Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT6663

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
201008547/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Raalte Kern, omgeving Koekoek 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008547/1/R3.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A], wonend te Vaassen, gemeente Epe, en [appellant sub 1 B], wonend te Raalte,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Raalte,

en

de raad van de gemeente Raalte,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Raalte Kern, omgeving Koekoek 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 8 september 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 7 oktober 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. E.S. Fikkert, advocaat te Enschede, en R.M. Voeten, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op het perceel Koekoek 1 te Raalte en voorziet in een omzetting van de geldende bedrijvenbestemming in een bestemming voor woondoeleinden, waarbij naast de bestaande woning een nieuwe woning met een bijgebouw ten behoeve van een functie voor maatschappelijke doeleinden mogelijk wordt gemaakt. Dit deel van het perceel is thans onbebouwd.

Ontvankelijkheid

2.1.1. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep voor zover dat mede door [appellant sub 1 B] is ingesteld, omdat het beroepschrift niet mede door hem is ondertekend.

2.1.2. Ingevolge artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient een beroepschrift te worden ondertekend.

Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen daarvan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1.3. In het door [appellant sub 1 A] opgestelde en ondertekende beroepschrift staat aangegeven dat dit mede namens [appellant sub 1 B] is ingediend. [appellant sub 1 B] heeft bij brief van 15 december 2010 verklaard dat het beroep mede namens hem is ingesteld. Daarmee is het verzuim hersteld en staat dit niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 1 B].

2.2. Voorts betwist de raad dat [appellant sub 1 A] als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat hij niet meer naast het perceel Koekoek 1 woont, maar elders.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan uitsluitend een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit inzake de vaststelling van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2. Het perceel [locatie 1], van welk perceel [appellant sub 1 A] eigenaar is, grenst met de zuidzijde aan het perceel Koekoek 1. Reeds het belang van [appellant sub 1 A] als eigenaar van het aangrenzende perceel maakt dat hij een rechtstreeks bij de vaststelling van het plan betrokken belang heeft als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

[appellant sub 1 A] is derhalve belanghebbende bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en kan daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro, beroep instellen.

2.2.3. De raad heeft ter zitting nog gewezen op de bij besluit van 1 februari 2011 verleende bouwvergunning. Nu er binnen de daarvoor gestelde termijn geen bezwaar is gemaakt, is deze vergunning onherroepelijk geworden. In dat verband heeft de raad gesteld dat de feitelijke realisatie van de vergunde bouwwerken niet meer kan worden tegengegaan. Anders dan de raad is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2] nog immer belang hebben bij een uitspraak omtrent het door hen ingestelde beroep nu het plan zich leent voor herhaalde toepassing. In dit verband is mede van belang dat ter zitting naar voren is gekomen dat de met bouwvergunning opgerichte woning enkele meters binnen de begrenzing van het bouwvlak staat, zodat het plan bebouwing dichter bij de perceelsgrens van [appellant sub 1 A] mogelijk maakt.

2.2.4. De conclusie is dat de beroepen van [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2] ontvankelijk zijn.

Procedurele aspecten

2.3. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] stellen dat het ontwerpplan niet volgens de juiste procedure tot stand is gekomen. Verder vermoeden zij dat sprake is van belangenverstrengeling, omdat er aanwijzingen zijn dat er met voorkennis is gehandeld. Zo is het betrokken perceel gekocht door de dochter van een raadslid, die voorheen voorzitter was van de commissie Ruimtelijke Ordening, en paste het bouwplan van de voorziene woning en praktijkruimte al precies binnen alle maatvoeringen van het ontwerpplan.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.8 van de Wro in samenhang met afdeling 3.4 van de Awb vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan, waarop zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. De onregelmatigheden zoals gesteld door [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], wat daar ook van zij, hebben zich afgespeeld in een periode voorafgaand aan de procedure op grond van de Wro en kunnen om die reden geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Verder staat, behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden, de interne politieke besluitvorming van de raad hier niet ter toets. Dat zich dergelijke uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan bij de besluitvorming van de raad is niet aangetoond. Het door [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] bedoelde raadslid heeft geen deel genomen aan de stemming met betrekking tot het plan. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door hen gevreesde belangenverstrengeling invloed heeft gehad op de politieke besluitvorming van de raad dan wel op de procedure op grond van de Wro. Het betoog faalt.

Inhoudelijke aspecten

2.4. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] stellen dat het plan tot aantasting van de privacy in hun woning zal leiden.

2.4.1. De raad stelt dat er voldoende afstand is tussen de woningen van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] en de voorziene woning. Verder zal er blijkens de bouwtekeningen op de eerste verdieping slechts één raam en op de tweede verdieping geen enkel raam komen aan de zijde van hun woningen. Volgens de raad zijn de belangen voldoende afgewogen.

2.4.2. Het plan voorziet direct achter de percelen van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] in de bouw van een vrijstaande woning. Verder wordt losstaand hiervan ten zuidoosten een praktijkruimte voor een sociale en educatieve voorziening mogelijk gemaakt.

2.4.3. Niet valt uit te sluiten dat de privacy van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] in enige mate zal worden aangetast door de voorziene woning. Dat deze vermindering van privacy zodanig zal zijn dat de raad daaraan doorslaggevend gewicht heeft moeten toekennen, hebben [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat tussen de woningen van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] en het bouwvlak voor de nieuw te bouwen woning ongeveer 15 m ligt, welke afstand in een dorpskern als waar hier sprake van is, niet ongebruikelijk is. De voorziene praktijkruimte ligt op meer dan 25 m afstand van hun woningen. Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hebben bezwaar tegen de bouwhoogte van de voorziene woning en tegen de oppervlakte van de bijgebouwen. Er wordt volgens hen een te grote woning mogelijk gemaakt.

2.5.1. Blijkens de verbeelding mag de voorziene woning, gelet op de aanduiding "maximale bouwhoogte", maximaal 10 m hoog zijn. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels geldt voor het bouwen van aan- en bijgebouwen dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en bijgebouwen en overkappingen, bij een hoofdgebouw niet meer dan 75 m² mag bedragen, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel. Ten aanzien van de hoogte van de voorziene woning en de oppervlakte van de bijgebouwen is, zo heeft de raad onweersproken gesteld, aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan "Raalte Kern" dat geldt voor de omliggende woningen. De raad heeft dat standpunt in redelijkheid kunnen innemen. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze maten ongebruikelijk zijn dan wel dat zij ten gevolge van die maten onevenredig nadeel zullen ondervinden. Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] betogen verder dat het plan aan drie zijden is ingesloten zodat de voorziene woning en praktijkruimte niet dan wel zeer moeilijk te ontsluiten zullen zijn.

2.6.1. De raad stelt dat er ten behoeve van de voorziene woning en praktijkruimte een uitritvergunning is aangevraagd naar de Sperwer, die inmiddels onherroepelijk is geworden.

2.6.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is af te leiden dat beoogd wordt de ontsluiting van de woning en de praktijkruimte parallel te laten lopen aan de Koekoek en vervolgens op de Sperwer te laten aansluiten.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden naast de in dat artikel genoemde doeleinden ondergeschikt mede bestemd voor onder andere in- en uitritten.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder g, van de planregels , voor zover van belang, zijn de voor "Wonen - 3" aangewezen gronden naast de in dat artikel genoemde doeleinden ondergeschikt mede bestemd voor wegen, straten en paden.

Gelet op deze planregels maakt het plan een ontsluiting voor bedoelde woning en praktijkruimte mogelijk. Het betoog faalt.

2.7. Tot slot stellen [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] dat niet te controleren valt of op het te bebouwen deel van het perceel planten- of diersoorten voorkomen die beschermd worden door de Flora- en Faunawet.

2.7.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.7.2. Ten behoeve van het plan is door EcoGroen Advies B.V. een quickscan natuurtoets uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 11 november 2009. In dat rapport staat dat in het plangebied geen beschermde planten- of dierensoorten voorkomen waarvoor een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet nodig is. Wel dient bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met broedende vogels. In hetgeen [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van dit onderzoek. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de Flora- en Faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

2.8. [appellant sub 2] voert aan dat de bij het plan mogelijk gemaakte bebouwing zijn woongenot aanzienlijk aantast vanwege het verminderde uitzicht. [appellant sub 2] betoogt dat deze naar voren gebrachte zienswijze door de raad onvoldoende is beantwoord. Verder stelt hij dat het plan onvoldoende zekerheid biedt over de bedrijvigheid die ter plaatse van de bij het plan voorziene praktijkruimte gaat plaatsvinden. Hij vreest in dat verband voor hinder. [appellant sub 2] betoogt verder dat uit de zienswijzennota onvoldoende naar voren komt welk gedeelte gegrond is verklaard.

2.8.1. Blijkens de verbeelding heeft het plandeel waar bedrijvigheid mogelijk is, voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen - 3" met de aanduiding "maatschappelijk". Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden met die aanduiding uitsluitend bestemd voor sociale en educatieve voorzieningen. In de plantoelichting staat dat het de bedoeling is dat ter plaatse een praktijk voor remedial teaching en orthopedagogiek zal worden gestart.

2.8.2. De raad heeft het plan in zoverre gewijzigd vastgesteld dat de zinsnede "maatschappelijke voorzieningen", die in het ontwerpplan in artikel 4, lid. 4.1, aanhef en onder b, was opgenomen, is vervangen door "sociale en educatieve voorzieningen". Dit, teneinde de gebruiksmogelijkheden te beperken en een aantal niet wenselijke voorzieningen uit te sluiten. Verder is in artikel 1 de begripsbepaling "maatschappelijke doeleinden" geschrapt.

Nu in artikel 1 van de planregels geen nadere omschrijving is gegeven van "sociale en educatieve voorzieningen" dient voor de uitleg hiervan te worden aangesloten bij het normale spraakgebruik. Naar het oordeel van de Afdeling is voldoende duidelijk welke activiteiten ter plaatse zijn toegestaan. Dat dit gebruik onaanvaardbare hinder tot gevolg zal hebben, heeft [appellant sub 2] niet onderbouwd en is niet te verwachten. Evenbedoelde wijzigingen zijn uitdrukkelijk aangegeven in hetgeen ten aanzien van [appellant sub 2] is overwogen in de bij het bestreden besluit vastgestelde zienswijzennota. Derhalve valt niet in te zien dat onduidelijk is op welk punt zijn zienswijze gegrond is verklaard.

2.8.3. Verder overweegt de Afdeling dat thans tussen de voorziene praktijkruimte en het perceel van [appellant sub 2] beplanting staat, zodat nu al sprake is van een beperkt uitzicht. De raad heeft onbetwist gesteld dat deze beplanting op een stuk grond staat van de gemeente en de gemeente niet voornemens is deze te verwijderen. Voor zover sprake is van verslechtering van uitzicht omdat bedoeld plandeel thans onbebouwd is en er wellicht tussen de beplanting doorzicht zal zijn op de voorziene praktijkruimte, is het op zich aannemelijk dat verwezenlijking van het plan een verslechtering van uitzicht met zich brengt. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan echter geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verslechtering zodanig is dat de raad aan de belangen van [appellant sub 2] een doorslaggevende betekenis had moeten toekennen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de bouwhoogte van de voorziene praktijkruimte 3,5 m mag zijn en de afstand van het bouwvlak van de voorziene praktijkruimte tot aan de woning van [appellant sub 2] 18 m bedraagt. Het betoog faalt.

2.8.4. Wat betreft het betoog dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen ten aanzien van de aantasting van [appellant sub 2]s woongenot heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht wordt overwogen dat genoemd artikel zich er niet tegen verzet, dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Uit de zienswijzennota komt naar voren dat de raad voor de beantwoording van [appellant sub 2] bezwaren deels heeft verwezen naar een andere zienswijze. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

2.9. In hetgeen [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

45-661.