Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT6677

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
200909981/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "de Rooye Asch" vastgesteld en heeft hij besloten daarvoor geen exploitatieplan vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3828
JBO 2011/87 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2011/778
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909981/1/R3.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

3. [appellant sub 3], wonend te Gendt, gemeente Lingewaard,

4. [appellant sub 4], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

5. [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], wonend te Amsterdam,

6. [appellant sub 6], wonend te Waddinxveen,

7. [appellant sub 7 A] en [appellante sub 7 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]), wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

8. [appellante sub 8], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

9. [appellant sub 9], wonend te Vlaardingen,

10. [appellant sub 10], wonend te Volkel, gemeente Uden,

11. [appellant sub 11], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

12. [appellant sub 12], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

13. [appellant sub 13], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

14. [appellant sub 14], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

15. [appellant sub 15], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

16. [appellante sub 16], wonend te Beek en Donk, gemeente Laarbeek,

17. [appellant sub 17], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

18. [appellant sub 18], wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,

19. [appellant sub 19], wonend te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,

20. [appellant sub 20], wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

21. [appellant sub 21], wonend te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,

en

de raad van de gemeente Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "de Rooye Asch" vastgesteld en heeft hij besloten daarvoor geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5 A], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellante sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellante sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] tijdig beroep ingesteld. Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3], [appellant sub 20], [appellante sub 8] en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2011, waar verscheidene partijen, een aantal bijgestaan door een raadsman, zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

Voorts is daar gehoord Wind Mee Recreatie B.V., als ontwikkelaar betrokken bij het plan.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan maakt de herontwikkeling en doorgroei van recreatiepark "de Rooye Asch" in planologisch opzicht mogelijk. In de huidige situatie heeft het park een oppervlakte van ongeveer 18 ha waarop volgens het voorheen geldende plan in totaal 513 recreatiewoningen, stacaravans en overige kampeermiddelen waren toegestaan. Op een deel van het park waarop maximaal 107 staanplaatsen waren toegelaten, waren geen recreatiewoningen of stacaravans toegestaan. Het voorliggende plan maakt een groei van het park naar een oppervlakte van ongeveer 27 ha mogelijk, waarbij het aantal toegestane recreatieverblijven is vastgesteld op 450.

Intrekking beroepsgrond

2.2. Ter zitting heeft [appellant sub 4] haar beroep ingetrokken voor zover het betreft het betoog met betrekking tot de in het plan voorziene noodontsluitingsweg.

De beroepsgronden van [appellant sub 2], [appellante sub 8], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17]

2.3. [appellant sub 2] betwijfelt of het voorziene parkeerterrein op de hoek Haveltweg/Grindweg bij evenementen of op warme zomerdagen voldoende ruimte biedt en vreest voor parkeeroverlast. Verder betoogt [appellant sub 2] dat het parkeerterrein mogelijk hangjongeren en drugshandel aantrekt en ook in dat opzicht overlast met zich brengt.

[appellante sub 8] betoogt eveneens dat dit parkeerterrein leidt tot overlast en tot aantasting van haar woon- en leefklimaat. Voorts voert [appellante sub 8] aan dat onbekend is of de eigenaar van de gronden waarop het parkeerterrein is voorzien, bereid is deze te verkopen, terwijl een alternatief mogelijk is, waarbij zij met de eigenaar van die gronden een deel van haar perceel ruilt en het parkeerterrein zodanig wordt gesitueerd dat de invloed van het parkeerterrein op haar woon- en leefklimaat afneemt. [appellante sub 8] betoogt dat het plan leidt tot waardevermindering van haar woning.

2.3.1. Volgens de raad is voorzien in voldoende parkeerplaatsen, zeker gezien de omstandigheid dat op de individuele kavels op het recreatiepark geparkeerd kan worden en daarnaast een parkeerterrein wordt gerealiseerd bij de centrale voorziening op het recreatiepark. In combinatie met de parkeervoorziening aan de noordwestelijke zijde van het park, welke ook beperkt ruimte biedt voor bezoekers van de Rooye Plas indien de eigen parkeervoorziening op drukke dagen ontoereikend is, acht de raad dit ruim voldoende. De raad stelt zich op het standpunt dat een acceptabele aanleg van het parkeerterrein mogelijk is.

2.3.2. Het parkeerterrein is voorzien op gronden met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" op de hoek van de Haveltweg en de Grindweg, ten westen van de woning van [appellant sub 2], op een afstand van ongeveer 55 m. [appellante sub 8] woont aan de [locatie 1], naast gronden die volgens het plan mogen worden gebruikt als parkeerterrein. Tussen het voorziene parkeerterrein en het perceel van [appellante sub 8] ligt een strook grond met een breedte van 4 m waaraan de bestemming "Groen" is toegekend.

2.3.3. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat parkeeroverlast onvoldoende kan worden voorkomen op de door de raad geschetste wijze waarmee wordt beoogd tegemoet te komen aan de in het plangebied en de omgeving daarvan voorziene parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van het plan.

Wat betreft de vrees van [appellant sub 2] voor overlast als gevolg van hangjongeren en/of drugshandel overweegt de Afdeling dat dergelijke overlast geen direct gevolg is van het plan, dat uitsluitend het gebruik voor een parkeerterrein regelt. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gevreesde eventuele overlast zo nodig in het kader van de handhaving van de openbare orde kan worden tegengegaan.

2.3.4. Gelet op de in het plan voorziene groenstrook tussen het perceel van [appellante sub 8] en het te realiseren parkeerterrein geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van haar perceel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante sub 8] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

[appellante sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich met betrekking tot de eigendom van de gronden waarop het parkeerterrein is voorzien omstandigheden voordoen op grond waarvan de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan op dit onderdeel niet binnen een periode van tien jaar kan worden gerealiseerd. Ten aanzien van de door haar naar voren gebrachte alternatieve situering van het parkeerterrein overweegt de Afdeling dat daarvoor meer eigenaren dienen te worden betrokken dan het geval is bij de wijze waarop in het plan in het parkeerterrein is voorzien. In zoverre biedt het naar voren gebrachte alternatief dan ook geen voordelen ten opzichte van het plan. Gelet hierop en nu de raad een acceptabele aanleg van het parkeerterrein mogelijk heeft kunnen achten, zoals hiervoor reeds overwogen, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de in het plan voorziene situering van het parkeerterrein.

2.4. [appellant sub 2] stelt dat volgens de reactie op zijn zienswijze een groenstrook van 15 m breedte is voorzien tussen zijn perceel en de gronden met een recreatiebestemming en voert aan dat onduidelijk is of langs het perceel [locatie 2] de toegezegde 15 m breedte wordt behaald.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de groenzone aan de oostzijde van het perceel van [appellant sub 2] 15 m breedte bedraagt en aan de zuidzijde 10 m.

2.4.2. In de reactie op de zienswijze van [appellant sub 2] staat dat wat betreft de groenstrook overleg met [appellant sub 2] heeft plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in de opname van een groenstrook van ongeveer 15 m breedte. De zienswijze is op dit onderdeel gegrond geacht met dien verstande dat aan de achterzijde van het perceel een groenstrook met een breedte van 10 m zal worden opgenomen, zo staat voorts in die reactie.

Ten zuiden en ten oosten van het perceel van [appellant sub 2] liggen gronden met een recreatiebestemming. Tussen deze gronden en het perceel voorziet het plan aan de oostzijde in een groenbestemming met een breedte van ruim 15 m en aan de zuidzijde in een groenbestemming met een breedte van 10 m. Naar het oordeel van de Afdeling is aldus voldaan aan het gestelde in de reactie op de zienswijze. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan zou voorzien in een grotere afscheiding tussen het perceel [locatie 2] en de gronden met een recreatiebestemming. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld. Voor het overige heeft [appellant sub 2] niet aangevoerd waarom de omvang van de in het plan voorziene groenbestemming onvoldoende zou zijn.

2.5. [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] richten zich tegen het plan en voeren daartoe identieke beroepsgronden aan.

Zij betogen dat onvoldoende is onderzocht wat de effecten van het plan zijn op de omgeving. In dit verband wijzen zij op bestaande problemen met de riolering. Volgens hen blijkt uit een in 2006 uitgevoerd draagkrachtonderzoek dat slechts een beperkte groei mogelijk is.

2.5.1. Wat betreft de riolering is de raad van mening dat sprake zal moeten zijn van een adequate aansluiting op het gemeentelijke rioleringstelsel. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de effecten van de in het plan voorziene ontwikkelingen voldoende zijn onderzocht, dat de onderzoeksrapporten ter inzage hebben gelegen en dat de onderzoeksresultaten in het plan zijn verwerkt.

2.5.2. Wat betreft de aangevoerde problemen met de bestaande riolering overweegt de Afdeling dat, wat daarvan zij, daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat niet in een deugdelijk rioleringsstelsel kan worden voorzien.

De enkele stelling dat volgens een draagkrachtonderzoek uit 2006 slechts een beperkte uitbreiding van de recreatieve voorzieningen in het gebied mogelijk is, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op basis van de beschikbare resultaten van het ten behoeve van het plan verrichte onderzoek de in het plan voorziene recreatieve mogelijkheden niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij betrekt de Afdeling dat in het voorheen geldende plan reeds 513 recreatieverblijven waren toegestaan, zij het dat de omvang van de in het plan voorziene recreatieverblijven groter is dan in het vorige bestemmingsplan was toegestaan. Voorts acht de Afdeling van belang dat in de toelichting op het plan onder meer de milieuaspecten van het recreatiepark zijn beschreven en dat ten behoeve van het plan diverse onderzoeksrapporten zijn opgesteld waarmee de aanvaardbaarheid van de uitbreiding van het recreatiepark, als voorzien in het plan, is onderbouwd. Nu [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] voor het overige niet hebben geconcretiseerd ten aanzien van welke effecten van het recreatiepark op de omgeving onvoldoende onderzoek zou zijn verricht en nu zij niet hebben onderbouwd waarom dit het geval zou zijn, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

2.6. [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] voeren aan dat het plan ten onrechte het gebruik van de om het recreatiepark voorziene groenstrook voor fiets- en wandelroutes mogelijk maakt, nu bij het in het kader van de voorbereiding van het plan gevoerde overleg is overeengekomen dat de groenstrook geen bijkomende functies zou krijgen.

2.6.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. het behoud, herstel en ontwikkeling van natuurlijke, cultuurhistorische, aardkundige en waterhuishoudkundige waarden met een zo sterk mogelijke ecologische en ruimtelijke samenhang;

c. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen, waterpartijen en (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen;

d. aarden wallen;

met daaraan ondergeschikt:

e. wandelpaden en/of fietspaden;

met daarbij behorende:

f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.6.2. De Afdeling overweegt dat, nu slechts een ondergeschikt gebruik van gronden met de bestemming "Groen" voor wandel- en/of fietspaden is toegestaan, deze bestemmingsregeling in de weg staat aan de gevreesde realisering van wandel- en of fietspaden rondom het gehele, of nagenoeg het gehele, recreatiepark. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat niet is beoogd een dergelijke inrichting van de groenzone mogelijk te maken en heeft hij toegelicht dat de voorziene planregeling tussen het recreatiepark en de daarbuiten gelegen gronden ziet op de aanleg van een doorgang voor wandelaars en fietsers. De raad heeft ter zitting gesteld niet bekend te zijn met toezeggingen dat in het geheel niet de mogelijkheid zou worden geboden om bedoelde groenzone te gebruiken voor andere doeleinden. [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] hebben niet aannemelijk gemaakt dat niettemin sprake is van een bevoegd gedane toezegging waaraan redelijkerwijs de verwachting kon worden ontleend dat de raad niet zou voorzien in de mogelijkheid van een dergelijk gebruik van de groenzone. Het betoog faalt.

2.7. Voorts betogen [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] dat de bodem in delen van het plangebied nog dient te worden gesaneerd en dat van gemeentelijke zijde is toegezegd dat een afvalberg bij het recreatiepark zou worden verwijderd voordat het plan in procedure zou worden gebracht.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de desbetreffende afvalberg zal worden opgeruimd door de ontwikkelaar van het plan, maar dat dit niet relevant is voor deze procedure.

2.7.2. Nu niet is gebleken van bevoegd gedane toezeggingen dat het plan niet in procedure zou worden gebracht totdat voornoemde afvalberg zou zijn verwijderd, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op dit punt bij de vaststelling van het plan heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Voorts hebben [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] niet aannemelijk gemaakt dat, in het geval dat aanvullende bodemsanering in het plangebied nodig mocht blijken, de eigenaar van de desbetreffende gronden niet in staat zal zijn om deze sanering te laten uitvoeren. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.

2.8. [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] twijfelen aan de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan, omdat de recreatiebehoefte in de omgeving van het plangebied niet is onderzocht en omdat het in dit verband opgestelde onderzoeksrapport voor een belangrijk deel is gebaseerd op de betrokkenheid van het recreatiebedrijf Roompot, terwijl dit bedrijf inmiddels heeft afgezien van zijn betrokkenheid bij het plan.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de economische onderbouwing in het plan en de daarbij behorende stukken inzicht bieden in de economische effecten en mogelijkheden van de herontwikkeling van het recreatiepark. De herontwikkeling is niet gebonden aan één exploitant, aldus de raad. Door de ontwikkelaar en beoogde exploitanten is volgens de raad nadrukkelijk gekeken naar de markt voor een recreatiepark met de in het plan voorziene omvang.

2.8.2. Nu de exploitatie van het plan in beginsel niet afhankelijk is van de betrokkenheid van het recreatiebedrijf Roompot en nu niet aannemelijk is gemaakt dat exploitatie van het plan door één of meer andere partijen niet mogelijk is, geeft het op dit punt aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd.

2.9. [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] voeren aan dat het plan onvoldoende waarborgen biedt ter voorkoming van permanente bewoning van recreatiewoningen in het plangebied.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan permanente bewoning niet toelaat en dat de ontwikkelaar daarnaast contractueel verplicht is om in koopaktes op te nemen dat permanente bewoning verboden is. Deze benadering biedt volgens de raad de meeste zekerheid om nieuwe gevallen van permanente bewoning te voorkomen.

2.9.2. Nu het plan permanente bewoning niet toelaat, kan tegen dergelijk gebruik handhavend worden opgetreden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende waarborgen biedt tegen permanente bewoning van recreatieverblijven.

2.10. [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] betogen dat in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het gemeentebestuur onderzoek zou worden opgestart naar de ontwikkelaar van het plan, maar dat die toezegging niet is nagekomen.

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat dit uit juridisch-planologisch oogpunt niet relevant is. De raad stelt dat in dit verband een toets is uitgevoerd die geen aanleiding gaf voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek.

2.10.2. Voor zover [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] betogen dat de uitkomsten van een integriteitsbeoordeling in de weg kunnen staan aan de uitvoerbaarheid van het plan, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat het plan in beginsel ook door anderen dan de thans beoogde ontwikkelaar kan worden gerealiseerd, zij geen feiten of omstandigheden hebben aangevoerd die aanknopingspunten geven voor het oordeel dat de raad in redelijkheid op voorhand had moeten inzien dat dit aspect in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Voor het overige is dit aspect niet van belang in deze procedure.

2.11. Het betoog van [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] met betrekking tot de beoogde fasering van in het plan voorziene ontwikkelingen betreft een aspect van uitvoering dat in deze procedure niet aan de orde kan komen. De door hen genoemde voorgenomen verkeersmaatregelen buiten het plangebied kunnen in deze procedure evenmin aan de orde komen.

Het opnemen van de bestemming "Groen" voor uitbreiding van de groenstrook ten koste van de voorheen geldende recreatiebestemming

2.12. [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 16], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] betogen dat de raad aan een deel van de gronden in het plangebied ten onrechte de bestemming "Groen" heeft toegekend. In dat verband wordt er onder meer op gewezen dat daarmee wordt voorbijgegaan aan bestaande rechten.

2.12.1. De raad stelt dat verbetering van de bebouwde en onbebouwde omgeving van het recreatieterrein wordt beoogd alsmede een landschappelijke inpassing in de omgeving. Onderdeel daarvan vormt een robuuste groenzone met beplanting die deze inpassing garandeert. In de voorbereiding van het plan, waarbij ook omwonenden en eigenaren van kavels op het recreatieterrein waren betrokken, is uitgebreid over deze groenzone gediscussieerd, hetgeen heeft geleid tot een groenzone die breder is dan in het voorheen geldende plan en minimaal 10 m diep is, aldus de raad.

Volgens de raad is in oktober 2009 geïnventariseerd welke legaal en illegaal opgerichte bouwwerken aanwezig zijn op de gronden die ook onder het voorheen geldende bestemmingsplan reeds een groenbestemming hadden. Daarbij is de keuze gemaakt om legaal opgerichte bouwwerken te respecteren en illegaal opgerichte bouwwerken onder het overgangsrecht te brengen, aldus de raad.

In het belang van eigenaren van kavels die beschikken over een persoons- en locatiegebonden gedoogbeschikking heeft de raad besloten om de locatiegebondenheid te laten vervallen om daarmee mogelijkheden te bieden voor kavelruil. In geval van kavelruil blijft de persoonsgebonden gedoogbeschikking als zodanig dan ook in stand en geldt deze ook voor de nieuwe kavel, zo stelt de raad.

2.12.2. Een deel van de gronden waaraan in het thans voorliggende plan de bestemming "Groen" is toegekend, was in het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd als "Verblijfsrecreatie, deelbestemming recreatieverblijventerrein". Als gevolg hiervan zijn de voorheen ter plaatse toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van recreatieve doeleinden thans niet meer bij recht toegelaten.

2.12.3. In algemene zin overweegt de Afdeling dat voor zover de gebruikers van het recreatiepark gronden recreatief gebruiken en dat gebruik in het voorheen geldende bestemmingsplan bij recht was toegelaten, sprake is van bestaand legaal gebruik, welk gebruik in het algemeen dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet dan met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot bestaand legaal gebruik geldt eveneens voor bebouwing die in overeenstemming met een daartoe verleende bouwvergunning is opgericht.

2.12.4. Ter zitting heeft de raad verklaard dat op gronden met de bestemming "Groen" bouwwerken staan die in overeenstemming met een daarvoor verleende bouwvergunning zijn opgericht, terwijl geen voornemens bestaan tot onteigening van de gronden waarop de desbetreffende bouwwerken staan. De raad heeft ter zitting erkend dat de desbetreffende bebouwing in het voorliggende plan bij recht mogelijk had moeten worden gemaakt.

In zoverre heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.12.5. Voorts bevindt zich op gronden met de bestemming "Groen" bebouwing waarvoor geen bouwvergunning is verleend, maar waarin het voorheen geldende plan wel voorzag. Onder meer ten behoeve van deze bebouwing is in artikel 11 van de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee bestemmingsgrenzen ten hoogste met 5 m kunnen worden gewijzigd. Indien die bebouwing voldoet aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van welstand en ingevolge het Bouwbesluit 2003 worden gesteld, zal met toepassing van deze regeling de desbetreffende bebouwing alsnog kunnen worden toegestaan, aldus de raad ter zitting.

Voornoemde door de raad bedoelde eisen komen evenwel aan de orde in het kader van aanvragen voor omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen en staan los van de vraag of het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft ter zitting erkend dat ook indien aan de desbetreffende gronden bij recht een recreatieve bestemming wordt toegekend, kan worden gewaarborgd dat aan bedoelde eisen wordt voldaan. Zonder nadere motivering valt dan ook niet in te zien waarom aan gronden met daarop aanwezige bebouwing die op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan gelegaliseerd had kunnen worden, niet bij recht een recreatieve bestemming is toegekend.

2.12.6. Voor zover op gronden die reeds in het voorheen geldende bestemmingsplan een groenbestemming hadden bebouwing staat, waarvoor niet de vereiste bouwvergunning is verleend, die volgens het voorheen geldende bestemmingsplan bovendien niet bij recht was toegelaten en die evenmin onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan viel, heeft de raad, gelet op zijn wens te voorzien in een groene afscherming van het recreatiepark, in redelijkheid ervoor kunnen kiezen geen bestemmingsregeling in het plan op te nemen die deze bebouwing alsnog mogelijk maakt.

2.12.7. Ter zitting is gebleken dat op een deel van de gronden met de bestemming "Groen" dat in het voorheen geldende bestemmingsplan een recreatieve bestemming had, sprake is van bestaand legaal recreatief gebruik, waarvan niet aannemelijk is dat het binnen de planperiode zal worden beëindigd, nu niet is gebleken van voornemens daartoe, het gemeentebestuur hiertegen niet handhavend kan optreden en de raad ter zitting heeft verklaard dat geen voornemens bestaan tot onteigening van gronden in het plangebied.

In zoverre heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en dient het te worden vernietigd.

2.12.8. Voor zover wordt betoogd dat de raad bij recht had moeten voorzien in de mogelijkheid om gronden te gebruik voor permanente bewoning overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid hiervan heeft kunnen afzien, gelet op het voorgestane recreatieve gebruik van het park.

2.12.9. Aan bespreking van de overige met betrekking tot de groenzone aangevoerde bezwaren komt de Afdeling niet toe.

Overige bezwaren van [appellant sub 4] met betrekking tot het bestemmingsplan

2.13. [appellant sub 4] betoogt dat niet voor het hele plangebied de bodemkwaliteit afdoende is onderzocht, terwijl volgens de plantoelichting niet volledig is uitgesloten dat er in het plangebied nog te saneren stortlocaties zijn.

2.13.1. In de plantoelichting staat onder meer het volgende over de bodemkwaliteit in het plangebied:

"Het recreatiepark is in het verleden reeds onderzocht op bodemverontreiniging. Dit onderzoek heeft zich toegespitst op stortlocaties. Op deze locaties waren afvalstoffen die vrij kwamen op het recreatiepark in de bodem gestort. Op grond van een saneringsbevel is hieruit een saneringsoperatie ontstaan, waarbij het vooral de afvoer van in de bodem gestort afval betrof. Deze saneringsoperatie is recentelijk afgerond, waarbij wordt opgemerkt dat sindsdien geen bodemverontreinigende activiteiten meer hebben plaatsgevonden. Het is echter niet volledig uitgesloten dat op delen van het terrein nog dergelijke stortlocaties aanwezig zijn. Deze verontreinigingen worden voor rekening van de eigenaar verwijderd."

2.13.2. Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat in de plantoelichting de uitkomsten van het bodemonderzoek staan vermeld en voorts is weergegeven dat eventuele resterende verontreinigingen voor rekening van de eigenaar worden verwijderd. De enkele omstandigheid dat niet volledig is uit te sluiten dat nog een verontreiniging in de bodem wordt aangetroffen, betekent niet dat op dit punt is gehandeld in strijd met de te betrachten zorgvuldigheid.

In overweging 2.7.2 heeft de Afdeling reeds overwogen dat [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] niet aannemelijk hebben gemaakt dat, in het geval dat aanvullende bodemsanering in het plangebied nodig mocht blijken, de eigenaar van de desbetreffende gronden niet in staat zal zijn om deze sanering te laten uitvoeren. [appellant sub 4] heeft dit evenmin aannemelijk gemaakt. Ook het door haar op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.

2.14. [appellant sub 4] betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het beleid van het waterschap Aa en Maas dat zich verzet tegen nieuwe, frequentere of grotere overstortingen vanuit het gemengde rioolstelsel naar het oppervlaktewater. Zij wijst er voorts op dat geen rekening is gehouden met de invloed van de rioolproblemen op de kwaliteit van het zwemwater in het plangebied.

2.14.1. De raad stelt dat het bestemmingsplan en het inrichtingsplan in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro voor advies zijn voorgelegd aan en besproken zijn met het waterschap en dat de opmerkingen van het waterschap in het plan zijn verwerkt. Een en ander is daarnaast opgenomen in de grondexploitatieovereenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente, aldus de raad.

2.14.2. Gelet op de toelichting van de raad op het gevoerde overleg met het waterschap over het plan geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij zijn besluitvorming onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het beleid van het waterschap.

Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat als gevolg van problemen met de riolering de kwaliteit van het zwemwater in het plangebied onvoldoende zou zijn, heeft de raad ter zitting toegelicht dat het rioleringsstelsel een apart systeem is dat los staat van de waterkwaliteit. Met de enkele stelling van [appellant sub 4] dat zich in het verleden problemen met de riolering hebben voorgedaan, wat daarvan zij, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden gewaarborgd dat het in het plangebied voorziene zwemwater van een dusdanige kwaliteit is dat dit kan worden gebruikt zonder dat voor de gezondheid van de zwemmers behoeft te worden gevreesd.

2.15. [appellant sub 4] voert daarnaast aan dat onvoldoende rekening is gehouden met mogelijke archeologische waarden in het plangebied, nu een aanbevolen proefsleuvenonderzoek niet is uitgevoerd en onduidelijk is op basis waarvan de grens van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" is gelegd, nu deze niet overeenstemt met de provinciale "Archeologische Monumentenkaart" en de "Indicatieve Kaart Archeologische Waarden".

2.15.1. In de beschrijving in de plantoelichting van de gevolgde benadering ten aanzien van mogelijke archeologische waarden in het plangebied, komt het volgende naar voren.

Raadpleging van de Archeologische Monumentenkaart (inventarisatie van archeologische waarden) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden van de provincie Noord-Brabant (inventarisatie van archeologische verwachtingen) laat zien dat het plangebied gelegen is in een gebied met een lage trefkans op archeologische waarden. Desondanks kunnen mogelijk wel grafresten of losse vondsten worden aangetroffen, gezien de plaatselijke bodemgesteldheid en gelet op eerdere vondsten in de omgeving.

Uit het door SOB verrichte bureauonderzoek komt de aanbeveling naar voren om in het plangebied een veldonderzoek door middel van proefboringen te laten verrichten. Uit dit onderzoek is gebleken dat een proefsleuvenonderzoek wenselijk zou zijn. De resultaten van het onderzoek zijn in opdracht van de gemeente Gemert-Bakel door de milieudienst SRE beoordeeld.

Het is SRE niet duidelijk waarom SOB een proefsleuvenonderzoek wil verrichten. SRE, het gemeentebestuur en ook de "Heemkundekring De Kommanderij" zijn van mening dat op basis van de resultaten van het bureau- en booronderzoek niet duidelijk wordt wat de specifieke verwachtingen zijn voor het plangebied. Een proefsleuvenonderzoek uitvoeren zonder concrete aanwijzingen en archeologische verwachtingen is te kostbaar en SOB doet geen uitspraken over de specifieke verwachtingen. SRE en de heemkundekring zijn van mening dat in de Rooye Asch een specifieke verwachting geldt voor Steentijd en dat zou volgens hen aan de oppervlakte moeten liggen. SRE stelt daarom een archeologische begeleiding voor. Dit houdt in dat de bouwwerkzaamheden kunnen starten en dat Wind Mee Recreatie B.V., ontwikkelaar van het plan, een archeoloog inhuurt die een aantal keren per week komt kijken. Mocht er dan wel iets gevonden worden, dan moet mogelijk de archeoloog alsnog dat gedeelte opgraven. Dit is minder kostbaar en tijdrovend dan eerst een proefsleuvenonderzoek in dat gebied verrichten. Wind Mee moet wel een Programma van Eisen voor een archeologische begeleiding op laten stellen dat door het gemeentebestuur wordt goedgekeurd. Naar aanleiding van het advies van de milieudienst SRE met betrekking tot archeologische begeleiding heeft overleg plaatsgehad met de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumentenzorg. Dit overleg was mede ingegeven door het feit dat indien gekozen zou worden voor een proefsleuvenonderzoek een relatief groot aantal bomen gekapt zou moeten worden, hetgeen in verband met het behoud van de bestaande groenstructuur niet wenselijk is. Bovendien zou voor het kappen van bomen een kapvergunning moeten worden aangevraagd waarbij niet uitgesloten is dat dit zou kunnen leiden tot lange bezwaar- en beroepsprocedures. Door te kiezen voor archeologische begeleiding kan dit voorkomen worden, aldus de plantoelichting.

2.15.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dat luidde ten tijde van belang, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening verplicht worden gesteld.

Ingevolge het tweede lid kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een aanlegvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid kunnen aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

2.15.3. [appellant sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in de plantoelichting beschreven beoordeling van het door SOB verrichte archeologische onderzoek zodanige gebreken of onjuistheden vertoont dat de raad zich bij het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid op de uitkomsten van die beoordeling heeft kunnen baseren. Nu de voorhanden informatie over archeologische waarden in het plangebied gedetailleerder is dan de informatie die op dat punt in het provinciale beleid kan worden gevonden, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij het vastleggen van de begrenzing van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" niet in redelijkheid heeft kunnen baseren op deze informatie. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan een groter deel van het plangebied archeologische bescherming had moeten bieden dan die waarin thans is voorzien door het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie".

De raad heeft voor het bouwen op gronden met de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" voorts gebruik gemaakt van de in artikel 39 van de Monumentenwet 1988 genoemde mogelijkheden om in het belang van de archeologische monumentenzorg regels in het bestemmingsplan op te nemen. [appellant sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarmee onvoldoende bescherming wordt geboden aan mogelijke archeologische waarden in het plangebied.

Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988.

2.16. [appellant sub 4] betoogt dat het plan niet uitvoerbaar is. Daarbij wijst zij op de huidige economische crisis en op de omstandigheid dat het plangebied is gelegen in het centrum van het gebied dat is getroffen door Q-koorts.

2.16.1. Met betrekking tot de verwijzing naar de Q-koorts overweegt de Afdeling dat de mogelijke besmetting van dierziekten zoals Q-koorts vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven een mee te wegen belang vormt bij de vaststelling van het plan. De bestrijding van besmettelijke dierenziekten vindt echter primair regeling in andere wetgeving. Voorts kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden om gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Het Rijk noch het provinciebestuur heeft een afstandsmaat vastgesteld of aanbevolen die moet worden aangehouden tussen geitenhouderijen en een recreatiepark en ook uit de Verordening ruimte kan het moeten aanhouden van een dergelijke afstand niet worden afgeleid. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de omstandigheid dat in het verleden sprake is geweest van Q-koorts in de omgeving van het plangebied op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.

In de enkele stelling dat het plan als gevolg van de economische crisis ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet meer uitvoerbaar is, ziet de Afdeling evenmin een aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.

Verwijzing naar zienswijzen

2.17. [appellant sub 4], [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], [appellant sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 18] hebben zich in het beroepschrift wat betreft de aangevoerde bezwaren tegen het bestemmingsplan voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijzen.

In de overwegingen van het bestreden besluit is daarop ingegaan.

[appellant sub 4], [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], [appellant sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 18] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Slotconclusie met betrekking tot de beroepen tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan

2.18. In hetgeen [appellante sub 8], [appellant sub 2], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hen bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellante sub 8], [appellant sub 2], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] zijn ongegrond.

2.18.1. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat delen van het plandeel met de bestemming "Groen" strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en dat het bestreden besluit wat betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Groen" voor een deel niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening respectievelijk artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Gezien de samenhang met de overige delen van het plandeel met de bestemming "Groen" en nu de raad heeft beoogd om met de in het plan voorziene groenzone een adequate landschappelijke inpassing van het recreatiepark mogelijk te maken, dient het besluit tot vaststelling van het plan ook voor het overige te worden vernietigd.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] zijn geheel, en de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 18] zijn in zoverre, gegrond.

Besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

2.19. Nu het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan dient te worden vernietigd, geldt dat ook voor het daarmee samenhangende besluit tot het niet vaststellen van een exploitatieplan, waaraan los van het bestemmingsplan geen zelfstandige betekenis meer toekomt. Daarmee zijn de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 18] ook in zoverre gegrond.

Proceskosten

2.20. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21].

Wat betreft [appellant sub 3], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellante sub 16] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellante sub 8], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], [appellant sub 6], [appellant sub 7 A] en [appellante sub 7 B], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 16], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Gemert-Bakel van 29 oktober 2009, waarbij de raad van de gemeente Gemert-Bakel het bestemmingsplan "de Rooye Asch" heeft vastgesteld en heeft besloten om voor dat plan geen exploitatieplan vast te stellen;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], [appellante sub 8], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Gemert-Bakel als volgt tot vergoeding van de bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

a. ten aanzien van [appellant sub 1] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. ten aanzien van [appellant sub 4] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. ten aanzien van [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. ten aanzien van [appellant sub 6] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. ten aanzien van [appellant sub 7 A] en [appellante sub 7 B] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

f. ten aanzien van [appellant sub 18] tot een bedrag van € 916,11 (zegge: negenhonderdzestien euro en elf cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. ten aanzien van [appellant sub 19] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. ten aanzien van [appellant sub 20] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

i. ten aanzien van [appellant sub 21] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Gemert-Bakel aan de volgende appellanten het door hen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. ten aanzien van [appellant sub 1] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro);

b. ten aanzien van [appellant sub 4] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro);

c. ten aanzien van [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. ten aanzien van [appellant sub 6] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro);

e. ten aanzien van [appellant sub 7 A] en [appellante sub 7 B] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

f. ten aanzien van [appellant sub 18] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro);

g. ten aanzien van [appellant sub 19] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro);

h. ten aanzien van [appellant sub 20] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro);

i. ten aanzien van [appellant sub 21] een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

528.