Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT6664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
201008765/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het college aan [appellant sub 1] € 66.000,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/11 met annotatie van J.W. van Zundert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008765/1/H2.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1 A], wonend te Wassenaar, [appellant sub 1 B], wonend te Den Haag, en [appellant sub 1 C], wonend te Waalre (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juli 2010 in zaak nr. 09/7254 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het college aan [appellant sub 1] € 66.000,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 september 2009 vernietigd, het besluit van 20 maart 2008 (lees: 18 maart 2008) herroepen en bepaald dat het college aan [appellant sub 1] € 183.510,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toekent. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2010, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2010, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 1 oktober 2010. [appellant sub 1] heeft dat gedaan bij brief van 29 oktober 2010.

[appellant sub 1] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.A. Huijgen, advocaat te 's-Gravenhage, vergezeld van drs. F.J. Kraan, werkzaam bij Kraan & De Jong Adviesbureau, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Waleboer, ambtenaar in dienst van de gemeente, vergezeld van mr. J.H.J. van Erk, werkzaam bij de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

Bij brief van 12 mei 2011 heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat het onderzoek in de zaak is heropend en het college om nadere schriftelijke inlichtingen verzocht. Het college heeft bij brief van 22 juni 2011 aan dit verzoek voldaan. [appellant sub 1] heeft hierop bij brief van 18 augustus 2011 gereageerd. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit gold ten tijde hier van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant sub 1], die ten tijde van belang eigenaar was van het perceel met opstallen aan de [locatie] te Wassenaar (hierna: het perceel), heeft verzocht om vergoeding van de waardevermindering van het perceel door de inwerkingtreding op 11 januari 2006 van het bestemmingsplan "Landelijk gebied", dat daaraan de bestemming "Woondoeleinden I" toekent. Op grond van dit plan mag de woning de reeds bebouwde oppervlakte van 192 m² niet meer overschrijden, bedragen de maximaal toegestane goot- en nokhoogten onderscheidenlijk 3 en 9 meter, mogen bijgebouwen worden opgericht met een grondoppervlakte van 50 m², andere bouwwerken met een grondoppervlakte van 50 m², een zwembad met een oppervlakte van 65 m² en een tennisbaan met een oppervlakte van 650 m².

2.2.1. Voorheen gold voor het perceel het op 15 augustus 1977 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingplan "Villawijken", dat daaraan de bestemming "Bos en Tuin 3" met de nadere aanduiding "eengezinshuis" toekende. Op grond van dit plan waren ter plaatse een woning met een grondoppervlakte van 250 m² en een maximale goot- en nokhoogte van onderscheidenlijk 6,5 en 12 m toegestaan, twee bijgebouwen met een gezamenlijke maximale oppervlakte van 64 m² en andere bouwwerken met een grondoppervlakte van 65 m².

2.2.2. Het college heeft aan het besluit van 1 september 2009 adviezen van de SAOZ van augustus 2007, 16 januari 2008 en 16 december 2008 ten grondslag gelegd. In deze adviezen is vermeld dat de planologische wijzigingen tot gevolg hebben dat op het perceel een minder grote woning, minder bijgebouwen en andere bouwwerken kunnen worden opgericht, maar naast 50 m² aan andere bouwwerken nog een zwembad en een tennisbaan kunnen worden gerealiseerd. De planologische wijzigingen hebben geleid tot minder bouwmogelijkheden voor de woning, maar meer bouwmogelijkheden voor een zwembad en tennisbaan. [appellant sub 1] is hierdoor per saldo in een nadeliger situatie komen te verkeren. De waarde van het perceel met opstallen vóór de planologische wijzigingen op de peildatum 11 januari 2006 bedraagt € 3.583.510,00 en direct daarna

€ 3.517.510,00, zodat de schade € 66.000,00 bedraagt, aldus de adviezen. Het college stelt zich verder op het standpunt dat [appellant sub 1] met de overgelegde rapporten van Van Soest Makelaardij, Kemp & Partners Taxaties en Consultancy BV en Schouwenhaghe Makelaardij B.V. niet aannemelijk heeft gemaakt dat de adviezen van de SAOZ gebreken vertonen of anderszins onjuist zijn.

2.2.3. De rechtbank heeft dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd en bepaald dat de door het college te vergoeden planschade € 183.510,00 bedraagt, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank is bij de waardebepaling van het perceel onder het oude planologische regime uitgegaan van de door de SAOZ getaxeerde waarde van € 3.583.510,00 en bij de waardebepaling van het perceel onder het nieuwe regime van de door Kraan & De Jong Adviesbureau getaxeerde waarde van € 3.400.000,00, waarvan [appellant sub 1] in de beroepsfase een rapport van 23 maart 2010 heeft overgelegd.

2.3. Het college betoogt dat rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan het advies van de SAOZ, in zoverre het de waardebepaling van het perceel onder het nieuwe planologische regime betreft, gebreken kleven, en daarom in zoverre niet aan het besluit van 1 september 2009 ten grondslag had mogen worden gelegd. Het college voert aan dat het door [appellant sub 1] overgelegde rapport van Kraan & De Jong Adviesbureau van 23 maart 2010 geen grond biedt voor twijfel aan de juistheid van het advies van de SAOZ. Het college stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de waardebepaling van het perceel onder het nieuwe regime, in navolging van het rapport van Kraan & De Jong Adviesbureau, en anders dan de SAOZ, ervan moet worden uitgegaan dat de verloren 58 m² voor woonbebouwing aan de laagste staffel wordt toegekend.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 september 2008 in zaak nr. 200708686/1) mag een bestuursorgaan bij zijn besluit op een verzoek om planschadevergoeding, indien uit het advies van een door hem benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

2.3.2. De SAOZ is bij de waardebepaling van het perceel in de oude planologische situatie uitgegaan van de volgende staffels:

- 250 m² van de kavel bedraagt € 1.200,00 per m²;

- 2.250 m² bedraagt € 400,00 per m²;

- 5.000 m² bedraagt € 200,00 per m²;

- 12.039 m² bedraagt € 90,00 per m².

De SAOZ is bij de waardebepaling van het perceel in de nieuwe planologische situatie van de volgende staffels uitgegaan:

- 192 m² van de kavel bedraagt € 1.100,00 per m²;

- 2.308 m² bedraagt € 400,00 per m²;

- 5.000 m² bedraagt € 200,00 per m²;

- 12.039 m² bedraagt € 90,00 per m².

2.3.3. De SAOZ is bij de waardering van de gronden aldus uitgegaan van vier staffels, waarbij de onder het nieuwe regime niet meer te bebouwen, maar wel direct bij de woning liggende gronden met een oppervlakte van 58 m² wat waardering betreft aan de één na hoogste staffel zijn toegerekend. De SOAZ heeft in een nader rapport van 26 mei 2010 toegelicht, dat bij een dergelijke benadering voor de waardering van objecten met heel veel bijbehorende grond, de waarde van de gronden ter plaatse van de woning zelf het hoogste is en sprake is van een meer afnemende meeropbrengst naar mate bouwpercelen groter worden; de tuin- en erfgronden dichter bij de woning worden hoger gewaardeerd dan de gronden op ruimere afstand daarvan. Dit betekent volgens de SAOZ dat de niet meer te bebouwen, maar wel direct bij de woning liggende gronden wat waardering betreft thuishoren in de één na hoogste staffel.

2.3.4. De SAOZ heeft op voldoende wijze inzicht gegeven in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat de verloren 58 m² voor woonbebouwing aan de één na hoogste staffel worden toegerekend. Het enkele feit dat Kraan & De Jong Adviesbureau de niet meer te bebouwen, maar wel direct bij de woning liggende gronden, heeft toegerekend aan de staffel met de laagste waarde, betekent niet dat de door de SAOZ gehanteerde staffels onjuist zijn. De stelling van Kraan & De Jong Adviesbureau dat een beperking van de bouwmogelijkheden van een woning op een riante kavel negatief uitwerkt op de waarde van de kavel, biedt geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de door de SAOZ gehanteerde staffels. De stelling van Kraan & De Jong Adviesbureau dat het gedeelte van de grondkavel dat het hoogste bijdraagt aan de waarde van het woonobject niet groter zal worden door een kleinere woning, maar eerder gelijk zal blijven of afnemen, is niet zonder meer begrijpelijk en vormt evenmin een zodanig aanknopingspunt. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.4. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan het advies van de SAOZ een gebrek kleeft, omdat daarin ten onrechte geen rekening is gehouden met het afgenomen maximale bouwvolume.

2.4.1. De SAOZ heeft in een nader rapport van 30 september 2010 een nadere toelichting gegeven op de door haar getaxeerde waarde. Volgens de SAOZ komt de afname van het bouwvolume zowel terug in het kleinere aantal m² voor het 'in het horizontale vlak' kunnen bouwen dan wel uitbreiden van de aanwezige woning, als in de lagere prijs van de m² voor het bestaande bebouwde oppervlak waar enkel de uitbreiding 'in de hoogte' aan banden is gelegd. Volgens de SAOZ is opbouwen van een bestaande woning minder eenvoudig, dus kostbaarder en minder waardeverhogend voor het geheel dan het realiseren van een aan- en/of uitbouw, waardoor niet zozeer relevant is hoeveel m³ bouwvolume exact verloren is gegaan, maar juist het verlies aan m² van overwegend belang is.

De SAOZ heeft aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat bij de waardebepaling rekening is gehouden met de afname van het bouwvolume. Het enkele feit dat Kraan & De Jong Adviesbureau het afgenomen bouwvolume nader heeft gespecificeerd biedt geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de SAOZ. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.5. Het college bestrijdt verder de overweging van de rechtbank dat aan het advies van de SAOZ een gebrek kleeft, omdat bij de waardebepaling van het perceel onder het nieuwe regime ten onrechte niet op kenbare wijze rekening is gehouden met de gewijzigde bouwmogelijkheden voor bijgebouwen, zwembad en tennisbaan.

2.5.1. De SAOZ heeft in het rapport van augustus 2007 gemotiveerd aangegeven dat de planologische wijzigingen tot gevolg hebben dat een minder grote woning, minder bijgebouwen en andere bouwwerken kunnen worden opgericht, maar naast 50 m² aan andere bouwwerken nog een zwembad en een tennisbaan kunnen worden gerealiseerd. Bij het bepalen van de planschade heeft de SAOZ rekening gehouden met de verminderde bouwmogelijkheid van het hoofdgebouw en met de omstandigheid dat een willekeurige derde minder over heeft voor het resterende gedeelte van de te bebouwen grond. Ook heeft de SAOZ rekening gehouden met de toegenomen bouwmogelijkheden van andere bouwwerken (lees: zwembad en tennisbaan). De SAOZ heeft bij de waardebepaling aldus op voldoende kenbare wijze rekening gehouden met de gewijzigde mogelijkheden voor bijgebouwen, zwembad en tennisbaan. De enkele omstandigheid dat Kraan & De Jong Adviesbureau de waardering van de verschillende planologische wijzigingen nader heeft gespecificeerd, biedt geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het rapport van de SAOZ. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.6. Hoewel het college al het vorenstaande terecht heeft voorgedragen, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank het besluit van 1 september 2009 terecht, zij het op niet geheel juiste gronden heeft vernietigd. Daartoe is het volgende van belang.

2.7. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de hoogste waarde van het perceel onder het oude regime kon worden ontleend aan herontwikkeling van het perceel na sloop van de bestaande villa. [appellant sub 1] verwijst in dit verband naar het rapport van Kraan & De Jong Adviesbureau van 23 maart 2010, waarin de waarde op basis van herontwikkeling van het perceel na sloop van de bestaande bebouwing is getaxeerd op een bedrag van € 3.753.000,00. Voorts heeft [appellant sub 1] verwezen naar een door hem overgelegd nader rapport van Kraan & De Jong Adviesbureau van 28 oktober 2010. [appellant sub 1] stelt verder dat de eerder in de procedure door hem overgelegde rapporten van Kemp & Partners en van Schouwhaghe Makelaardij B.V. er ook vanuit gingen dat de hoogste waarde van het perceel kon worden ontleend aan herontwikkeling van het perceel na sloop van de bestaande villa.

2.7.1. Het college heeft zich in het besluit van 1 september 2009 op advies van de SAOZ op het standpunt gesteld dat het perceel, rekening houdend met de maximale mogelijkheden van het oude planologische regime, zijn hoogste waarde ontleende aan de hoedanigheid van woonhuis met uitbreidingsmogelijkheden en ruime kavel.

Gelet op hetgeen [appellant sub 1] in beroep heeft betoogd en het ter motivering daarvan overgelegde rapport van Kraan & De Jong Adviesbureau van 23 maart 2010, dat er, evenals de eerder door [appellant sub 1] in de procedure overgelegde rapporten van Kemp & Partners en Schouwhaghe Makelaardij B.V., vanuit gaat dat de hoogste waarde van het perceel kon worden ontleend aan herontwikkeling van het perceel na sloop van de bestaande bebouwing, lag het op de weg van het college om inzichtelijk te maken welke feiten en omstandigheden ten grondslag liggen aan de conclusie van de SAOZ, dat de hoogste waarde van het perceel kon worden ontleend aan de hoedanigheid van woonhuis met uitbreidingsmogelijkheden en ruime kavel en niet aan herontwikkeling van het perceel na sloop van de bestaande bebouwing. Nu het college dat niet heeft gedaan, is het besluit van 1 september 2009 in strijd met de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12, eerste lid, Awb tot stand gekomen. De rechtbank heeft dat besluit daarom terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, vernietigd.

2.8. De betogen van het college en [appellant sub 1] dat de rechtbank na vernietiging van het besluit van 1 september 2009 ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien, slagen. Gelet op het vorenstaande bestond ten tijde van de uitspraak van de rechtbank onvoldoende inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie van de SAOZ kunnen dragen dat de hoogste waarde van het perceel kon worden ontleend aan de hoedanigheid van woonhuis met uitbreidingsmogelijkheden en ruime kavel en niet aan herontwikkeling van het perceel na sloop van de bestaande bebouwing.

2.9. Het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten van de deskundigenadviezen van Kraan & De Jong Adviesbureau, faalt, reeds omdat [appellant sub 1] de rechtbank niet heeft verzocht om vergoeding van deze kosten.

2.10. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en het college zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 18 maart 2008 heeft herroepen en bepaald dat het college aan [appellant sub 1] € 183.510,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade dient toe te kennen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, met een verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.11. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 september 2009 in stand blijven. Daartoe is het volgende redengevend.

2.12. Het college heeft desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt ter zake van de door de SAOZ gehanteerde waarderingsmethodiek. In een rapport van 21 juni 2011 heeft de SAOZ gemotiveerd aangegeven waarom de hoogste waarde van het perceel onder het oude planologische regime niet kon worden ontleend aan herontwikkeling van het perceel na sloop van de bestaande bebouwing. De SAOZ stelt dat bij een zodanige waardebepaling de onderhandse verkoopwaarde van de grond en de te realiseren opstallen worden verminderd met de kosten die moeten worden gemaakt om tot het realiseren van die opstallen te komen, alsmede met de kosten van verkoop van die opstallen.

Op de verkoopopbrengst heeft de SAOZ de verschuldigde 19% BTW in mindering gebracht om de belastingeffecten hiervan uit te zuiveren, nu omzetbelasting geen opbrengstenpost is. Vervolgens zijn de kosten voor verwerving van de onroerende zaak in mindering gebracht, zijnde de aankoopprijs, de bijkomende kosten en overdrachtsbelasting. Met name de aankoopprijs is hier van belang, omdat de bestaande onroerende zaak een zeer reële waarde vertegenwoordigt die wordt vernietigd als het terrein wordt ontwikkeld. Andere kostenposten betreffen allerlei noodzakelijke onderzoeken, het bouwrijp maken van de bouwplaats en het na de bouw heraanleggen van het omliggende terrein. De directe bouwkosten vormen een grote post, waarbij is uitgegaan van een bedrag voor de woning van € 400,00 per m³, gezien de forse inhoud van het pand en de in acht te nemen peildatum. De bijkomende bouwprojectkosten zijn op 35% gesteld, gelet op het exclusieve karakter van de nieuwbouw en de hoge eisen die een gegadigde daaraan zal stellen. Verkoopkosten in de vorm van marktonderzoek en de nota van de verkopend makelaar zijn eveneens in aanmerking genomen: 1,25% van de verkoopsom. Een vergoeding voor de initiatiefnemer en het afkopen van risico bedraagt 5% van de verkoopsom. Het laatste onderdeel van de kosten wordt gevormd door financieringskosten in de vorm van de afsluitingskosten voor de financiering en renteverlies tijdens de bouw- en verkoopperiode ten bedrage van € 250.000,00. Het totaal van de geraamde kosten komt daarmee op een bedrag van € 7.470.672,00, aldus de SAOZ.

2.13. De SAOZ heeft met het rapport van 21 juni 2011 voldoende inzichtelijk gemaakt welke feiten en omstandigheden ten grondslag liggen aan haar conclusie dat de hoogste waarde van het perceel niet kan worden ontleend aan herontwikkeling na sloop van de bestaande villa, maar aan behoud van de bestaande villa met aan- en/of uitbouw, nu de kosten van herontwikkeling na sloop van de bestaande bebouwing hoger zijn dan de geraamde verkoopopbrengst, uitgaande van de door Kraan & De Jong Adviesbureau geraamde waarde van € 6.756.000,00.

De reactie van [appellant sub 1] hierop en het ingebrachte nader rapport van Kraan & De Jong Adviesbureau van 15 augustus 2011 bieden geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de SAOZ. De schade wordt vastgesteld op het verschil tussen de prijs die het perceel met bebouwing zou hebben opgeleverd onder het oude planologische regime en de prijs in de nieuwe situatie. Daarbij dient te worden uitgegaan van de prijs die een redelijk denkend en handelend koper onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de planologische wijziging en op het tijdstip direct daarna voor het perceel met bebouwing zou hebben geboden. Die koper wordt geacht uit te gaan van maximale invulling van het planologische regime vlak voor en vlak na de peildatum, ofwel van alle theoretische mogelijkheden en zijn prijs daarop af te stemmen. De SAOZ heeft bij de waardebepaling in redelijkheid mogen uitgaan van de prijs die bij onderhandse verkoop bij aanbieding vrij van huur en gebruik en op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding, door een redelijk denkend en handelend koper zou zijn geboden, een bedrag dat nagenoeg gelijk is aan de door Kraan & De Jong Adviesbureau getaxeerde waarde.

De stelling van [appellant sub 1] dat de SAOZ ten onrechte niet de vermogende particuliere gegadigde die het perceel voor eigen gebruik herontwikkelt, als de meest biedende gegadigde heeft aangemerkt, biedt geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het advies van de SAOZ. De SAOZ heeft terecht de door [appellant sub 1] geduide beperkte specifieke categorie gegadigden niet maatgevend geacht voor een redelijk denkend en handelend koper.

2.14. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het verzoek van [appellant sub 1] om het college te veroordelen in de kosten voor het inschakelen van een deskundige wordt afgewezen, omdat het inschakelen van een deskundige in hoger beroep niet redelijkerwijs noodzakelijk was om tot een geobjectiveerde waardebepaling te komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juli 2010 in zaak nr. 09/7254, voor zover de rechtbank het besluit van 18 maart 2008 heeft herroepen en bepaald dat het schadebedrag € 183.510,00 bedraagt, te vermeerderen met wettelijke rente;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van

1 september 2009 geheel in stand blijven;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar tot vergoeding van bij A.E., J.P. en C.Ch. [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar aan [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en [appellant sub 1 C] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

344.