Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT6648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
201101925/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college de bijhouding van de persoonslijst van [appellante] in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de gba) ambtshalve opgeschort met de aanduiding "vertrokken naar onbekend".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101925/1/H3.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], woonplaats kiezend te Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 januari 2011 in zaak nr. 10/6878 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college de bijhouding van de persoonslijst van [appellante] in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de gba) ambtshalve opgeschort met de aanduiding "vertrokken naar onbekend".

Bij besluit van 26 juli 2010 heeft het college het besluit van 1 juni 2010 gewijzigd en [appellante] opgenomen in de gba met onbekend adres.

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft het college het door [appellante] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2011, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.A. Namaki, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hertogs en R.H. de Roy van Zuydewijn, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten.

Ingevolge dit artikel wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder adres: het woonadres.

Ingevolge artikel 47, tweede lid, eerste volzin, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres indien een ingezetene zijn adres heeft gewijzigd zonder daarvan aangifte te doen.

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder d, wordt een beslissing van het college om ambtshalve over te gaan tot inschrijving, of tot opneming van gegevens in het geval dat inschrijving of opneming op grond van een aangifte had moeten geschieden, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. Op 7 december 2009 en op 27 april 2010 hebben huisbezoeken plaatsgevonden op het adres [locatie] te Den Haag (hierna: het adres). Op grond van de bevindingen tijdens deze huisbezoeken heeft het college geconcludeerd dat [appellante] niet op het adres woonde en heeft het de besluiten van 1 juni 2010 en 26 juli 2010 genomen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op grond van de onderzoeksgegevens aannemelijk is dat zij ten tijde van de onderzoeken niet op het adres woonde. Zij voert aan dat zij slechts weinig persoonlijke spullen bezit en haar bezittingen zoveel mogelijk bij zich heeft. Daarnaast voert [appellante] aan dat de bij de huisbezoeken aangetroffen persoon ten tijde van de door deze afgelegde verklaringen gebrouilleerd was met de partner van [appellante], tevens de eigenaar van de woning, en later heeft verklaard dat [appellante] wel in de woning woonde. Ten slotte voert [appellante] aan dat zij en haar partner zich geen grotere kamer kunnen veroorloven dan een kamer waarin slechts een eenpersoonsbed past en dat het in Afrika, waar zij beiden vandaan komen, gebruikelijk is om op de grond te slapen.

2.4. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college op grond van de onderzoeksgegevens heeft mogen concluderen dat [appellante] ten tijde van belang niet op het adres woonde. Tijdens de huisbezoeken zijn geen persoonlijke spullen van [appellante] aangetroffen in de woning en is evenmin een slaapplaats voor haar gezien. Met de rechtbank acht de Afdeling niet aannemelijk dat [appellante] al haar bezittingen zoveel mogelijk bij zich heeft als zij niet in de woning verblijft. Uit de verklaringen van de in de woning aangetroffen persoon kan worden opgemaakt dat [appellante] ten tijde van belang niet op het adres woonde. Aan de in bezwaar overgelegde verklaring van deze persoon dat [appellante] wel op het adres woonde heeft de rechtbank terecht niet die waarde gehecht die [appellante] daarmee voor ogen had. Niet is gebleken dat deze persoon ten tijde van de huisbezoeken niet de waarheid heeft verteld, nu de verklaringen stroken met de ter plaatse gedane constateringen. Voorts acht de Afdeling het met de rechtbank niet aannemelijk dat [appellante] met haar partner in een kamer waar alleen een eenpersoonsbed in past zou wonen. Dat [appellante] en haar partner zich geen grotere kamer kunnen veroorloven is evenmin aannemelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college terecht het besluit van 18 augustus 2010 heeft genomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

97-597.