Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT6635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
201002323/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Versteeglaan" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.13
Wet ruimtelijke ordening 6.15
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 6.2.3
Onteigeningswet
Onteigeningswet 40b
Onteigeningswet 40c
Onteigeningswet 40d
Onteigeningswet 40e
Onteigeningswet 40f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2011-10-11
JOM 2012/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002323/1/R2.

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[de erven], wonend te Breda, Utrecht en Asch, gemeente Buren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente de Bilt,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Versteeglaan" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [de erven] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2010, beroep ingesteld. [De erven] hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 16 maart 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2011, waar [de erven], bijgestaan door mr. W. van Galen, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.M.F.F. Verbeet, A. van Breda en J. Noteborn, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Intrekking

2.1. Ter zitting hebben [de erven] de beroepsgronden die betrekking hebben op de terinzagelegging van het rapport van Pronexus en de kennisneming van hun zienswijze door de raad ingetrokken.

Procedureel bezwaar

2.2. [de erven] betogen dat ten onrechte de Ecologiescan van de gemeente de Bilt, daterend uit 2005, niet bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.

2.2.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing met dien verstande dat in het artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.3. De Afdeling overweegt dat de rapporten "Quickscan ecologie" en "Aanvullend ecologisch onderzoek" de resultaten bevatten van het onderzoek dat is verricht naar de gevolgen van het plan voor de in het plangebied aanwezige flora en fauna in het plangebied. Nu de Ecologiescan niet is opgesteld in het kader van het bestemmingsplan, maar slechts is vermeld in de literatuurlijst van de voormelde rapporten is inzage in de Ecologiescan niet noodzakelijk voor de beoordeling van het bestemmingsplan. Er bestond dan ook geen verplichting om de Ecologiescan ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen.

Het bestemmingsplan

2.4. Met het bestemmingsplan wordt beoogd de verplaatsing van een school van de Groenekanseweg naar de Versteeglaan te Groenekan mogelijk te maken.

2.5. [de erven] betogen dat het bestemmingsplan, anders dan het door hen voorgestelde alternatieve plan, ten onrechte niet tevens voorziet in woningbouw. Zij stellen dat nu het bestemmingsplan geen woningbouw mogelijk maakt, onvoldoende rekening wordt gehouden met hun economische belangen.

Tevens betogen [de erven] dat het bestemmingsplan ten onrechte niet voorziet in een ontsluitingsweg voor het aangrenzende perceel, alwaar enkele fruitbomen moeten worden onderhouden.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij geen concrete voornemens heeft om op het perceel woningbouw mogelijk te maken. Het maatschappelijke belang dat is gediend met de bouw van de school weegt zwaarder dan het economische belang van [de erven] bij de bouw van woningen, aldus de raad.

2.5.2. Het betoog van [de erven] dat het bestemmingsplan ten onrechte niet tevens voorziet in woningbouw op hun gronden in het plangebied en op het aan het plangebied grenzende perceel achter [locatie], begrijpt de Afdeling aldus dat dit mede is gericht tegen de begrenzing van het plan.

Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen concrete voornemens heeft om op het perceel achter [locatie] woningbouw mogelijk te maken. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat het betreffende perceel zodanig met het plangebied samenhangt dat het gelet daarop in hetzelfde bestemmingsplan had moeten worden opgenomen. Evenmin heeft de raad in het door [de erven] alternatieve plan reden hoeven zien het perceel achter [locatie] in het bestemmingsplan op te nemen, nu ter zitting is gebleken dat de raad eerst op de dag van de vaststelling van het bestemmingsplan van dit alternatieve plan in kennis is gesteld. Het betoog dat dit alternatieve plan financieel gunstiger is, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.5.3. Voor zover [de erven] betogen dat het bestemmingsplan voor hun gronden die in het plangebied zijn gelegen ten onrechte niet voorziet in woningbouw, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de huidige locatie van de school vanwege geluidsoverlast door een spoorlijn en een autosnelweg niet meer geschikt is. De raad acht verplaatsing van de school derhalve noodzakelijk. De raad heeft bij de keuze voor de locatie aan de Versteeglaan van belang geacht dat deze is gelegen aan een rustige straat, vlakbij een groot trapveld en in de nabijheid van een groot deel van de woningen in Groenekan. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid aan het maatschappelijke belang dat is gediend met de bouw van de school aan de Versteeglaan een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het economische belang van [de erven] bij de bouw van woningen.

2.5.4. Ten aanzien van de ontsluiting van het aangrenzende perceel wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de ontsluiting van het aangrenzende perceel bij de inrichting van het plangebied wordt verzekerd, omdat een ontsluiting via het parkeerterrein van de school wordt gerealiseerd. Het bestemmingsplan staat hier niet aan in de weg, nu op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - 1" op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels ook in- en uitwegen zijn toegelaten. Het betoog faalt.

2.6. [de erven] betogen dat het ingevolge het plan maximaal toegestane bouwvolume afbreuk doet aan het karakter van de dorpskern Groenekan. In dit kader verwijzen [de erven] naar de Nota "Ruimte voor ontwikkeling" (hierna: de Nota Ruimte), waarin is vermeld dat de grote mate van openheid een kernkwaliteit is van het gebied. Voorts voeren zij in dit verband aan dat niet inzichtelijk is of het maximaal toegestane bouwvolume noodzakelijk is voor het beoogde aantal leerlingen.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de omvang van de voorziene school passend is in de omgeving en geen negatieve gevolgen zal hebben voor het kleinschalige dorpskarakter van Groenekan.

2.6.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, van de planregels mogen op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:

a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

b. de gronden binnen het bouwvlak mogen voor maximaal 65% worden bebouwd;

c. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 6,5 m;

d. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 9,5 m;

e. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

2.6.3. Voor zover de erven betogen dat het plan afbreuk doet aan het karakter van de dorpskern Groenekan overweegt de Afdeling dat het plangebied grenst aan een woonwijk en binnen de bebouwde kom ligt. Voorts is volgens de raad bij het bepalen van de maximale bouwhoogte voor de voorziene school aangesloten bij de bouwhoogte van de omliggende woningbouw. Verder bedraagt de omvang van het bouwvlak ongeveer 2100 m², waarvan maximaal 65% mag worden bebouwd. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het maximaal toegestane bouwvolume geen afbreuk doet aan het karakter van de dorpskern Groenekan.

2.6.4. Voor zover [de erven] verwijzen naar de Nota Ruimte overweegt de Afdeling dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan de raad niet gebonden is aan beleid van het Rijk dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

In de plantoelichting staat dat het plangebied is gelegen in het "Hollands-Utrechts veenweidegebied", hetgeen deel uitmaakt van het in de Nota Ruimte aangewezen nationale landschap "Het Groene Hart". In de Nota Ruimte is vermeld dat nationale landschappen zich sociaal-economisch voldoende moeten kunnen ontwikkelen, terwijl de bijzondere kwaliteiten van het gebied worden behouden of versterkt. Maatvoering, schaal en ontwerp zijn bepalend voor behoud van de kwaliteiten van de nationale landschappen. Voorts staat in de Nota Ruimte dat de grote mate van openheid één van de kernkwaliteiten is van het "Hollands-Utrechts veenweidegebied".

Volgens de raad is bij het vaststellen van het bestemmingsplan rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het "Hollands-Utrechts veenweidegebied" en doet het plan, mede gelet op de beperkte maatvoering van de voorziene school, geen ernstige afbreuk aan de openheid van het gebied.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de Nota Ruimte onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken.

2.7. Tevens betogen [de erven] dat de raad bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen en het aantal verkeersbewegingen ten onrechte is uitgegaan van een leerlingenaantal van 150, nu het plan voorziet in een school voor een groter aantal leerlingen. Bovendien heeft de raad ten onrechte geen rekening gehouden met de beoogde kinderopvang, aldus [de erven].

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in voldoende parkeerplaatsen voorziet, nu is aangesloten bij de richtlijnen in de door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water en Wegenbouw en Verkeerstechniek uitgegeven publicatie "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom". Voorts is bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking terecht uitgegaan van een worst-case scenario met een leerlingenaantal van 200. De verkeersoverlast als gevolg van de toename van het verkeer op Versteeglaan blijft beperkt, aldus de raad.

2.7.2. In de plantoelichting is vermeld dat voor de voorziene school een leerlingenaantal van ongeveer 150 wordt verwacht.

Tevens staat in de plantoelichting en de zienswijzennota "Bestemmingsplan Versteeglaan en exploitatieplan Versteeglaan" (hierna: de zienswijzennota) dat voor de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van een school van 150 leerlingen, welke bestaat uit 7 groepen. Voor de berekening van de door het plan veroorzaakte verkeerseffecten is ingevolge de plantoelichting uitgegaan van een worst-case scenario van maximaal 200 leerlingen en 20 personeelsleden.

2.7.3. [de erven] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad voor de voorziene school ten onrechte is uitgegaan van een prognose van ongeveer 150 leerlingen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de leerlingenprognose voor de voorziene school is gebaseerd op de leerlingenformatie van de reeds bestaande te verplaatsen school. De enkele stelling van [de erven] dat niet inzichtelijk is of de maximale bouwmogelijkheden overeenstemmen met de leerlingenprognose maakt, wat daar ook van zij, niet dat de raad ten onrechte is uitgegaan van een leerlingenaantal van 150.

Nu bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van een school met 150 leerlingen en bij de berekening van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van een worst-case scenario van 200 leerlingen en 20 personeelsleden ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen en het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van een onjuist aantal leerlingen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de beoogde kinderopvang slechts ziet op buitenschoolse opvang voor de schoolgaande kinderen, waardoor de kinderopvang geen extra verkeersbewegingen of een grotere parkeerbehoefte zal genereren.

2.8. [de erven] betogen dat ten onrechte het plan is vastgesteld, nu geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is verleend voor de aantasting van het foerageergebied van de das. Zij bestrijden het standpunt van de raad dat het plangebied geen deel uitmaakt van het leefgebied van de das. Volgens [de erven] zijn de quickscan ecologie en het aanvullend ecologisch onderzoek niet gebaseerd op actuele gegevens, nu grotendeels is uitgegaan van de Ecologiescan van de gemeente De Bilt uit 2005.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het foerageergebied van de das niet wordt aangetast, waardoor geen ontheffing op grond van de Ffw nodig is. De Ffw staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg, aldus de raad.

2.8.2. De vraag of voor de uitvoering van het plan een ontheffing of vrijstelling nodig is op grond van de Ffw, en zo ja, of deze ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, komt aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad een bestemmingsplan niet kan vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoering van het plan in de weg staat.

Bij de voorbereiding van het plan is onderzoek gedaan naar de aanwezige flora en fauna. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de in het kader van het bestemmingsplan verrichte rapporten "Quickscan ecologie" en het "Aanvullend ecologisch onderzoek". In het rapport "Aanvullend ecologisch onderzoek" is vermeld dat het plangebied een uitloper is van een groot deel van het foerageergebied van de das. Door gaten in de omheining van het plangebied te dichten worden de dassen gedwongen elders binnen het foerageergebied voedsel te zoeken, maar gaat geen essentieel onderdeel van het foerageergebied van de das verloren. In het rapport wordt geconcludeerd dat voor de uitvoering van het plan geen ontheffing op grond van de Ffw hoeft te worden aangevraagd.

[de erven] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de rapporten zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevatten dat de raad zich hierop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de onderzoeksresultaten in het rapport "Aanvullend ecologische onderzoek" niet actueel zijn, nu die tevens zijn gebaseerd op een veldbezoek in 2008.

De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw aan de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

2.9. Voor zover [de erven] betogen dat het bestemmingsplan ten onrechte niet is getoetst aan de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2009, hebben zij dit niet nader onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestemmingsplan met deze verordening in strijd is.

2.10. In hetgeen [de erven] hebben aangevoerd tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het exploitatieplan

2.11. De exploitatieopzet als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wro is een rekenkundig model, op basis waarvan de geraamde en daadwerkelijk gerealiseerde kosten naar rato van de te verwachten opbrengsten worden omgeslagen door het overeenkomstig artikel 6.17 van de Wro, opleggen van een exploitatiebijdrage door middel van een voorwaarde verbonden aan een omgevingsvergunning voor bouwen, die in overeenstemming met de artikelen 6.18 en 6.19 van de Wro wordt bepaald. De kosten en opbrengsten die in de exploitatieopzet zijn opgenomen, zeker waar het de vaststelling van een exploitatieplan betreft, kunnen ramingen zijn en wijken in dat geval mogelijk af van de daadwerkelijk gerealiseerde kosten en opbrengsten. De ramingen kunnen daarna worden uitgewerkt, gedetailleerd, aangepast of worden vervangen bij een herziening van het exploitatieplan. Niettemin dienen de kosten en opbrengsten met de vereiste zorgvuldigheid te worden geraamd. Daartoe is van belang dat de exploitatiebijdrage die bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen verschuldigd is, in eerste instantie veelal op basis van de ramingen van de kosten en opbrengsten wordt vastgesteld, terwijl slechts onder de voorwaarden van artikel 6.20 van de Wro aanspraak bestaat op terugbetaling van hetgeen te veel is betaald. Voorts dienen de ramingen van de kosten en opbrengsten te voldoen aan de eisen die de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) daaraan stellen.

2.12. [de erven] betogen dat het exploitatieplan in strijd met artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro alleen een kaart bevat waarop het voorgenomen grondgebruik van het plangebied is aangegeven.

2.12.1. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder a, bevat een exploitatieplan een kaart van het exploitatiegebied.

2.12.2. Het exploitatieplan bevat een kaart waarop de kadastrale percelen en de grens van het exploitatiegebied zijn aangegeven. Gelet hierop heeft de raad het exploitatieplan overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder a, vastgesteld. Dat op de kaart eveneens het voorgenomen grondgebruik is aangegeven maakt dit niet anders.

2.13. [de erven] betogen dat niet inzichtelijk is waar de inbrengwaarde van de gronden van € 47,20 per vierkante meter op is gebaseerd. In dit kader voeren zij aan dat niet duidelijk is of de inbrengwaarde is vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet of gelijk is aan de schadeloosstelling ingevolge de onteigeningswet. Bovendien is de taxatie van de gronden ten onrechte niet uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige, aldus [de erven].

2.13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ten behoeve van het bepalen van de hoogte van de inbrengwaarde geen taxatierapport door een onafhankelijk deskundige behoeft te worden uitgebracht. In dit kader wijst de raad op de verplichting uit de Wro om het exploitatieplan ten minste eenmaal per jaar te herzien.

2.13.2. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro bevat een exploitatieplan een exploitatieopzet, bestaande uit:

1º voor zover nodig een raming van de inbrengwaarden van de gronden, welke inbrengwaarden voor de toepassing van deze afdeling worden beschouwd als kosten in verband met de exploitatie van die gronden;

Ingevolge het vijfde lid wordt de inbrengwaarde van gronden indien geen sprake is van onteigening vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet. Voor gronden welke onteigend zijn of waarvoor een onteigeningsbesluit is genomen, of welke op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, is de inbrengwaarde gelijk aan de schadeloosstelling ingevolge de onteigeningswet.

Ingevolge artikel 6.15, eerste lid, wordt een exploitatieplan na inwerkingtreding ten minste eenmaal per jaar herzien totdat de in dat exploitatieplan voorziene werken, werkzaamheden en bouwwerken zijn gerealiseerd.

Ingevolge artikel 6.2.3, aanhef en onder a, van het Bro worden tot de kosten, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, ten eerste van de wet, voor zover deze redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de inbrengwaarde van de gronden, gerekend de ramingen van: de waarde van de gronden in het exploitatiegebied.

2.13.3. In het exploitatieplan is vermeld dat de waarde van de grond in het exploitatiegebied € 47,20 per vierkante meter bedraagt en de inbrengwaarde van de gronden in totaal € 157.233,00. Het exploitatieplan noch de toelichting op het exploitatieplan verschaffen inzicht in de vraag of de inbrengwaarde is vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet, dan wel gelijk is aan de schadeloosstelling ingevolge de onteigeningswet.

Voorts heeft de raad ter zitting bevestigd dat aan de raming van de inbrengwaarde geen taxatie ten grondslag ligt die is uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige. De raad heeft verklaard dat de inbrengwaarde van de gronden door een bij de opstelling van het exploitatieplan betrokken ambtenaar zijn geschat. Hier komt bij dat in het exploitatieplan is vermeld dat de inbrengwaarde van de grond in het exploitatiegebied € 47,20 per vierkante meter bedraagt, terwijl in het door de raad overgelegde taxatierapport van Arcadis, daterend van 7 april 2010, de inbrengwaarde van de betreffende gronden is geraamd op € 53,00 per vierkante meter.

De Afdeling acht, onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 februari 2011 in zaak nr. 200907364/1/R2, een taxatie van de bij het exploitatieplan betrokken gronden door een onafhankelijke deskundige in beginsel aangewezen gelet op de te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog van de raad dat de raming van de inbrengwaarde bij de herziening van het exploitatieplan kan worden aangepast vormt geen grond om van dit uitgangspunt af te wijken, nu de enkele omstandigheid dat het exploitatieplan kan worden herzien de raad niet ontslaat van de verplichting het eerste vastgestelde exploitatieplan met de te betrachten zorgvuldigheid voor te bereiden.

Nu de raming van de inbrengwaarde van de gronden in het exploitatiegebied niet is gebaseerd op een schriftelijk, gemotiveerd advies van een onafhankelijk deskundige, waarin is uiteengezet op basis waarvan de inbrengwaarde is geraamd, heeft de raad de inbrengwaarde van de gronden geraamd in strijd met de vereiste zorgvuldigheid.

2.14. De raad heeft naar aanleiding van de bespreking van de beroepsgronden ter zitting verklaard dat het exploitatieplan tevens aanpassing behoeft voor zover het betreft de kosten voor de aanleg van voorzieningen, de kosten voor het onderzoek, de kosten van planschade en de prijspeildatum. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het exploitatieplan ook voor het overige in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Conclusie

2.15. In hetgeen [de erven] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat besluit tot vaststelling van het exploitatieplan is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.16. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [de erven] voor het overige hebben aangevoerd geen bespreking meer.

2.17. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2011 in zaak nr. 200904489/1/R1; www.raadvanstate.nl) bestaat in de samenhang tussen een bestemmingsplan en een gelijktijdig vastgesteld exploitatieplan op zichzelf geen aanleiding vanwege de vernietiging van het exploitatieplan eveneens het bestemmingsplan te vernietigen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de wet daartoe niet verplicht. Bovendien geldt ingevolge artikel 3.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang bezien met artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, van de Wabo, een aanhoudingsverplichting wat betreft het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen ten behoeve van een activiteit waarop een exploitatieplan van toepassing is, indien er geen grond is de vergunning te weigeren en het exploitatieplan, dat voor de in de aanvraag begrepen grond is vastgesteld, nog niet onherroepelijk is. Naar het oordeel van de Afdeling is artikel 3.5 van de Wabo niet alleen van toepassing in geval van een gedeeltelijk vernietigd exploitatieplan, maar ook in geval van een geheel vernietigd exploitatieplan.

Het college van burgemeester en wethouders kan op grond van artikel 3.5, derde lid, van de Wabo de aanhoudingsplicht doorbreken en een omgevingsvergunning verlenen. De verplichting tot aanhouding en de bevoegdheid tot doorbreking van deze aanhoudingsplicht geeft het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid de omgevingsvergunning voor bouwen alleen te verlenen als het kostenverhaal is verzekerd. De noodzaak om ook het bestemmingsplan te vernietigen vanwege de vernietiging van het exploitatieplan ontbreekt derhalve.

2.18. Gelet op de vernietiging van het exploitatieplan en gelet op artikel 6.12 van de Wro dient de raad ofwel een nieuw exploitatieplan vast te stellen ofwel te besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, bijvoorbeeld omdat de gemeente inmiddels eigenaar is van alle gronden in het bestemmingsplan waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen. De Afdeling zal een termijn bepalen waarbinnen de raad een van deze besluiten dient te nemen met daarbij in aanmerking nemende dat de raad ter zitting desgevraagd heeft aangegeven vier maanden nodig te hebben voor het nemen van een nieuw besluit.

Proceskosten

2.19. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente de Bilt van 28 januari 2010, tot vaststelling van het exploitatieplan;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. draagt de raad van de gemeente de Bilt op om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ofwel een exploitatieplan vast te stellen ofwel te besluiten geen exploitatieplan vast te stellen;

V. veroordeelt de raad van de gemeente de Bilt tot vergoeding van bij [de erven] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente de Bilt aan [de erven] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

458-683.