Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT6662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
201007408/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tankstation gelegen aan de Hommelseweg 399 te Arnhem. Dit besluit is op 24 juni 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/6017
JOM 2012/197
JOM 2012/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007408/1/M1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en anderen, allen wonend te Arnhem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tankstation gelegen aan de Hommelseweg 399 te Arnhem. Dit besluit is op 24 juni 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant A] en anderen, het college en Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2011, waar [appellant A] en anderen, van wie [appellant A] en [appellant B] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hindriks en ir. A.J. Vooijs, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Kuwait Petroleum (Nederland) B.V., vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Bestreden besluit

2.2. De bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet op een onbemand tankstation voor de opslag en verkoop van benzine en diesel tussen 07.00 en 21.00 uur op elke dag van de week. Buiten die uren is het tankstation niet in bedrijf.

Algemeen toetsingskader

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluidhinder

2.4. [appellant A] en anderen stellen dat gevreesd moet worden voor geluidhinder.

Zij voeren aan dat de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet aansluiten bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna: de Handreiking). Hiertoe voeren zij dat in de Handreiking de normering van geluid is gebaseerd op een driedeling in plaats van een tweedeling van de etmaalperiode en dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, voor zover het de periode tussen 19.00 en 21.00 uur betreft, hoger zijn dan de in de Handreiking voor die periode aanbevolen richtwaarde van 45 dB(A). Voorts is het college volgens hen ten onrechte afgeweken van de in de gemeentelijke nota "Beleidsplan Geluid Arnhem" versie 2008 (hierna: het Beleidsplan) aanbevolen streefwaarde van 45 dB(A) als etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, omdat als gevolg van het dichtslaan van portierdeuren en het starten en wegrijden van auto's en scooters de geluidbelasting een bijzondere samenstelling heeft. Ook voeren zij aan dat het geluid van deze activiteiten ten onrechte niet bij de bepaling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is meegenomen.

Voorts voeren zij aan dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau hoger zijn dan de in de Handreiking aanbevolen voorkeursgrenswaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vermeerderd met 10 dB(A), en tevens hoger zijn dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte grenswaarden in de dag- en avondperiode. Dat deze maximale geluidsniveaus inherent aan de bedrijfsvoering zijn en niet kunnen worden voorkomen, vormt hiervoor volgens hen geen rechtvaardiging.

2.4.1. In vergunningvoorschrift 2.1 zijn geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gesteld ter plaatse van een aantal woningen van derden en een schoolgebouw in de periode van 07.00 tot 21.00 uur. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag in deze periode maximaal 47 dB(A) bedragen.

In vergunningvoorschrift 2.2 zijn geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau gesteld met betrekking tot "rijden tankauto", "rijden lichte voertuigen", "rijden scooters" en "sluiten portierdeuren" ter plaatse van een aantal woningen van derden en een schoolgebouw in de periode van 07.00 tot 21.00 uur. Het piekgeluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" mag in deze periode maximaal 78 dB(A) bedragen. Het piekgeluidniveau met betrekking tot "rijden lichte voertuigen", "rijden scooters" en "sluiten portierdeuren" maximaal 70 dB(A).

In vergunningvoorschrift 2.4 is bepaald dat bezoekende en vetrekkende tankautochauffeurs dienen te worden geïnstrueerd om op het terrein en bij het verlaten van het terrein, rustig en met lage toerentallen te rijden. Daartoe dienen op voor de chauffeurs op duidelijk zichtbare plaatsen, duidelijk leesbare borden te worden geplaatst.

2.4.2. Voor zover [appellant A] en anderen aanvoeren dat de geluidproductie van het wegrijden van auto's en scooters in het akoestisch onderzoek - waarvan verslag is gedaan in het door Greten Raadgevende Ingenieurs opgestelde rapport van 3 september 2009 (hierna: het akoestisch rapport) - ten onrechte buiten beschouwing is gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, overweegt de Afdeling dat het deskundigenbericht vermeldt dat de piekgeluiden afkomstig van het starten en wegrijden van auto's en scooters in de berekeningen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn meegenomen. In hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het gestelde in het deskundigenbericht onjuist is.

De beroepsgrond mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.4.3. Met betrekking tot het dichtslaan van portierdeuren, vermeldt het deskundigenbericht dat deze activiteit uitsluitend is betrokken bij het maximale geluidniveau. Volgens het deskundigenbericht betreft het dichtslaan van portierdeuren een kortdurende activiteit en is het aantal auto's per dag relatief beperkt. [appellant A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het in zoverre niet bij de beoordeling betrekken van het dichtslaan van portierdeuren heeft geleid tot een onderschatting van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.4.4. Voor de beoordelingsperiode van de geluidgrenswaarden heeft het college aansluiting gezocht bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim).

In de geluidvoorschriften van artikel 2.17, vierde lid, van het Barim is voor een inrichting die bestemd is voor de openbare verkoop van vloeibare brandstoffen aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer, de normering van geluid gebaseerd op een tweedeling van de etmaalperiode (07.00 tot 21.00 en 21.00 tot 07.00 uur). Het college heeft voor de beoordelingsperiode aansluiting gezocht bij het Barim, omdat het tankstation enkel door de wijziging van de bedrijfsvoering van bemand naar onbemand vergunningplichtig is geworden. Het college ziet hierin geen rechtvaardiging voor een andere dagindeling. De Afdeling overweegt dat het college, gelet op de beoordelingsvrijheid die het bij de invulling van het aspect geluid toekomt, in zoverre bij het Barim aansluiting heeft mogen zoeken.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.4.5. Voor de normstelling van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau heeft het college het Beleidsplan tot uitgangspunt genomen. Het Beleidsplan is aan te merken als gemeentelijke nota in de zin van hoofdstuk 2 van de Handreiking. Het Beleidsplan gaat voor een stadswijk uit van een streefwaarde van 45 dB(A) in de dagperiode en van een grenswaarde van 55 dB(A) in de dagperiode voor woningen die langs of in de directe nabijheid van een drukke weg of spoorlijn liggen.

Niet in geschil is dat de inrichting is gelegen in een omgeving die akoestisch vergelijkbaar is met een stadswijk en dat de betrokken woningen zijn gelegen in de nabijheid van een drukke weg, waarvoor het Beleidsplan een grenswaarde van 55 dB(A) in de dagperiode als uitgangspunt stelt. De in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn niet hoger dan deze grenswaarde. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in vergunningvoorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.4.6. Voor de normstelling van de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau heeft het college de Handreiking tot uitgangspunt genomen. Het Beleidsplan ziet niet op het maximale geluidniveau. In paragraaf 3.2 van de Handreiking wordt, voor zover hier van belang, voor het maximale geluidniveau een grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode als ten hoogste aanvaardbaar aangemerkt. Voorts biedt paragraaf 3.2 van de Handreiking de mogelijkheid om, in gevallen waarin niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, in een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken, de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode met ten hoogste 5 dB(A) te overschrijden.

De in vergunningvoorschrift 2.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden met lichte voertuigen", "rijden scooters" en "sluiten portierdeuren", bedragen maximaal 70 dB(A) en zijn dus niet hoger dan hetgeen de Handreiking toelaat. Het college heeft deze geluidgrenswaarden in zoverre in redelijkheid toereikend kunnen achten.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.4.7. De in vergunningvoorschrift 2.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" zijn ter plaatse van een aantal woningen hoger dan hetgeen de Handreiking toelaat. Het college heeft dit in zijn reactie op het deskundigenbericht en ter zitting erkend. Het bestreden besluit is, voor zover het de in vergunningvoorschrift 2.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" betreft, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

2.4.8. Het college heeft in zijn reactie op het deskundigenbericht en ter zitting de Afdeling verzocht zelf in de zaak te voorzien door de in vergunningvoorschrift 2.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" met 5 dB(A) te verlagen. Ter onderbouwing van dit verzoek wijst het college er op dat het deskundigenbericht vermeldt dat bij naleving van vergunningvoorschrift 2.4 een reductie van het maximale geluidniveau vanwege het "rijden tankauto" van 5 dB(A) haalbaar is.

De door het college voorgestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" bedragen maximaal 73 dB(A). Dit is nog steeds hoger dan de grenswaarde van 70 dB(A) die in de Handreiking in de dagperiode aanvaardbaar wordt geacht. Vaststaat echter dat het niet mogelijk is maatregelen te treffen waardoor het maximale geluidniveau vanwege het rijden met de tankauto verder wordt gereduceerd. Op grond van paragraaf 3.2 van de Handreiking is het dan toelaatbaar de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode met ten hoogste 5 dB(A) te overschrijden. Gelet hierop kunnen de door het college voorgestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" in redelijkheid toereikend worden geacht ter bescherming van geluidhinder.

Gelet op het voorafgaande zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf voorziend de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto",overeenkomstig het voorstel van het college, aanpassen. [appellant A] en anderen hebben ter zitting aangegeven dat zij zich met deze aanpassing kunnen verenigen.

2.5. [appellant A] en anderen stellen dat gevreesd moet worden voor geluidhinder vanwege verkeer van en naar de inrichting. Zij voeren aan dat in de berekeningen van het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het verkeer dat de inrichting via de uitrit verlaat en de Dalweg oprijdt.

2.5.1. Het college heeft bij de beoordeling van de geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting aansluiting gezocht bij de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire). In de circulaire wordt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde aanbevolen.

2.5.2. Het akoestisch rapport vermeldt dat de veroorzaakte geluidbelasting door verkeer van en naar de inrichting maximaal 47 dB(A) bedraagt bij de inrit ter plaatse van de woning aan de Hommelseweg 401, zodat wordt voldaan aan de voorkeurgrenswaarde. Het deskundigenbericht vermeldt dat het verkeer dat de inrichting via de uitrit verlaat en de Dalweg oprijdt, niet in het akoestisch onderzoek is betrokken. Nu de woningen aan de Dalweg echter verder van de weg zijn gelegen dan de woning Hommelseweg 401, is in het deskundigenbericht geconcludeerd dat naar verwachting ook voor die woningen de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. In hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het gestelde in het deskundigenbericht onjuist is. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van de circulaire geen aanleiding bestaat de vergunning te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

Externe veiligheid

2.6. [appellant A] en anderen stellen dat gevreesd moet worden voor de veiligheid in de omgeving van de inrichting.

Ten aanzien van het plaatsgebonden risico voeren zij aan dat de tuin bij de woning Dalweg 2 binnen de 10-6 contour van het plaatsgebonden risico (hierna: de PR-contour) is gelegen en dat deze tuin een kwetsbaar dan wel beperkt kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) is, omdat een tuin een object is waar mensen dag en nacht verblijven. Ook voeren zij aan, onder verwijzing naar een kaart van het kadaster, dat het achtererfgebied van de woning Dalweg 2 binnen de PR-contour is gelegen en dat dit achtererfgebied een geprojecteerd kwetsbaar object is, omdat woonbebouwing van het achtererfgebied volgens het bestemmingsplan toelaatbaar is. Daarbij voeren zij aan dat volgens het Besluit omgevingsrecht voor bouwactiviteiten in een achtererfgebied geen omgevingsvergunning is vereist. Voorts voeren zij aan dat binnen de PR-contour een voet- en fietspad is gelegen en dat dit voet- en fietspad een kwetsbaar dan wel beperkt kwetsbaar object in de zin van het Bevi is, omdat er in de ochtend en in de middag veel schoolgaande kinderen over het voet- en fietspad lopen en fietsen.

Wat het groepsrisico betreft voeren zij aan dat het college het ten onrechte aanvaardbaar heeft geacht dat de woning aan de Hommelseweg 401 is gelegen binnen de grens van het gebied waar 1% van de blootgestelde aanwezigen ten gevolge van warmtestraling kan overlijden.

2.6.1. Het college heeft, hoewel het Bevi niet van toepassing is op het tankstation omdat dit geen inrichting in de zin van het Bevi is, voor de beoordeling van de veiligheid in de omgeving van de inrichting aansluiting gezocht bij de wijze van bepaling van de omvang van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van het Bevi en daarbij een kwantitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) laten uitvoeren. Wat het plaatsgebonden risico betreft, stelt het college zich op het standpunt dat binnen de PR-contour, zoals vastgesteld in bijlage 2 van de QRA, geen al dan niet geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Bevi zijn gelegen. Voorts acht het college het groepsrisico, gelet op de uitkomsten van de QRA en met de voorgeschreven maatregelen, aanvaardbaar.

2.6.2. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel l, van het Bevi is bepaald wat in dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder kwetsbare objecten.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is bepaald wat moet worden verstaan onder beperkt kwetsbare objecten.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel f, is bepaald dat onder geprojecteerd kwetsbaar object moet worden verstaan een nog niet aanwezig kwetsbaar object dat op grond van het voor het desbetreffende gebied geldende bestemmingsplan toelaatbaar is.

2.6.3. Ten aanzien van het betoog met betrekking tot het achtererfgebied van de woning Dalweg 2, overweegt de Afdeling dat uit de in bijlage 2 van de QRA weergegeven tekening, die ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, blijkt dat de PR-contour zich niet over het achtererfgebied uitstrekt, maar dat de PR-contour alleen voor een heel klein deel over het perceel naast de woning is gelegen. Op dat gedeelte van het perceel staat het bestemmingsplan geen woonbebouwing toe. Dit is bevestigd in het deskundigenbericht. De niet aanwezige woonbebouwing op het achtererfgebied is dus, hoewel een geprojecteerd kwetsbaar object, niet in de PR-contour gelegen. Het college heeft deze niet aanwezige woonbebouwing op het achtererfgebied bij de toetsing van het plaatsgebonden risico dan ook terecht buiten beschouwing gelaten.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.6.4. Voorts is een tuin, anders dan [appellant A] en anderen aanvoeren, geen object waar mensen dag en nacht verblijven. De tuin bij de woning Dalweg 2 kan op die grond dan ook niet worden aangemerkt als een kwetsbaar object in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel l. Evenmin is een tuin een beperkt kwetsbaar object in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b. Hiertoe overweegt de Afdeling dat een tuin niet is genoemd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en dat een tuin uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven en het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is, ook niet kan worden gelijkgesteld met de objecten als genoemd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b. Het college heeft de tuin bij de woning Dalweg 2 dan ook terecht niet als een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in de zin van artikel 1 van het Bevi aangemerkt.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.6.5. Wat het naast de inrichting gelegen voet- en fietspad aan de Hommelseweg betreft, overweegt de Afdeling dat een voet- en fietspad niet is genoemd als kwetsbaar object in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel l. Ook kan een voet- en fietspad niet worden gelijkgesteld met de kwetsbare objecten als genoemd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel l. Het college heeft het naast de inrichting gelegen voet- en fietspad dan ook terecht niet aangemerkt als een kwetsbaar object in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel l. Voorts overweegt de Afdeling dat in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, weliswaar objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, zijn aangemerkt als beperkt kwetsbare objecten, maar dat het naast de inrichting gelegen voet- en fietspad aan de Hommelseweg niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. Reeds hierom heeft het college het naast de inrichting gelegen voet- en fietspad terecht niet als een beperkt kwetsbaar object in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het Bevi aangemerkt. Overigens is in de nota van toelichting bij het Bevi (blz. 14, Stb. 2004, 250) vermeld dat dit besluit geen betrekking heeft op infrastructurele voorzieningen, zoals wegen, parkeerplaatsen en fietspaden. Het college heeft het naast de inrichting gelegen voet- en fietspad aan de Hommelseweg dan ook terecht niet als een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in de zin van artikel 1 van het Bevi aangemerkt.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.6.6. Met betrekking tot de woning Hommelseweg 401, overweegt de Afdeling dat het deskundigenbericht vermeldt dat de kans dat het door [appellant A] en anderen beschreven ongevalscenario zich voordoet, klein is. In dit verband is er in het deskundigenbericht op gewezen dat blijkens de aanvraag, die volgens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, maatregelen worden getroffen om de grootte van een plas te beperken, zoals het aanbrengen van een olie/benzineafscheider, en dat in vergunningvoorschrift 3.1 actief toezicht bij het lossen van een tankauto is voorgeschreven. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat uit de berekeningen van de QRA blijkt dat het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarden uit het Bevi blijft. [appellant A] en anderen hebben niet aangevoerd dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde activiteiten niet leiden tot een onaanvaardbaar groepsrisico in het gebied van de woning Hommelseweg 401.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.6.7. Gelet op het voorafgaande geeft hetgeen [appellant A] en anderen aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat met betrekking tot het plaatsgebonden risico en het groepsrisico niet wordt voldaan aan de eisen van het Bevi, zodat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het college de vergunning in verband met de veiligheid in de omgeving van de inrichting had moeten weigeren.

Geurhinder

2.7. [appellant A] en anderen stellen dat gevreesd moet worden voor geurhinder. Volgens hen had het college ter voorkoming van geurhinder voorschriften aan de vergunning moeten verbinden. Zij voeren aan dat het dampretour stage I systeem op slechts circa 5,5 meter van de woning Hommelseweg 401 wordt geplaatst.

2.7.1. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat op de inrichting het Barim en de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Rarim) van toepassing zijn en dat in de Rarim maatregelen zijn gesteld ter beperking van geurhinder. Het college wijst er in dit verband op dat artikel 3.19 van de Rarim bepaalt dat de tankinstallatie zodanig moet zijn uitgevoerd dat bij het vullen van een opslagtank de vrijgekomen dampen door een gasdichte retourleiding worden teruggevoerd naar de tankwagen die de olie levert (dampretour stage I) en dat artikel 3.20 van de Rarim een zelfde soort systeem voorschrijft met betrekking tot het afleveren van lichte olie voor openbare verkoop aan motorvoertuigen (dampretour stage II). Het college stelt zich op het standpunt dat deze maatregelen toereikend zijn om onaanvaardbare geurhinder te voorkomen. Het college acht het daarom niet nodig om nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden. [appellant A] en anderen hebben geen argumenten aangedragen die aanleiding geven voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.8. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 22 juni 2010 dient, voor zover het de in vergunningvoorschrift 2.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" betreft, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem van 22 juni 2010, voor zover het de in vergunningvoorschrift 2.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" betreft;

III. bepaalt dat de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau met betrekking tot "rijden tankauto" bedragen:

Vergunningvoorschrift 2.2

Punt Omschrijving Hoogte [M] Rijden tankauto

1_A Woning Hommelseweg 401 1,5 73

2-B Woning Hommelseweg 401 5 71

3_A Achtergevel Hommelseweg 401 1,5 61

3_B Achtergevel Hommelseweg 401 5 59

4_A Voorgevel Hommelseweg 401 1,5 70

4_B Voorgevel Hommelseweg 401 5 70

5_A Zijgevel woning Dalweg 2 1,5 73

5_B Zijgevel woning Dalweg 2 5 72

6_A Achtergevel Dalweg 2 1,5 67

6_B Achtergevel Dalweg 2 5 67

7_A Woning Th. A. Kempislaan 1 1,5 64

7_B Woning Th. A Kempislaan 1 5 65

8_A Woning Hommelseweg 482 1,5 63

8_B Woning Hommelseweg 482 5 64

9_A Woning Hommelseweg 484 1,5 63

9_B Woning Hommelseweg 484 5 63

10_A Woning hoek

Th. A. Kempislaan 1,5 59

10_B Woning hoek

Th. A. Kempislaan 5 62

11_A Woning hoek Hommelseweg 1,5 59

11_B Woning hoek Hommelseweg 5 61

12_A Woning hoek

St. Antonielaan 1,5 57

12_B Woning hoek

St. Antonielaan 5 60

13_A Schoolgebouw 1,5 60

14_A Woning Dalweg 2 1,5 72

14_B Woning Dalweg 2 5 72

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Arnhem tot vergoeding van bij [appellant A], [appellanten C], [appellant D], [appellante E], [appellanten F], [appellant G] en [appellant H] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 693,81 (zegge: zeshonderddrieënnegentig euro en eenentachtig cent), waarvan € 655,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Arnhem aan [appellant A], [appellanten C], [appellant D], [appellante E], [appellanten F], [appellant G] en [appellant H] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

262-584.