Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT6657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
201103259/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college de bouw van en sloop in een gebouw, de kap en afvoer van het hout en de graafwerkzaamheden op het perceel [locatie] te Rheden (naam villa) stilgelegd. Voorts heeft het [appellant] op straffe van dwangsommen gelast de bouw- en sloopactiviteiten, de kap en afvoer van het hout op het perceel, alsmede de graafwerkzaamheden gestaakt te houden. Daarnaast heeft het hem een plicht tot herplant opgelegd.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 4
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/779
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103259/1/H1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 maart 2011 in zaak nr. 10/3659 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rheden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college de bouw van en sloop in een gebouw, de kap en afvoer van het hout en de graafwerkzaamheden op het perceel [locatie] te Rheden (naam villa) stilgelegd. Voorts heeft het [appellant] op straffe van dwangsommen gelast de bouw- en sloopactiviteiten, de kap en afvoer van het hout op het perceel, alsmede de graafwerkzaamheden gestaakt te houden. Daarnaast heeft het hem een plicht tot herplant opgelegd.

Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, dat besluit onder aanvulling van de motivering ervan, in stand gelaten en een verzoek om vergoeding van de in bezwaar opgekomen kosten afgewezen.

Bij uitspraak van 15 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van onderscheidenlijk 4 en 11 april en 13 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben elk nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.D. Haja, werkzaam in dienst van de gemeente, is verschenen.

Na de zitting heeft het college nog een nader stuk overgelegd, dat de andere partij is toegezonden.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank het door hem ingestelde beroep ten onrechte bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat niet is gebleken van door hem geleden schade als gevolg van het besluit van 31 augustus 2010.

2.2. Dat betoog slaagt. De rechtbank heeft, door het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren, miskend dat het ook de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de bij hem in verband met de behandeling van het door hem gemaakte bezwaar opgekomen kosten betreft.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, beoordeelt de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 31 augustus 2010 bij de rechtbank ingestelde beroep.

2.4. [appellant] betoogt dat het college niet handhavend tegen het bouwen en slopen, zonder de daartoe vereiste vergunningen, kon optreden, omdat op het perceel nimmer bouw- en sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden en hij heeft afgewacht of de gevraagde vergunningen zouden worden verleend.

2.4.1. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat, voorafgaand aan het handhavend optreden, op het perceel bouw- en sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft het aan de hand van de zich in het dossier bevindende foto's van 13 april 2010, toegelicht dat [appellant] - in afwijking van de brief van het college van 25 januari 2010, waarbij het hem uitsluitend toestemming heeft gegeven voor daarbij omschreven restauratiewerkzaamheden aan de westelijke gevel van het pand - zonder dat hij over de daarvoor vereiste bouw- of sloopvergunning beschikte, onder meer muurbalken heeft vervangen en zachtboard plafonds in het pand heeft verwijderd. Dit wordt bevestigd door de door het college op verzoek van de Afdeling overgelegde rapportage van de opzichter van de afdeling Bouwen en Milieu van onder meer 13 april 2010.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat het college niet handhavend kon optreden tegen het kappen van een aantal bomen op het perceel, nu daarvoor geen vergunning is vereist.

2.5.1. Niet wordt betwist dat voor de kapwerkzaamheden op het perceel de ingevolge artikel 10, achtste lid, aanhef en onder b, van de bij het bestemmingsplan "Rheden-West 1989" behorende planvoorschriften vereiste aanlegvergunningen niet zijn verleend. Reeds daarom kon het college tegen de kap handhavend optreden, als het heeft gedaan.

Ook dat betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt verder dat het college onvoldoende heeft onderzocht of concreet zicht op legalisering van de bouwwerkzaamheden op het perceel bestond.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201004906/1/H1), behoeft bij de toepassing van de in artikel 100d van de Woningwet geregelde bevoegdheid om met de wet strijdige bouwwerkzaamheden stil te leggen, gelet op aard en doel van die bevoegdheid, niet te worden onderzocht of de bouw gelegaliseerd kan worden. Geen aanleiding bestaat hierover anders te oordelen, indien het college, zoals in deze zaak het geval is, de werkzaamheden heeft stilgelegd met toepassing van spoedeisende bestuursdwang, als bedoeld in artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Uit voormelde rechtspraak volgt tevens dat het college, voorafgaand aan het opleggen van de preventieve lasten onder dwangsom, evenmin legaliseringsonderzoek behoefde te verrichten, nu deze lasten tegelijkertijd met het stilleggen van de bouwwerkzaamheden zijn opgelegd.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt ten slotte dat het college zijn verzoek om de bij hem in bezwaar opgekomen kosten te vergoeden ten onrechte heeft afgewezen.

2.7.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de in bezwaar opgekomen kosten op verzoek van de belanghebbende uitsluitend vergoed, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat die situatie zich niet voordoet, zodat het college het verzoek terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10. In deze situatie bestaat geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellant] betaalde griffierecht door het college wordt vergoed. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt echter met zich dat - naar analogie van artikel 52, vijfde lid, van die wet - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 maart 2011 in zaak nr. 10/3659;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

414-593-619.