Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT6672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
201103679/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2009 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103679/1/V6.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Maastricht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 februari 2011 in zaak nr. 10/153 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2009 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 24 december 2009 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door M.A.H. Heijnen, gemachtigde, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚ van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als overtreding aangemerkt.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder a, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor overtredingen worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2008 (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 gesteld per persoon per beboetbaar feit.

2.2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtsbelofte, onderscheidenlijk ambtseed opgemaakte boeterapport van 24 augustus 2009 (hierna: het boeterapport) houdt in dat op 13 februari 2009 een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, de zuster van [appellante], in de onderneming van [appellante] is aangetroffen, terwijl zij daar arbeid verrichtte bestaande uit het bereiden van een salade, zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning was verleend.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden. Hiertoe voert zij aan dat de vreemdeling geen beloning voor de werkzaamheden heeft ontvangen, dat tussen haar en de vreemdeling geen gezagsverhouding bestond, dat de vreemdeling niet verplicht was om te komen werken en dat het slechts een vriendendienst betrof.

2.3.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) volgt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 5, blz. 2).

2.3.2. In het boeterapport is vermeld dat [appellante] bij de controle heeft verklaard dat de vreemdeling een salade aan het bereiden was, die bestemd was voor verkoop in de winkel. Uit deze verklaring volgt dat de werkzaamheden ten dienste van de onderneming van [appellante] zijn verricht, zodat aan de in 2.3.1 weergegeven maatstaf is voldaan. Dat de vreemdeling, naar [appellante] stelt, de werkzaamheden als vriendendienst zou hebben verricht, leidt niet een ander oordeel, nu, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200700303/1), de aard, omvang en duur van de werkzaamheden voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet terzake doen en evenmin van belang is of loon is betaald dan wel het enkel hulp betrof.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de boete te matigen. Hiertoe wijst zij op de hiervoor onder 2.3 weergegeven omstandigheden. Verder voert zij aan dat zij zich niet heeft gerealiseerd dat een incidentele helpende hand van een familielid tijdens een kortdurend bezoek ongeoorloofd is. De vreemdeling kwam volgens [appellante] slechts incidenteel op bezoek en stak dan heel af en toe een helpende hand uit. Voorts stelt [appellante] vanwege haar slechte financiële situatie zeer hard door de boete te worden getroffen.

2.4.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn door de Afdeling als zodanig niet onredelijk bevonden (zie onder meer de uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

2.4.2. Vaststaat dat de werkzaamheden in familieverband om niet zijn verricht. Uit bij het boeterapport gevoegde verklaringen van [appellante] en ook uit het hoger-beroepschrift blijkt echter dat deze werkzaamheden niet eenmalig waren en de vreemdeling vaker langskwam, waarbij zij soms werkzaamheden voor de onderneming verrichtte. Dat [appellante] zich niet heeft gerealiseerd dat hiervoor een tewerkstellingsvergunning was vereist, komt voor haar rekening en risico. Zij dient zich als ondernemer immers op de hoogte te stellen van de voor haar relevante wet- en regelgeving. Van [appellante] mocht worden verwacht dat zij, ondanks dat het, naar gesteld, in de Marokkaanse cultuur gebruikelijk is om bij familiebezoek mee te helpen met te verrichten werkzaamheden, maatregelen zou nemen om te voorkomen dat haar zuster arbeid zou verrichten. Voorts is de financiële situatie van [appellante], zoals deze blijkt uit de door haar in dit kader overgelegde stukken, niet dusdanig dat die zich verzet tegen de opgelegde, boete. Hierbij wordt betrokken dat uit voormelde stukken blijkt dat de onderneming in 2009 en 2010 een positief bedrijfsresultaat van respectievelijk € 13.930,00 en € 16.314,00 heeft behaald en dat de gemachtigde van [appellante] ter zitting heeft verklaard dat inmiddels met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen van € 50,00 per maand.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, moet de boete als evenredig worden aangemerkt en bestaat geen grond voor matiging.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Den Dulk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

565.