Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
201106389/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals evenwel volgt uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201105921/1/V3 (ter voorlichting van partijen aangehecht), moet het feitelijke voortduren van een bewaringsmaatregel in weerwil van een eerder door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing daarvan worden aangemerkt als een op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 met een beschikking gelijk te stellen handeling van de minister ten aanzien van de vreemdeling. Ingevolge die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, stond tegen bedoeld feitelijk voortduren van de maatregel bezwaar open alvorens beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld. De rechtbank heeft het beroep derhalve terecht, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106389/1/V3.

Datum uitspraak: 30 september 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 1 juni 2011 in zaak nr. 11/17005 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 17 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Bij brief van 18 mei 2011 heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen het feitelijke voortduren van de bewaring en verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.

Bij uitspraak van 1 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank dat beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Bij uitspraak van 17 mei 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de opheffing van de eerder aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel met ingang van die dag bevolen. Op 18 mei 2011 is de bewaring opgeheven. Tegen het feitelijke voortduren van de bewaring na voormeld door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing daarvan heeft de vreemdeling opnieuw beroep ingesteld, waarbij hij tevens heeft verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Bij uitspraak van 1 juni 2011 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij de rechter in vreemdelingenzaken niet bevoegd acht kennis te nemen van een verzoek om schadevergoeding met betrekking tot een beweerdelijk onjuiste tenuitvoerlegging van een rechterlijk bevel.

2.2. In de enige grief klaagt de vreemdeling, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat zijn beroep niet was gericht tegen een onjuiste tenuitvoerlegging van een rechterlijk bevel, maar tegen het na het op 17 mei 2011 door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing onrechtmatige voortduren van de bewaringsmaatregel. Derhalve is het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en is hem, als gevolg daarvan, ten onrechte geen schadevergoeding toegekend voor de periode dat de bewaring na 17 mei 2011 onrechtmatig heeft voortgeduurd, aldus de vreemdeling.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2003 in zaak nr. 200307090/1; JV 2004/61), is in beginsel geen sprake van strijd met het vereiste dat de inbewaringstelling na een bevel daartoe van de rechtbank onverwijld moet worden opgeheven, indien deze binnen zes uur na de verzending van haar uitspraak wordt beƫindigd, waartoe in aanmerking is genomen dat de ten behoeve van de beƫindiging te verrichten formaliteiten enige tijd kunnen vergen.

In dit geval is de bewaring eerst de dag volgend op die waarop de rechtbank de opheffing daarvan heeft bevolen opgeheven, hetgeen niet als onverwijld als hiervoor bedoeld kan worden aangemerkt. Op zichzelf klaagt de vreemdeling derhalve terecht dat hij niet tijdig is heengezonden.

2.2.2. Zoals evenwel volgt uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201105921/1/V3 (ter voorlichting van partijen aangehecht), moet het feitelijke voortduren van een bewaringsmaatregel in weerwil van een eerder door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing daarvan worden aangemerkt als een op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 met een beschikking gelijk te stellen handeling van de minister ten aanzien van de vreemdeling. Ingevolge die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, stond tegen bedoeld feitelijk voortduren van de maatregel bezwaar open alvorens beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld. De rechtbank heeft het beroep derhalve terecht, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk verklaard.

De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze berust. Het in dit hoger beroep aan de orde zijnde verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen. Het door de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring na het op 17 mei 2011 door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing ingediende beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15 van de Awb aan de minister worden doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Wijker-Dekker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011

562.

Verzonden: 30 september 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser