een werkplaats aan de Sloterweg 12 te Badhoevedorp. Dit besluit is op 23 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 23 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2011, waar [appellant], bijgestaan door J.M.S. Salomons, en het college, vertegenwoordigd door V. Verweij, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Tinq B.V., vertegenwoordigd door E. Uit den Bosch en A. Forch, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor een onbemand tankstation met een werkplaats en een showroom. De vergunning ziet niet op het in werking hebben van een shop.

2.3. [appellant] heeft ter zitting aangegeven dat hij beroepsgronden over het moeten toepassen van een straffactor vanwege muziekgeluid van autoradio's en over het ontbreken van voorschriften met betrekking tot het afleveren van brandstoffen met een tankwagen wil inbrengen in de procedure. In dit verband heeft hij gewezen op een aantal opmerkingen over deze onderwerpen in het deskundigenbericht. Het college heeft er terecht op gewezen dat deze onderwerpen niet in het beroepschrift zijn aangevoerd. Het eerst ter zitting naar voren brengen van deze beroepsgronden acht de Afdeling, nu niet is gebleken dat [appellant] deze niet eerder had kunnen aanvoeren, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze gronden daarom buiten beschouwing bij de behandeling van het geding.

2.4. [appellant] stelt dat moet worden gevreesd voor de veiligheid ter plaatse omdat volgens de notitie van 27 januari 2010 van Adviesgroep AVIV B.V. "Beoordeling onbemand opereren benzinetankstation" de afstand tussen de woning en de afleverzuil zo klein is, dat een modelmatige berekening geen duidelijk antwoord kan geven op de vraag naar de mogelijke effecten van het vrijkomen en vervolgens vlam vatten van een bepaalde hoeveelheid benzine gedurende een bepaalde tijdsperiode. Volgens [appellant] staat niet vast dat een plasoppervlak van 1 m2 als maatgevend moet worden beschouwd zodat niet vaststaat dat geen brandoverslag naar de dichtst bij de inrichting gelegen woning plaats kan vinden. Nu geen duidelijkheid bestaat over de veiligheid ter plaatse had de vergunning niet verleend mogen worden, aldus [appellant].

2.4.1. Uit voormelde notitie van 27 januari 2010 volgt dat uitgaande van het vrijkomen en vervolgens vlam vatten van een plasoppervlak van 1 m2 brandstof, de warmtebelasting op de dichtst bij de inrichting gelegen woning Sloterweg 14, niet hoger zal zijn dan 3 kW/m2. Uitgangspunt is dat bij een stralingsintensiteit tot 15 kW/m2 geen brandoverslag te verwachten is. Het college heeft daarom geen aanleiding gezien om de gevraagde vergunning wegens het veiligheidsaspect te weigeren.

2.4.2. In voorschrift G6 bij de vergunning is bepaald dat per tankbeurt niet meer dan 80 liter brandstof mag vrijkomen zodat de hoeveelheid brandstof die kan vrijkomen beperkt is. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat een plasoppervlak van 1 m2 realistisch is en dat de warmtestraling die bij een plasbrand optreedt ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde woning zo klein is dat geen brandoverslag te verwachten is. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat deze conclusie onjuist is.

Daarnaast volgt uit de notitie van 27 januari 2010 dat in een worst case scenario het plasoppervlak maximaal 11 m2 bedraagt. Volgens het deskundigenbericht blijft ook in dat scenario de stralingsintensiteit ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde woning onder de grens van 15 kW/m2 waarbij brandoverslag te verwachten is. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunning niet behoefde te worden geweigerd vanwege het veiligheidsaspect.

2.5. De stelling van [appellant] dat niet vaststaat dat de Commandant van de Regionale Brandweer Kennemerland is geraadpleegd en welke vragen er zijn gesteld, mist feitelijke grondslag. Bij brief, verzonden op 19 februari 2010, heeft het college de Commandant om een pre-advies gevraagd. Bij brief van 26 maart 2010 heeft de Commandant gereageerd met de conclusie dat hij geen relevante externe veiligheidsaspecten heeft geconstateerd.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] stelt dat het akoestisch rapport van 16 september 2009 ten onrechte ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Dit rapport ziet volgens hem niet op de inrichting zoals die is aangevraagd. Deze stelling mist feitelijke grondslag nu het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport van 9 maart 2010 blijkens het dictum onder 2 van het bestreden besluit aan dit besluit ten grondslag ligt.

2.7. Verder stelt [appellant] dat een geluidmeting ter plaatse van de inrichting uitgevoerd had moeten worden om de geluidbelasting vanwege de inrichting te bepalen. Volgens hem is de geluidbelasting ten onrechte berekend en niet gemeten.

2.7.1. De Afdeling overweegt dat het niet ongebruikelijk is om in het geval dat de inrichting nog niet geheel in werking is, de geluidbelasting te berekenen aan de hand van bronsterktes van vergelijkbare bronnen. Blijkens het akoestisch rapport van 9 maart 2010 van db/a consultants v.o.f. is de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 gehanteerd voor de berekening van de geluidbelasting vanwege de inrichting. Volgens het deskundigenbericht zijn de voor de berekening gehanteerde bronsterktes representatief. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding om aan die conclusie te twijfelen. Ook anderszins heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de uitgevoerde berekeningen niet representatief zijn voor de vergunde situatie. Gelet op het voorgaande mocht het college uitgaan van de berekende geluidbelasting.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Voor zover [appellant] aanvoert dat de omlegging van leidingen mogelijk vergunningplichtig is en dat niet duidelijk is op welke wijze de veiligheid door de omlegging wordt gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat deze grond niet ziet op een aspect waarover in het bestreden besluit is beslist. Inhoudelijke bespreking van deze grief is dan ook niet aan de orde.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

492-687.