Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2853

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
200907547/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-452807, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bernisse bij besluit van 25 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Monumenten en archeologie 2012/108
Module Wabo en omgevingsvergunning 2011/431
JBO 2011/85 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2011/86 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2011/771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907547/1/R1.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A], wonend te Geervliet, gemeente Bernisse, handelend onder de naam [bedrijf A], en [appellant sub 1B], wonend te Barendrecht, handelend onder de naam [bedrijf B] (hierna: tezamen en in enkelvoud [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Zuidland, gemeente Bernisse,

3. de raad van de gemeente Bernisse,

4. [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Abbenbroek, gemeente Bernisse,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-452807, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bernisse bij besluit van 25 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2009, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, en [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2009, beroep ingesteld. De raad heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 oktober 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [appellant sub 1A], [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Rensen en E. van Burgsteden, [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. Molenwijk, W. Cornelissen en R. Proost, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in een voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Planbeschrijving

2.2. Het plan heeft betrekking op het buitengebied van Bernisse. Met het plan wordt beoogd de kwaliteiten van het gebied te beschermen en in te spelen op nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Onthouding van goedkeuring aan het plan wat betreft de gronden die nodig zijn voor het project Deltanatuur (Project Spuimonding-West, onderdeel polder Zuidoord)

2.3. Het college heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan het plan wat betreft de gronden die nodig zijn voor het project "Deltanatuur" (Project Spuimonding-West, onderdeel polder Zuidoord), zoals aangegeven op de bijlage bij het besluit.

Het college stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming voor de desbetreffende gronden niet in overeenstemming is met het in 2000 op initiatief van de toenmalige ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Verkeer en Waterstaat gestarte project Deltanatuur, onderdeel Spuimonding-West, tot ontwikkeling van natte natuur ter plaatse, dat inmiddels door het provinciebestuur ter hand is genomen, en met het streekplan "Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020" (hierna: streekplan RR 2020). De argumenten van de raad om niet mee te werken aan de realisering van Deltanatuur in de polder Zuidoord acht het college onvoldoende overtuigend. Volgens het college weegt het belang van de natuurontwikkeling zwaarder dan het belang bij behoud van agrarische grond in de polder Zuidoord.

2.3.1. De raad kan zich met het bestreden besluit in zoverre niet verenigen. De raad voert aan dat het college buiten de toegekende bevoegdheid is getreden, nu het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dan wel het recht. In dit verband wijst de raad er tevens op dat provinciale staten ten tijde van het bestreden besluit reeds hadden besloten voor de desbetreffende gronden een inpassingsplan voor te bereiden. In het plan is het huidige gebruik voor agrarische doeleinden als zodanig bestemd, aldus de raad. De raad betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van de natuurontwikkeling zwaarder weegt dan het agrarisch belang. Gebruik voor agrarische doeleinden behoeft verder niet in de weg te staan aan het realiseren van de beoogde natuurdoelstelling, aldus de raad.

Volgens de raad is het project Deltanatuur gericht op vrijwillige grondverwerving en waren ten tijde van het bestreden besluit de gronden niet op vrijwillige basis verworven. Ten slotte betoogt de raad dat ten onrechte de onthouding van goedkeuring niet op de plankaart is ingetekend.

2.3.2. Uit de overwegingen van het bestreden besluit leidt de Afdeling af dat het college heeft beoogd goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Ava (grondgebonden veehouderij/ akkerbouw/ opengrondse tuinbouw en fruitteelt)" wat betreft de polder Zuidoord. In het dictum is vermeld dat goedkeuring wordt onthouden aan het plan wat betreft de gronden die nodig zijn voor de projecten Maatregelen Kierbesluit Deltanatuur (Project Spuimonding-West, onderdeel polder Zuidoord), zoals aangegeven op de bijlage bij dit besluit. De desbetreffende bijlage is een kaart, niet zijnde een plankaart, waarin de polder met een pijl is aangewezen. Gelet op het feit dat de begrenzing van de polder Zuidoord voldoende duidelijk blijkt uit de kaart en duidelijk is wat onder genoemd project dient te worden verstaan, is in het dictum van het bestreden besluit voldoende nauwkeurig omschreven waarop de onthouding van goedkeuring van dit deel van het plan ziet.

2.3.3. In het plan is aan de polder Zuidoord de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Ava (grondgebonden veehouderij/ akkerbouw/ opengrondse tuinbouw en fruitteelt)" toegekend.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarische doeleinden" ter plaatse van de subbestemming "Ava" bestemd voor grondgebonden veehouderij/ akkerbouw/ opengrondse tuinbouw en fruitteelt.

2.3.4. De Afdeling overweegt dat een goede ruimtelijke ordening wordt verkregen door het coördineren en afwegen van de verschillende belangen die bij het gebruik van de in het plan begrepen grond en opstallen zijn betrokken. Daarmee stelt de raad in een bestemmingplan vast wat naar zijn oordeel een goede ruimtelijke ordening inhoudt. Uit het onder 2.2. omschreven toetsingskader vloeit voort dat het college, voor zover het betreft deze door de raad verrichte belangenafweging, aan het bestemmingsplan slechts geheel of gedeeltelijk goedkeuring kan onthouden indien het van oordeel is dat de door de raad verrichte afweging van belangen leidt tot voor een of meer belangen nadelige gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doeleinden.

2.3.5. In het op 12 oktober 2005 vastgestelde streekplan RR 2020 is het project Spuimonding West (Deltanatuur) op de streekplankaart aangeduid als "natuurgebied, te ontwikkelen" en tevens als "gebied met (inter)nationale natuurbescherming". Volgens het streekplan RR 2020 dient onder een gebied met (inter)nationale natuurbescherming te worden verstaan een (natuur)gebied dat (inter)nationale bescherming geniet volgens de EU-Habitatrichtlijn, de EU-Vogelrichtlijn en/of de Natuurbeschermingswet. Natuur is de hoofdfunctie, extensief medegebruik is, waar inpasbaar, toegestaan, aldus het streekplan RR 2020. In gebieden met de aanduiding "natuurgebied, te ontwikkelen" heeft natuur de hoofdfunctie, aldus het streekplan. Extensief recreatief medegebruik is, waar inpasbaar, toegestaan.

2.3.6. Nu het college in het bestreden besluit naar voornoemde aanduidingen in het streekplan RR 2020 heeft verwezen alsmede heeft gewezen op het in gang gezette programma Deltanatuur, is de Afdeling van oordeel dat het college gemotiveerd heeft waarom ter plaatse natuurontwikkeling gewenst is. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met het streekplan RR 2020. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden.

2.3.7. De conclusie is dat hetgeen de raad heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Onthouding van goedkeuring aan het plan wat betreft gronden die nodig zijn voor het project Maatregelen Kierbesluit

2.4. Het college heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan het plan wat betreft de gronden die nodig zijn voor het project Maatregelen Kierbesluit, zoals aangegeven op de bijlage van het besluit.

Het college stelt zich op het standpunt dat het provinciale project Maatregelen Kierbesluit, inhoudende het verleggen van innamepunten voor zoet water en de aanleg van een zoetwaterkanaal, ten onrechte niet is opgenomen in het plan. Het college acht de argumenten van de raad om niet mee te werken aan de realisering van een zoetwatervoorziening in een open tracé onvoldoende overtuigend.

2.4.1. De raad kan zich met het bestreden besluit in zoverre niet verenigen. De raad voert aan dat het college buiten de toegekende bevoegdheid is getreden, nu het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dan wel het recht. In het plan is het huidige gebruik als zodanig bestemd, aldus de raad. Verder voert hij aan dat in het streekplan RR 2020 nog niet de keuze is gemaakt voor de aanleg van een open tracé over de desbetreffende gronden. Voor het zoetwatertracé zijn volgens de raad andere alternatieven voorhanden. Ten onrechte is de onthouding van goedkeuring niet op de plankaart ingetekend, zodat niet duidelijk is op aan welke delen van het plan goedkeuring is onthouden, aldus de raad.

2.4.2. Uit de overwegingen van het bestreden besluit leidt de Afdeling af dat het college heeft beoogd goedkeuring te onthouden aan de gronden die nodig zijn voor de realisering van het zoetwaterinnamepunt en het zoetwatertrace. Aan de overwegingen komt echter geen doorslaggevend belang toe. Uit het dictum dient afgeleid te kunnen worden welke delen van het plan zijn goedgekeurd en aan welke plandelen goedkeuring is onthouden. In het dictum is vermeld dat goedkeuring wordt onthouden aan het plan wat betreft de gronden die nodig zijn voor de projecten Maatregelen Kierbesluit Deltanatuur (Project Spuimonding-West, onderdeel polder Zuidoord), zoals aangegeven op de bijlage bij dit besluit. De desbetreffende bijlage is een kaart, niet zijnde een plankaart, waarin - zoals ter zitting toegelicht - met een pijl een punt op het zoetwatertracé is aangewezen. Op de kaart is evenwel de loop van het zoetwatertracé niet duidelijk aangegeven. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling met de verwijzing in het dictum van het bestreden besluit naar de bijlage onvoldoende nauwkeurig omschreven waarop de onthouding van goedkeuring ziet.

2.4.3. De conclusie is dat hetgeen de raad heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plan wat betreft de gronden die nodig zijn voor het project Maatregelen Kierbesluit te worden vernietigd.

Archeologie

Onthouding van goedkeuring - het beroep van het college

2.5. Het college heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan artikel 21, tweede lid, onder c en d, en het zevende lid, derde en vierde gedachtenstreepje, van de planvoorschriften voor zover het betreft de zinsnede "en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²". Het college is hiertoe overgegaan omdat de in deze artikelleden en deze zinsneden genoemde oppervlaktemaat afwijkt van de oppervlaktemaat genoemd in artikel 41a van de Monumentenwet 1988 en van het provinciale beleid neergelegd in de Handreiking bij de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland.

De door de raad aangevoerde methodische overwegingen en de verwijzing naar het maatschappelijk draagvlak acht het college onvoldoende zwaarwegend voor afwijking daarvan. Verder acht het college de overgelegde inhoudelijke gegevens ter onderbouwing van de oppervlakte van 200 m² als bovengrens voor bodemingrepen zonder dat archeologisch onderzoek nodig is onvoldoende overtuigend. Het aantal en de spreiding van de gebruikte archeologische gegevens zijn niet toereikend.

2.5.1. De raad betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 21, tweede lid, onder c en d, en het zevende lid, derde en vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften, voor zover het betreft de zinsnede "en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²".

De raad betoogt dat het college niet bevoegd is op inhoudelijke gronden goedkeuring te onthouden aan delen van dit voorschrift, omdat de raad als bevoegd gezag voor de archeologie van het grondgebied van de gemeente dit voorschrift voldoende heeft gemotiveerd en in overeenstemming met het bepaalde in artikel 41a van de Monumentenwet 1988 heeft vastgesteld.

Het archeologiebeleid van de gemeente is volgens de raad dusdanig uitgebreid en gemotiveerd dat dat beleid kan dienen ter motivering van het gebruik van de in artikel 41a gegeven mogelijkheid tot vaststelling van een oppervlaktemaat die afwijkt van de in dat artikel genoemde oppervlaktemaat van 100 m². De raad ziet in de omstandigheid dat het college niet is overgegaan tot het aanwijzen van (delen van) Bernisse als attentiegebied als bedoeld in artikel 44 van de Monumentenwet 1988 een bevestiging dat het archeologiebeleid van de gemeente niet leidt tot onaanvaardbare verwaarlozing van archeologische (verwachtings)waarden.

Volgens de raad volgt uit het feit dat het onderwerp archeologie niet is meegenomen in de Provinciale Verordening Ruimte, dat het provinciebestuur erkent dat archeologie geen ruimtelijk onderwerp is met belangen die de gemeentegrenzen overstijgen en dat het gemeentebestuur een autonome bevoegdheid heeft op het gebied van archeologie.

Tot slot voert de raad aan dat het besluit op dit punt onevenredige gevolgen voor de bewoners en ondernemers in het plangebied met zich brengt.

2.5.2. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die vallen binnen de gebieden A, B, C, D of E zoals aangegeven op kaartblad 6 naast de overige op de kaart aan deze gronden gegeven bestemmingen eveneens bestemd voor het behoud van de aan deze gronden eigen zijnde archeologische waarden of de naar verwachting aan te treffen archeologische waarden. De desbetreffende gebieden hebben elk een eigen beschermingsregime.

Ingevolge het tweede lid is op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bebouwing toegestaan, voor zover geen bouwwerkzaamheden (waaronder begrepen: heien en slaan van damwanden) worden verricht die dieper reiken dan:

a. voor gebied A: het maaiveld;

b. voor gebied B: 0,5 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 100 m²;

c. voor gebied C: 0,8 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

d. voor gebied D: 0,4 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

e. voor gebied E: 4 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

f. voor gebied F: de onderwaterbodem en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m².

In het derde tot en met het vijfde lid zijn vrijstellingsbepalingen opgenomen van het tweede lid.

Ingevolge het zevende lid is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren, indien zij dieper reiken dan:

- voor gebied A: het maaiveld;

- voor gebied B: 0,5 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 100 m²;

- voor gebied C: 0,8 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

- voor gebied D: 0,4 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

- voor gebied E: 4 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

- voor gebied F: beneden de onderwaterbodem en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

a. het verlagen van de bodem of afgraven van gronden, waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;

b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen en ontginnen;

c. het omzetten van grasland in bouwland;

d. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;

e. het aanleggen van bos of boomgaard;

f. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;

g. het graven en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren;

h. alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten.

Ingevolge het negende lid geldt het bepaalde in het zesde en het zevende lid niet voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die betrekking hebben op normaal gebruik, onderhoud en beheer in verband met de onderliggende (mede)bestemming.

Ingevolge het tiende lid wordt een vergunning als bedoeld in het zesde of het zevende lid verleend, indien door het aanleggen van bovengenoemde werken of het uitvoeren van de bovengenoemde werkzaamheden, dan wel de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de in de bedoelde gronden aanwezige archeologische waarden niet worden of kunnen worden geschaad. Voor zover het om zwaarwichtige redenen niet mogelijk is de archeologische waarden geheel of gedeeltelijk te behouden, wordt de aanlegvergunning verleend onder de voorwaarde dat voorafgaand aan de werkzaamheden adequaat archeologisch onderzoek zal plaatsvinden.

Ingevolge het elfde lid dient de aanvrager van de aanlegvergunning aan het college van burgemeester en wethouders een schriftelijk advies van de archeologische deskundige omtrent het gestelde in het tiende lid over te leggen, alvorens het college van burgemeester en wethouders omtrent het verlenen van de aanlegvergunning beslist.

Ingevolge het twaalfde lid kunnen aan een aanlegvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen;

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een door het college van burgemeester en wethouders aan te stellen deskundige op archeologisch gebied.

2.5.3. Deze planvoorschriften zijn opgesteld met gebruikmaking van de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 39, 40 en 41 van de Monumentenwet 1988 zoals die artikelen luidden vóór de inwerkingtreding op 1 juli 2008 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), welke artikelen ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro van toepassing blijven ten aanzien van een bestemmingsplan - als het voorliggende - waarvan het ontwerp vóór 1 juli 2008 ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 41a van de Monumentenwet 1988 zijn de artikelen 39, 40 en 41 niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.

2.5.4. Volgens de Handreiking betreffende opstelling van en advisering over ruimtelijke plannen op grond van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, vastgesteld op 13 februari 2007, is archeologisch onderzoek niet nodig indien:

- aangetoond is dat er geen archeologische (verwachtings)waarden aanwezig zijn;

- werkzaamheden vergunningvrij op basis van het Bouwbesluit kunnen worden uitgevoerd;

- werkzaamheden niet dieper worden uitgevoerd dan 30 cm onder het maaiveld met uitzondering van AMK-terreinen;

- het plan een omvang kent van minder dan 100 m². Deze plannen zijn in beginsel vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

2.5.5. Het betoog van de raad dat het college niet bevoegd is op inhoudelijke gronden goedkeuring te onthouden aan delen van artikel 21 van de planvoorschriften, faalt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 januari 2010, nr. 200901881/1/R2 volgt uit de wetsgeschiedenis van de wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg dat het bestemmingsplan en de daarin gestelde eisen en voorschriften de basis vormen voor de behartiging van het (gemeentelijke) archeologische belang en dat het college in het kader van de goedkeuringsprocedure van een bestemmingsplan niet alleen bevoegd, maar ook verplicht is een inhoudelijk oordeel te geven over een planvoorschrift waarin een oppervlaktemaat is opgenomen die afwijkt van de in artikel 41a van de Monumentenwet 1988 genoemde oppervlaktemaat van 100 m2. Daarbij is niet van belang of het college het gebied al dan niet heeft aangewezen als attentiegebied als bedoeld in artikel 44 van die wet. Eveneens is niet relevant dat in de Provinciale Verordening Ruimte die is vastgesteld na het nemen van het bestreden besluit, geen regels aan archeologie zijn gewijd.

2.5.6. Ten aanzien van het betoog van de raad dat het gemeentelijke archeologiebeleid dusdanig uitgebreid en gemotiveerd is dat dat beleid kan dienen ter motivering van het gebruik van de in artikel 41a van de Monumentenwet 1988 gegeven mogelijkheid tot vaststelling van een oppervlaktemaat die afwijkt van de in dat artikel genoemde oppervlaktemaat van 100 m², overweegt de Afdeling dat het college de vrijheid heeft een beleidsuitgangspunt te kiezen voor het antwoord op de vraag in welke gevallen het goedkeuring verleent aan een planvoorschrift waarin een van de wettelijke oppervlaktemaat afwijkende oppervlaktemaat is opgenomen. Het college mag in dat verband een naar zijn oordeel voldoende mate van veldonderzoek eisen naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een gebied om met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te kunnen vaststellen of met het verruimen van de grens waarbij geen archeologische onderzoeksplicht geldt de archeologische waarden in een gebied niet in het geding zijn.

2.5.7. Tussen de raad en het college is niet in geschil dat het plangebied een gebied betreft met een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde. Het college acht, zoals ter zitting nader is toegelicht, een afwijking van de oppervlaktemaat van 100 m² in een dergelijk gebied toelaatbaar indien op grond van voldoende archeologische gegevens met voldoende spreiding over het plangebied kan worden geconcludeerd dat het hanteren van een ruimere ondergrens niet leidt tot schade aan de archeologische waarden. Volgens het college blijkt noch uit de plantoelichting nog uit het onderliggende archeologische beleid van de gemeente, dat hieraan is voldaan.

In de plantoelichting is geen verklaring gegeven waarom de oppervlaktemaat van 100 m² naar 200 m² kan worden gewijzigd. Voorts is ter zitting vast komen te staan dat in het plangebied geen proefboringen zijn verricht. Voor zover de raad heeft betoogd dat het archeologiebeleid van de gemeente de motivering bevat voor die afwijkende oppervlaktemaat, wordt overwogen dat uit deze stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken van een archeologisch onderzoek binnen het plangebied dat deze afwijking rechtvaardigt. De omstandigheid dat de raad voor een aantal gebieden in het plangebied een hogere trefkans heeft opgenomen dan op basis van het provinciale beleid noodzakelijk is, maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van voldoende onderzoeksgegevens die een afwijking van de in artikel 41a van de Monumentenwet 1988 genoemde oppervlaktemaat rechtvaardigen.

2.5.8. De conclusie is dat hetgeen de raad heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond

Goedkeuring - de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] en anderen

2.6. [appellant sub 1] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied D" wat betreft zijn gronden aan de [locatie 1]. Ten onrechte moet indien ter plaatse dieper dan 40 cm wordt gegraven een aanlegvergunning (thans: omgevingsvergunning) worden aangevraagd. In dit kader voert hij aan dat ter plaatse van zijn bedrijf nimmer archeologische vondsten zijn gedaan en dat er in het gebied al jarenlang grondbewerkingen plaatsvinden en drainage is aangelegd op meer dan 1 m diep. Volgens hem dient het plan te voorzien in een regeling die het graven tot 1 m diepte of het ophogen tot 1 m hoogte zonder vergunning mogelijk maakt. In dit verband wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2009 in zaak nr. 200708872/1, waaruit volgens hem volgt dat hij recht heeft op een dergelijke regeling in het onderhavige geval.

[appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] en anderen richten zich in beroep tegen de goedkeuring van de plandelen met de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied". Zij voeren aan dat bijna voor het gehele buitengebied deze bestemming is opgenomen terwijl een groot deel van de gronden deze waarde in het geheel niet bezit, waaronder hun eigen gronden. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat in verband met de aanleg van een drainagesysteem tot op 1,20 meter onder maaiveld is gegraven op een groot deel van hun percelen en dat daarnaast op een groot aantal van hun percelen egaliserende werkzaamheden zijn uitgevoerd. Zij betogen dat de medebestemming ten onrechte vergaande verplichtingen voor hen met zich brengt. Het is volgens hen onredelijk archeologisch gerelateerde kosten bij de eigenaar of gebruiker van de gronden te leggen.

2.6.1. Het college stelt zich te kunnen vinden in de regeling voor archeologie zoals deze in het plan is neergelegd, met uitzondering van de in overweging 2.5 genoemde planonderdelen.

Het college betoogt dat het in het plan opgenomen aanlegvergunningstelsel niet onnodig beperkend is gelet op de aanwezige archeologische waarden en de trefkans.

2.6.2. Aan de gronden van [appellant sub 1] is in het plan de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied D" toegekend.

De gronden van [appellant sub 2] en anderen hebben in het plan de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied C" gekregen.

Aan de gronden van [appellant sub 3] en anderen is in het plan, voor zover hier van belang, de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied C" dan wel "Archeologisch waardevol gebied D" toegekend.

2.6.3. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde ten tijde van de vaststelling van het plan, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de WRO en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Ingevolge artikel 39 kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de WRO verplicht worden gesteld.

Ingevolge het tweede lid kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een aanlegvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, kunnen ingevolge het derde lid in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het college van burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

2.6.4. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 is de Afdeling van oordeel dat op het gemeentebestuur de plicht rust zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het voldoen aan die verplichting klemt temeer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt om de kosten voor het archeologische onderzoek dat verplicht wordt gesteld bij een aanvraag voor een vergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers.

2.6.5. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

2.6.6. Volgens de plantoelichting heeft bij het toekennen van de desbetreffende medebestemmingen de beleidsnota archeologische monumentenzorg gemeente Bernisse alsmede de Archeologische Waardenkaart Bernisse, die het bureau Bureau Oudheidkundig Bodemonderzoek van de dienst gemeentewerken van Rotterdam (BOOR) in opdracht van het gemeentebestuur heeft opgesteld, als uitgangspunt gediend.

2.6.7. Voor het opnemen van een beschermingsregeling die ziet op archeologie, is niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vast staat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college in zoverre gebrekkige onderzoeksgegevens aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat ondanks dat plaatselijk in meer en mindere mate werkzaamheden in de bodem hebben plaatsgevonden, aannemelijk is dat archeologische sporen in het gebied voorkomen.

2.6.8. Nu het voorliggende plan een conserverend plan is waarin de voorheen geldende bestemmingen en gebruiksmogelijkheden op hoofdlijnen worden voortgezet en waarin de bescherming van de archeologische waarden thans wordt ingepast, heeft het college, mede gelet op de aard van die waarden, in navolging van de raad de keuze kunnen maken die waarden onder meer voor de gronden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] en anderen in beginsel te behouden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verder onderzoek kan plaatsvinden in het kader van aanvragen om bouw- en aanlegvergunningen. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat aan de Monumentenwet 1988 het beginsel ten grondslag ligt dat de verstoorder van het bodemarchief dient bij te dragen aan de kosten voor het archeologische onderzoek ter bescherming van dat bodemarchief.

Naar niet in geschil is bestaat de mogelijkheid dat de bodemkundige bewerkingen als vermeld in het zevende lid van artikel 21 van de planvoorschriften dieper reiken dan de in dit artikellid aangegeven diepten beneden maaiveld. Derhalve is beschadiging van het bodemarchief mogelijk waardoor de daarin opgeslagen informatie verloren kan gaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit aanlegvergunningstelsel een onevenredige belemmering zal vormen voor de agrarische bedrijfsvoering. Hierbij is in aanmerking genomen dat onder meer werken en werkzaamheden die betrekking hebben op normaal gebruik, onderhoud en beheer in verband met de onderliggende (mede)bestemming ingevolge het negende lid van artikel 21 van de aanlegvergunningplicht zijn uitgezonderd. Voor zover [appellant sub 1] in zijn reactie op het deskundigenbericht heeft gewezen op het feit dat om aan de emissienorm van 0 voor meststoffen te voldoen, hij zonder vergunning waterdichte teeltvloeren en leidingen moet kunnen aanleggen, overweegt de Afdeling dat de raad en het college ter zitting hebben toegelicht dat het plan in zoverre niet aan vervanging van reeds aanwezige teeltvloeren en leidingen in de weg staat.

2.6.9. Gelet op de mate van het reeds door de raad verrichte onderzoek, is niet aannemelijk dat de kosten die de aanvrager van een bouw- of aanlegvergunning moet maken voor het doen verrichten van wellicht enig veldonderzoek ten behoeve van een over te leggen rapport omtrent de archeologische waarde van het terrein onevenredig zijn. Voor de kosten die zijn gemoeid met het voldoen aan de voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan zodanige vergunning kunnen worden verbonden, is in artikel 42 van de Monumentenwet 1988 een schadevergoedingsregeling opgenomen. Ingevolge dat artikel kent het college van burgemeester en wethouders de aanvrager van onder meer een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening of van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien blijkt dat die aanvrager tengevolge van de weigering van de vergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg of ten gevolge van voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan het desbetreffende besluit zijn verbonden, schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Mede gelet op deze wettelijke schadevergoedingsregeling is niet aannemelijk gemaakt dat dit plan de aanvragers van een bouw- of aanlegvergunning een financiële last zou opleggen die niet in een redelijke verhouding staat tot de investering die is gemoeid met het project waarvoor een bouw- of aanlegvergunning nodig zal zijn.

2.6.10. De conclusie is dat de betogen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] en anderen met betrekking tot het aspect archeologie falen.

De beroepen van [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] en anderen met betrekking tot de stiltegebieden

2.7. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] en anderen kunnen zich niet verenigen met de uitbreiding van stiltegebieden. Zij vrezen voor beperkingen in hun agrarische bedrijfsvoering. Het voorkomen van de vestiging van hondenasiels kan volgens hen beter door het opnemen van bestemmingen op perceelsniveau geregeld worden, dan via het instellen van stiltegebieden.

2.7.1. Het college stelt dat het stiltegebied ten zuiden van Zuidland is aangewezen door provinciale staten. Binnen het stiltegebied gelden beperkingen op grond van de Provinciale Milieuverordening. Dit staat los van het thans voorliggende bestemmingsplan. Aanvullend op de Provinciale Milieuverordening kunnen in het bestemmingsplan beperkingen worden opgenomen om verstoring van stiltegebieden te voorkomen. In het plan zijn beperkingen opgenomen voor het oprichten van een dierenpension/ hondenfokkerij en voor activiteiten gericht op de africhting van honden.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat uitsluitend het besluit tot goedkeuring van het plan ter toetsing voorligt. Op de plankaart zijn geen stiltegebieden bestemd of aangeduid. Voor zover [appellant sub 2] en anderen en Marion en anderen hebben gewezen op de pagina's 61 en 70 en figuur 9.1 bij de plantoelichting, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting geen deel uit maakt van het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan, zodat daar geen betekenis aan kan worden toegekend. Overigens betreft het hier een weergave van hetgeen in het provinciale milieubeleidsplan en de provinciale milieuverordening is geregeld.

De betogen missen feitelijke grondslag.

De overige beroepsgronden wat betreft de Beningerwaard en Buitengorzen Beningerwaard van [appellant sub 2] en anderen

2.8. [appellant sub 2] en anderen richten zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" met de subbestemming "Extensieve dagrecreatie (Nr)" wat betreft de polder Beningerwaard en het plandeel met de bestemming "Natuurgebied", de subbestemming "Extensieve dagrecreatie (Nr)" en de medebestemming "Primair waterkeringsdoeleinden" wat betreft de polder Buitengorzen Beningerwaard.

[appellant sub 2] en anderen betogen ten eerste dat bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen milieu-effectrapport is gemaakt. Volgens hen was het - al dan niet op basis van een expliciete verplichting - nodig een milieu-effectrapport op te stellen. Zij hebben in dit verband gewezen op categorie 10.1 van de onderdelen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994.

2.8.1. Aan de polder Beningerwaard is in het plan de bestemming "Natuurgebied" met de subbestemming "Extensieve dagrecreatie (Nr)" toegekend. Aan de polder Buitengorzen Beningerwaard is in het plan de bestemming "Natuurgebied", de subbestemming "Extensieve dagrecreatie (Nr)" en de medebestemming "Primaire waterkeringsdoeleinden" toegekend.

2.8.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit milieueffectrapportage 1994 worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a respectievelijk onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C respectievelijk in onderdeel D van de bijlage zijn omschreven.

In onderdeel C van de bijlage wordt in categorie 10.1 als activiteit vermeld de aanleg van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een voorziening of een combinatie van voorzieningen die 500.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt, een oppervlakte beslaat van 50 ha of meer, of een oppervlakte beslaat van 20 ha of meer in een gevoelig gebied.

In onderdeel D wordt in categorie 10.1 als activiteit vermeld de aanleg van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een voorziening of een combinatie van voorzieningen die 250.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt, een oppervlakte beslaat van 25 ha of meer, of een oppervlakte beslaat van 10 ha of meer in een gevoelig gebied.

In onderdeel A wordt onder een gevoelig gebied onder meer verstaan: een gebied dat krachtens:

1°. artikel 10, eerste lid, of 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is aangewezen als een beschermd natuurmonument;

2°. artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is aangewezen als een gebied ter uitvoering van richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) en richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn).

2.8.3. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit milieueffectrapportage 1994 worden onder recreatieve of toeristische voorzieningen verstaan omvangrijke projecten zoals "pretparken", themaparken, skibanen, vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, havens voor de pleziervaart, permanente kampeer- en caravanterreinen, en grootschalige voorzieningen voor manifestaties, evenementen en tentoonstellingen.

2.8.4. Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Natuurgebied" met de subbestemming "Nr" bestemd voor de ontwikkeling van natuurgebied met extensieve dagrecreatie en de bescherming en beheer daarvan.

In artikel 1, onder 33, is bepaald dat onder extensieve dagrecreatie niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie worden verstaan.

Ingevolge artikel 18 zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Primair waterkeringsdoeleinden" primair bestemd voor dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.

2.8.5. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een gebruik van de voor natuurgebied bestemde gronden overeenkomstig de in de artikelen 10 en 18 van de planvoorschriften genoemde doeleinden niet een gebruik met zich als toeristische of recreatieve voorziening als bedoeld in categorie 10.1 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Gelet hierop is reeds hierom voor dit plandeel geen milieu-effectrapport vereist. Het betoog faalt.

2.9. [appellant sub 2] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte is voorzien in een rioolwaterpersleiding vanuit Goudswaard naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Hellevoetsluis. Het tracé van de rioolwaterpersleiding loopt deels langs hun gronden. Zij vrezen problemen in de vorm van wateroverlast te ondervinden wanneer de rioolwaterzuiveringsinstallatie overbelast is en niet al het af te voeren water kan verwerken.

2.9.1. Het college betoogt dat volgens bij het waterschap ingewonnen informatie er voldoende capaciteit is om het aanbod van afvalwater te verwerken.

2.9.2. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen grond om ervan uit te gaan dat het college zich op onjuiste gegevens over de afvoer van afvalwater heeft gebaseerd. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt, dat calamiteiten als door [appellant sub 2] en anderen bedoeld zich zullen voordoen. Het betoog faalt.

2.10. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt en niet verzekerd is voor zover het verband houdt met het project Deltanatuur.

2.10.1. De Afdeling overweegt dat in de plantoelichting is vermeld dat het plan grotendeels consoliderend van aard is en niet voorziet in de uitvoering van werken of werkzaamheden van de zijde van de gemeente. Het project Spuimonding-West wordt uitgevoerd in het kader van het project Deltanatuur. In het kader van Deltanatuur voeren de uitvoeringsorganisaties Dienst Landelijk Gebied en Rijkswaterstaat de aankoop en de inrichting van de nieuwe natuurgebieden uit. De provincie Zuid-Holland heeft voor het project Deltanatuur de benodigde gelden gereserveerd. Het college heeft ter zitting gesteld dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het plan in zoverre financieel uitvoerbaar was. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt financieel uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

2.11. [appellant sub 2] en anderen betogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat natuur ter plaatse gewenst is. Zij betwijfelen of natuurontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de reeds bestaande recreatiemogelijkheden.

[appellant sub 2] en anderen voeren aan dat draagvlak voor de voorziene ontwikkelingen ontbreekt. Voorts vrezen zij dat het plan op dit punt ernstige overlast van ganzen, muggen en extra onkruiddruk met zich brengt. [appellant sub 2] en anderen voeren voorts aan dat omvorming tot moerasachtige natuur gevaren voor de volksgezondheid en extra uitstoot van methaan en CO2 met zich brengt. [appellant sub 2] en anderen vrezen verder voor de sloop van de monumentale boerderij aan de Zuidoordsedijk 13 en in het verlengde daarvan voor verpaupering van het gebied en voor vandalisme. Zij wijzen er op dat het project Deltanatuur alleen in buitendijkse gebieden zou worden aangelegd. De polder Beningerwaard is echter volgens hen binnendijks gelegen.

2.11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming in overeenstemming is met het streekplan RR 2020 en met het provinciale project Deltanatuur. In de door [appellant sub 2] en anderen aangevoerde bezwaren ziet het college geen aanleiding af te wijken van het beleid. Hierbij betrekt het college dat enige overlast voor nabij gelegen agrarische bedrijven door extra onkruiddruk of wildschade niet geheel is uit te sluiten, maar dat niet te verwachten is dat de agrarische bedrijfsvoering hierdoor in het gedrang komt. De dijk tussen het natuurproject en de agrarische percelen vormt naar het standpunt van het college enigszins een buffer. Voor eventuele wildschade kan onder voorwaarden een beroep worden gedaan op het Faunafonds.

2.11.2. In het streekplan RR 2020 zijn de polders Beningerwaard en Beningerwaard Buitengorzen op de streekplankaart aangeduid als "natuurgebied te ontwikkelen" met de nadere aanduiding "gebied met (inter)nationale natuurbescherming". Volgens het streekplan RR 2020 dient onder een gebied met (inter)nationale natuurbescherming te worden verstaan een (natuur)gebied dat (inter)nationale bescherming geniet volgens de EU-Habitatrichtlijn, de EU-Vogelrichtlijn en/of de Natuurbeschermingswet. Natuur is de hoofdfunctie, extensief medegebruik is, waar inpasbaar, toegestaan, aldus het streekplan RR 2020. In gebieden met de aanduiding "natuurgebied, te ontwikkelen" heeft natuur de hoofdfunctie, aldus het streekplan. Extensief recreatief medegebruik is, waar inpasbaar, toegestaan.

2.11.3. Nu het college in het bestreden besluit naar voornoemde aanduidingen in het streekplan RR 2020 heeft verwezen alsmede heeft gewezen op het in gang gezette project Deltanatuur, is de Afdeling van oordeel dat het college afdoende gemotiveerd heeft waarom ter plaatse natuurontwikkeling met extensieve recreatie gewenst is.

Voorts overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat door of namens het college dan wel de raad is toegezegd dat het project Deltanatuur uitsluitend in buitendijkse gebieden zou worden aangelegd. Niet in geschil is dat het plan op dit punt enige overlast voor nabij gelegen agrarische bedrijven door extra onkruiddruk of wildschade met zich kan brengen. Het college heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet zodanig is dat hieraan een zwaar gewicht toekomt. Hierbij betrekt de Afdeling dat er een dijk is gelegen tussen de in geding zijnde gronden en de omliggende gronden. Verder is gebleken dat er in de huidige situatie reeds enkele natuurgebieden aanwezig zijn in de omgeving van het agrarisch gebied.

Ten aanzien van het betoog dat de omvorming tot moerasachtige natuur gevaren voor de volksgezondheid en extra uitstoot van methaan en CO2 met zich brengt, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat ten gevolge van het plan op dit punt de volksgezondheid ter plaatse onevenredig wordt aangetast dan wel de hoeveelheid methaan en CO2 ernstig toeneemt.

Het college heeft onweersproken verklaard dat het pand aan de Zuidoordsedijk 13 is aangekocht en te zijner tijd zal worden gesloopt.

Het college heeft in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat dit als zodanig niet leidt tot verpaupering en of vandalisme.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval in redelijkheid niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Uit hetgeen is aangevoerd over het ontbreken van draagvlak, volgt niet dat de uitvoerbaarheid van het plan op dit punt in gevaar is.

2.12. [appellant sub 2] en anderen stellen dat de haven vlakbij Zuidoordsedijk 13 ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

2.12.1. De gronden ten zuiden van de Zuidoordsedijk zijn bestemd tot "Natuurgebied" met de subbestemming "Nr".

2.12.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Natuurgebied" bestemd voor behoud, bescherming en beheer van aanwezige natuurgebieden. Ter plaatse van de subbestemming "Nr" zijn de gronden bestemd voor de ontwikkeling van natuurgebied met extensieve dagrecreatie en de bescherming en beheer daarvan.

Ingevolge artikel 1, onder 33, van de planvoorschriften wordt onder extensieve dagrecreatie verstaan niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.

2.12.3. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat de haven in het kader van het inrichtingsplan Spuimonding-West kan worden ingepast. Ter zitting is gebleken dat bij de voorbereiding van het plan en het bestreden besluit de situering van de haven niet goed onder ogen is gezien, maar dat niet is beoogd de haven niet als zodanig te bestemmen. Aangezien echter uit de planvoorschriften volgt dat binnen de bestemming "Natuurgebied" met de subbestemming "Nr" aanlegplaatsen niet zonder meer zijn toegestaan is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Dit betoog slaagt.

2.13. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 2] en anderen dat meer ruimte voor waterberging niet nodig is in de polder Beningerwaard en de Buitengorzen Beningerwaard, overweegt de Afdeling dat het plan daarin ook niet voorziet. Het betoog mist feitelijke grondslag.

Conclusie ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.14. Hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ten aanzien van de haven vlakbij Zuidoordsedijk 13 geeft aanleiding voor het oordeel dat het beroep in zoverre gegrond is en het bestreden besluit voor zover het betreft de goedkeuring van dit plandeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling ziet aanleiding goedkeuring te onthouden aan dit deel van het plan.

Verder geeft hetgeen [appellant sub 2] en anderen voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 2] en anderen zijn in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] voor het overige wat betreft het perceel [locatie 1]

Caravanstalling

2.15. [appellant sub 1] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Ashs" wat betreft het perceel [locatie 1] te Geervliet. [appellant sub 1] betoogt ten eerste dat ten onrechte het gebruik van de kassen op zijn perceel als caravanstalling ter plaatse niet als zodanig is bestemd. Hij voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het college van het provinciaal beleid in het onderhavige geval had moeten afwijken.

Volgens [appellant sub 1] bestaat grote behoefte aan de caravanstalling. Hij stelt dat ter plaatse geen bijzondere landschappelijke en natuurlijke waarden aanwezig zijn, die door de stalling aangetast kunnen worden. [appellant sub 1] wijst er op dat het perceel door een coniferenhaag aan het zicht wordt onttrokken. De caravanstalling brengt volgens [appellant sub 1] geen overlast met zich.

Voorts betoogt [appellant sub 1] dat de nabijgelegen caravanstalling op de hoek Stationsweg/Drieëndijk van [belanghebbende] wel als zodanig is bestemd. Het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de stalling als zodanig bestemd zou worden, aldus [appellant sub 1].

Verder betoogt [appellant sub 1] dat zonder de caravanstalling het perceel niet rendabel te maken is en dat door het toekennen van een maatbestemming het risico van ongewenste bedrijfsontwikkeling kan worden voorkomen. Ten slotte betoogt hij dat de huidige caravanstalling een goede overgang vormt naar het te realiseren haven- en industriecomplex en er geen alternatieve locatie is waar [appellant sub 1] de caravanstalling kan exploiteren.

2.15.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in de Nota Regels voor Ruimte, die samen met het streekplan RR 2020 het provinciaal beoordelingskader vormt voor ruimtelijke plannen, is bepaald dat onder voorwaarden hergebruik mogelijk is van vrijkomende agrarische bebouwing. Eén van de voorwaarden is dat de nieuwe functie wordt gehuisvest in de bestaande bebouwing, niet zijnde glasopstanden. De vestiging van een caravanstalling in kassen is daarom niet in overeenstemming met het provinciale beleid. [appellant sub 1] heeft geen zwaarwegende redenen aangevoerd die afwijking van het provinciale beleid rechtvaardigen, aldus het college. In navolging van de raad stelt het college zich op het standpunt dat de keuze voor aanvullende teelt om de leegstand tegen te gaan, meer voor de hand ligt dan de keuze voor een niet-agrarische activiteit. Het gemeentebestuur heeft volgens het college procedures gevoerd om het bestemmingsplan te handhaven. Het college gaat er dan ook vanuit dat het gebruik in de komende planperiode in overeenstemming zal zijn of worden gebracht met het voorliggende bestemmingsplan.

2.15.2. [appellant sub 1] exploiteert aan de [locatie 1] een sierteeltbedrijf en handels- en exportbedrijf dat ongeveer 2,8 hectare bestrijkt. Op de gronden is een bedrijfswoning aanwezig, een vrijstaande loods en een loodskas. Het grootste deel van de loodskas heeft een stalen constructie met een dak van glas, waarvan de wanden bestaan uit damwanden en waarvan de ondergrond bestaat uit een asfaltvloer (hierna: gebouwdeel I). Een gedeelte van de bebouwing (het westelijke deel) heeft wel de stalen constructie, maar geen dak en geen zijwanden (hierna: gebouwdeel II). Gebouwdeel I wordt gebruikt voor de stalling van caravans en campers. Gebouwdeel II wordt gebruikt voor de teelt van coniferen. Ook de aan gebouwdeel II grenzende open gronden worden gebruikt voor deze teelt.

2.15.3. Aan het perceel [locatie 1] is de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Ashs", toegekend.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarische doeleinden" ter plaatse van de subbestemming "Ashs" bestemd voor grondgebonden veehouderij/akkerbouw/opengrondse tuinbouw en fruitteelt en tevens voor sierteelt en in combinatie daarmee de handel (im- en export daaronder begrepen) van sierteeltgewassen en andere planten en bomen.

Met deze regeling is het gebruik van gebouwdeel I als caravanstalling niet als zodanig bestemd.

2.15.4. Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders [appellant sub 1] op straffe van een dwangsom gelast vóór 1 december 2002 de illegale bebouwing op het perceel [locatie 1] te verwijderen en het illegale gebruik van het perceel te beëindigen. Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit in zoverre herroepen en voor het overige opnieuw ongegrond verklaard, met dien verstande dat de begunstigingstermijn tot 1 september 2007 is verlengd.

Bij besluit van 24 september 2004 heeft het college geweigerd [appellant sub 1] onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een loodskas op het perceel en vrijstelling voor het gebruik van het perceel voor het stallen van caravans. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 september 2009 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] tegen de besluiten van 19 en 21 december 2006 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het door [appellant sub 1] tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200908141/1 ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft in die uitspraak onder meer overwogen:

"2.4.2. Na de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2006 in zaak nr. 200501523/1 staat vast dat de last betrekking heeft op het gebouw en dat is opgericht, zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning, zodat het college daartegen handhavend kon optreden. Uit de uitspraak vloeit ook voort dat het college handhavend tegen het gebruik van het oostelijk deel van het perceel voor het stallen van de caravans kon optreden wegens strijd met de ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" daarop rustende bestemming en [appellant sub 1] aan het overgangsrecht van het bestemmingplan "Buitengebied" geen bescherming daartegen kan ontlenen.

Het betoog faalt.

(…)

2.6.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 januari 2006 geen bijzondere omstandigheden aangenomen, in verband waarmee het college niet handhavend tegen de stalling mocht optreden, en geoordeeld dat de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college de bevoegdheid daartoe niet mocht aanwenden. De door [appellant sub 1] aangevoerde beroepsgronden zijn dezelfde als die, waar de Afdeling in deze uitspraak een oordeel over heeft gegeven. Er is geen aanleiding daar thans anders over te oordelen.

(…)

2.8.1. (…) In het door het college gevolgde advies van de Milieudienst Rijnmond van 11 mei 2005 is uiteengezet, dat en waarom de agrarische functie van het perceel nog kan worden vervuld. In het door [appellant sub 1] overgelegde rapport van LTO Noord Advies van april 2010 is weliswaar uiteengezet dat de door [appellant sub 1] gedreven onderneming ongeschikt is voor boom- of vaste plantenkwekerij, doch daaruit volgt niet dat het niet meer mogelijk is om het perceel overeenkomstig de daarop rustende agrarische bestemmingen te gebruiken.

(…)

2.9.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het stallen van caravans in de huidige omvang op het perceel in strijd is met het gevoerde provinciale beleid, zoals neergelegd in Nota Planbeoordeling en de daaropvolgende Nota Regels voor Ruimte. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 januari 2006 met betrekking tot de Nota Planbeoordeling overwogen dat het stallen van caravans op het oostelijk deel van het perceel niet in het provinciaal beleid met betrekking tot bedrijfsfuncties in voormalige agrarische bedrijfsgebouwen past, nu dat plaatsvindt in kassen en daarmee in strijd is met het in de Nota Planbeoordeling neergelegde uitgangspunt dat bedrijfsfuncties in glasopstallen niet zijn toegestaan. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. Het gevoerde beleid is met de Nota Regels voor Ruimte niet gewijzigd, nu hierin is opgenomen dat vestiging van niet-agrarische functies in vrijkomende agrarische bebouwing mogelijk is, mits onder meer de nieuwe functie wordt gehuisvest in de bestaande bebouwing, niet zijnde glasopstanden. Het zich op het westelijk deel van het perceel bevindende gebouw is voorts geen voormalig agrarisch bedrijfsgebouw nu, zoals hiervoor onder 2.8.1 is overwogen, de agrarische functie nog kan worden vervuld. Het daar stallen van caravans is reeds om die reden in strijd met het gevoerde provinciale beleid.

(…)

Zij heeft evenzeer met juistheid in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de belangen onvoldoende zorgvuldig zijn afgewogen. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat het college de ruimtelijke belangen in redelijkheid niet heeft kunnen laten prevaleren boven dat van [appellant sub 1] bij de door hem verzochte vrijstelling. De aanwezigheid van een coniferenhaag die, naar [appellant sub 1] stelt, direct zicht op de caravanstalling verhindert, is daarvoor onvoldoende. Het is voorts, anders dan [appellant sub 1] betoogt, zoals hiervoor onder 2.8.1 overwogen, mogelijk om het perceel in overeenstemming met de bestemming te gebruiken. Voor het oordeel dat het college ten onrechte geen alternatieve locatie voor het stallen van caravans heeft gezocht bestaat geen grond. Daartoe bestond voor hem geen verplichting. [appellant sub 1] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat namens het college toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd [appellant sub 1] dat het vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen. Het door [appellant sub 1] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank terecht evenmin gehonoreerd."

Gegeven de uitspraak van 23 juni 2010 heeft het college terecht gesteld dat de wens van [appellant sub 1] tot het als zodanig bestemmen van zijn caravanstalling in strijd is met het provinciale beleid. De door [appellant sub 1] aangevoerde omstandigheden voor afwijking van het provinciale beleid zijnde de coniferenhaag, het zonder caravanstalling niet kunnen exploiteren van het bedrijf, toezeggingen en het gelijkheidsbeginsel, zijn dezelfde als die [appellant sub 1] heeft aangevoerd in het kader van zaak nr. 200908141/1/H1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 juni 2010 hierover een oordeel gegeven. Er bestaat geen aanleiding daar thans anders over te oordelen.

In de uitspraak van 18 januari 2006 in zaak nr. 200501523/1, waarnaar in de uitspraak van 23 juni 2010 wordt verwezen, heeft de Afdeling reeds overwogen dat de door [appellant sub 1] aangevoerde bedrijfseconomische belangen en de stelling dat de landschappelijke waarden van de percelen door de aanwezige caravans niet worden aangetast, wat daar ook van zij, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders af diende te zien van handhaving. In hetgeen [appellant sub 1] thans heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding hierover in het kader van de vraag of het college aanleiding had moeten zien af te wijken van het provinciale beleid wat betreft het besluit omtrent goedkeuring van de voorliggende planregeling anders te oordelen.

Het college heeft evenmin in de enkele gestelde omstandigheden dat behoefte bestaat aan de caravanstalling, dat de caravanstalling geen overlast veroorzaakt en er geen alternatieve locatie voorhanden is aanleiding behoeven te zien af te wijken van het provinciale beleid.

Het betoog faalt.

Loods

2.16. [appellant sub 1] betoogt dat het [bedrijf], dat sinds september 1998 in de loods op zijn perceel wordt geëxploiteerd, ten onrechte niet als klein bouwbedrijf in het bestemmingsplan is opgenomen.

2.16.1. Een gedeelte van de loods op het perceel [locatie 1] wordt gebruikt voor de opslag en het sorteren van bouwmaterialen voor een aannemersbedrijf. Met de regeling in het plan voor het perceel [locatie 1] zoals weergegeven in 2.15.3. is het gebruik van de loods niet als zodanig bestemd.

2.16.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het [bedrijf] ter plaatse niet gewenst is nu het geen agrarisch bedrijf betreft. Ter zitting is vast komen te staan dat het gebruik van de gronden ten behoeve van een klein bouwbedrijf onder het vorige plan evenmin als zodanig was bestemd.

Mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om een activiteit in het agrarisch gebied heeft naar het oordeel van de Afdeling het college in navolging van de raad in redelijkheid kunnen oordelen dat aan het bestaande gebruik geen doorslaggevende betekenis toekomt.

Het betoog faalt.

Goothoogte en bouwmassa

2.17. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte wat betreft zijn gronden op het perceel [locatie 1] een maximale goothoogte van 5 m mogelijk maakt. [appellant sub 1] wenst een goothoogte van 7 m. Een open landschappelijk gebied is er ter plaatse niet en zou er al sprake zijn van openheid van het gebied, dan brengt een bouwwerk met een goothoogte van 7 m geen aantasting met zich, gelet op de aanwezige coniferenhaag, aldus [appellant sub 1]. Hij voert verder aan dat het voor het perceel [locatie 1] toegestane bebouwingsoppervlak te klein is.

2.17.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een maximale goothoogte van 5 m en een maximale bouwhoogte van 7 m aanvaardbaar is gelet op de ligging van het bedrijf buiten de concentratiegebieden voor glastuinbouw of voor sierteelt. Een grotere bouwhoogte zou afbreuk doen aan het karakter van het buitengebied. De aanwezigheid van een coniferenhaag doet hier niet aan af, aldus het college.

Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat niet is aangetoond dat uitbreidingsruimte in de vorm van nieuwe bouwvlakken nodig is, omdat de bebouwing thans al gedeeltelijk wordt gebruikt voor andere dan agrarische doeleinden. Verder zouden nieuwe bouwvlakken de openheid en het karakter van het landelijk gebied kunnen aantasten.

2.17.2. Ingevolge artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften bedraagt ter plaatse van de subbestemming "Ashs" de maximale goothoogte 5 m en de maximale bouwhoogte 7 m voor loodskassen en overige gebouwen en het maximale bebouwingsoppervlak 6.000 m².

2.17.3. De huidige goothoogte van de opstallen op het perceel [locatie 1] is volgens het deskundigenbericht 4 m. Gebleken is dat de coniferen die ter plaatse worden geteeld 3,5 m hoog kunnen worden. De toegestane goothoogte van 5 m biedt met een efficiënte inrichting van de loodskassen voldoende ruimte voor de huidige teelt door [appellant sub 1], aldus het deskundigenbericht. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Voorts is niet betwist dat een deel van de bebouwing van het bedrijf van [appellant sub 1] wordt gebruikt voor andere dan agrarische doeleinden.

Voorts heeft het college aannemelijk gemaakt dat bouwwerken met een goothoogte hoger dan 5 m en vergroting van het bouwvlak in dit geval afbreuk kunnen doen aan het karakter van het buitengebied. De enkele stelling dat om het perceel een coniferenhaag is gelegen, maakt dit in het onderhavige geval niet anders.

In hetgeen [appellant sub 1] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich op onjuiste gegevens heeft gebaseerd. Het betoog faalt.

Nevenfuncties

2.18. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte nevenfuncties niet zijn toegestaan in de loodskassen op zijn perceel. Hij stelt dat een nevenfunctie van een perceel met een agrarische functie per definitie een niet-agrarische functie is. In dit verband wijst hij op de nota Regels voor Ruimte, welke als voorbeelden van nevenfuncties in agrarisch gebied onder andere noemt zorg en minicampings.

2.18.1. Het college stelt zich op het standpunt dat op grond van het provinciaal beleid alleen nevenfuncties zijn toegestaan binnen bestaande bebouwing op bouwpercelen. De vestiging van nevenfuncties in kassen buiten de bouwpercelen is niet toegestaan. Voorts stelt het college zich in navolging van de raad op het standpunt dat afbraak van kassen die overbodig zijn geworden de voorkeur verdient en dat bij nevenfuncties eerder gedacht moet worden aan aanvullende teelten of jaarrondteelt.

2.18.2. In artikel 26 van de planvoorschriften is in relatie tot de bestemmingen en bouwmogelijkheden in tabel 4.1. voor de diverse deelgebieden aangegeven welke nevenfuncties op bouwvlakken passend/toelaatbaar zijn, met inachtneming van de daarbij behorende voorschriften.

Ingevolge de voorschriften bij tabel 4.1 onder 2 zijn de bedoelde functies alleen toegestaan in bestaande gebouwen (met uitzondering van kassen en loodskassen) en bij wijze van neventak bij volwaardige agrarische bedrijven.

2.18.3. In de Nota Regels voor Ruimte is bepaald dat nevenactiviteiten (bijvoorbeeld zorg, minicampings en overige agro-gerelateerde voorzieningen) kunnen plaatsvinden onder de voorwaarde - voor zover hier van belang - dat de activiteit moet plaatsvinden binnen het agrarisch bouwperceel. Naar het oordeel van de Afdeling sluit het beleid slechts nevenactiviteiten buiten het agrarisch bouwperceel uit. Nu de regeling in het bestemmingsplan ook (loods)kassen op een agrarisch bouwperceel van nevenfuncties uitzondert, is de Afdeling van oordeel dat het college in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in het voorliggende plan een strenger beleid is opgenomen dan in het provinciale beleid. Het betoog slaagt.

Het beroep van [appellant sub 1] wat betreft de gronden tussen de Hendrik Ponseweg en de Sportlaan

2.19. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in verwezenlijking van zijn plannen voor het kweken/telen van bio-energie op het perceel tussen de Hendrik Ponseweg en de Sportlaan.

2.19.1. Het college onderschrijft het standpunt van de raad dat voorzieningen voor bio-energie een grote ruimtelijke impact kunnen hebben en dat zonder concrete gegevens over de plannen van [appellant sub 1] het niet wenselijk is hiervoor een regeling in het plan op te nemen.

2.19.2. [appellant sub 1] heeft gronden aangekocht tussen de Hendrik Ponseweg en de Sportlaan. In totaal beslaan de gronden ongeveer acht hectare. In het plan zijn de gronden bestemd voor "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Ava".

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarische doeleinden" ter plaatse van de subbestemming "Ava" bestemd voor grondgebonden veehouderij/akkerbouw/opengrondse tuinbouw en fruitteelt.

Een dergelijke bestemming maakt het telen van gewassen die gebruikt kunnen worden voor het opwekken van bio-energie mogelijk. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 1] geen concrete plannen heeft voor een op het telen van gewassen die gebruikt kunnen worden voor de opwekking van bio-energie, gerichte bedrijfsvoering. Nu er ter plaatse geen bouwvlak is opgenomen, maakt het plan het oprichten van gebouwen niet mogelijk. Onweersproken is dat bebouwing voor het opwekken van bio-energie een grote ruimtelijke impact kan hebben. Gelet hierop heeft het college verder het standpunt kunnen innemen dat het enkel uiten van de wens om in de toekomst voorzieningen te bouwen voor het opwekken van bio-energie onvoldoende is voor het instemmen met het planologisch mogelijk maken van dergelijke voorzieningen, maar dat daarvoor concretere bouwplannen en gegevens beschikbaar dienen te zijn. De enkele omstandigheid dat het uitwerken van de plannen zeer kostbaar is, maakt dit niet anders. Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1]

2.20. De conclusie is dat voor zover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat ten onrechte nevenfuncties niet zijn toegestaan in (loods)kassen op het agrarisch bouwperceel het beroep aanleiding geeft voor het oordeel dat het beroep in zoverre gegrond is en het bestreden besluit voor zover het betreft de goedkeuring van de voorschriften bij tabel 4.1 onder 2 van artikel 26 van de planvoorschriften voor zover het betrekking heeft op het perceel [locatie 1] dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] voor het overige heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het voor het overige aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen voor het overige

Ecologische verbindingszones

2.21. [appellant sub 3] en anderen richten zich in beroep tegen de goedkeuring van het plan voor zover het betreft artikel 23, zevende lid, en de voorschriften bij tabel 2 onder 6 van artikel 24 van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover deze een ecologische verbindingszone over en in de nabijheid - enkele honderden meters - van hun gronden op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] te [plaats] mogelijk maakt. Zij betogen dat het open karakter van het gebied hierdoor wordt aangetast. [appellant sub 3] en anderen vrezen voor beperkingen in hun bedrijfsvoering en waardevermindering van hun gronden. Zij betwijfelen of de voorziene ecologische verbindingszone het beoogde doel kan dienen, aangezien deze veel infrastructurele belemmeringen moet doorkruisen. [appellant sub 3] en anderen betwisten dat de ecologische verbindingszone kansen biedt met betrekking tot natuurlijke plaagbestrijding. Zij voeren aan dat de voornoemde planvoorschriften zodanig moeten worden aangepast dat pas tot een bestemmingswijziging mag worden overgegaan nadat alle gronden binnen een ecologische verbindingszone aan een terreinbeherende instantie zijn overgedragen of anderszins een duurzame instandhouding is gewaarborgd. Ten onrechte is volgens [appellant sub 3] en anderen niet als voorschrift bij de wijzigingsbevoegdheid opgenomen dat er een gedegen onderzoek door onafhankelijke agrarische experts moet zijn uitgevoerd naar de effecten van het natuurgebied op de landbouw in de omgeving.

2.21.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de instelling van ecologische verbindingszones in overeenstemming is met het provinciale beleid. In de Beschrijving in hoofdlijnen is aangegeven dat het agrarisch gebruik doorgang zal kunnen vinden tot verwerving op vrijwillige basis plaatsvindt. In de beschrijving in hoofdlijnen is eveneens aangegeven dat moet worden voorkomen dat een doelmatig agrarisch gebruik wordt belemmerd indien slechts delen van ecologische verbindingszones zijn verworven. Het beleid, dat is neergelegd in de Beschrijving in hoofdlijnen, is verder uitgewerkt in de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen om de agrarische bestemming ter plaatse van de ecologische verbindingszones te kunnen wijzigen in een natuurbestemming. Voorwaarde daarbij is dat sprake moet zijn van ruimtelijk afgeronde eenheden, waarvan de bestemming wordt gewijzigd. De voorwaarde dat alle gronden van de ecologische zone moeten zijn verworven voordat tot bestemmingswijziging mag worden overgegaan, gaat volgens het college te ver. Het college betoogt tot slot het standpunt van de raad te kunnen volgen dat het niet gebruikelijk is dat bij functiewijziging van landbouw naar natuur onderzoek wordt gedaan naar effecten op de landbouw.

2.21.2. [appellant sub 3] en anderen exploiteren akkerbouwbedrijven op de percelen [locatie 2] en [locatie 3]. In het plan is aan hun gronden grotendeels de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Ava" toegekend.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarische doeleinden" ter plaatse van de subbestemming "Ava" bestemd voor grondgebonden veehouderij/ akkerbouw/ opengrondse tuinbouw en fruitteelt.

Aan nagenoeg het gehele plangebied, waaronder de gronden van [appellant sub 3] en anderen, is de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met waardevolle openheid (zone AO)" toegekend. Aan een groot deel van de overige gronden is de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" toegekend.

Ingevolge artikel 23, aanhef, van de planvoorschriften is het op kaartblad 5 als "Agrarisch gebied met waardevolle openheid" aangewezen gebied bestemd voor:

a. de doeleinden en bouwmogelijkheden overeenkomstig hoofdstuk II;

b. de doeleinden en bouwmogelijkheden, zoals in de navolgende tabel en de tabellen 4.1 en 4.2 aangegeven, hetzij rechtstreeks (medebestemming), hetzij na vrijstelling of planwijziging;

een en ander met inachtneming van:

c. de in dit gebied voorkomende cultuurhistorisch waardevolle elementen in de vorm van:

- rijks- en gemeentelijke monumenten;

- archeologisch waardevolle gebieden;

d. de in dit gebied voorkomende landschappelijke waarden in de vorm van waardevolle openheid en het patroon van dijken, wegen en kreken;

e. het bepaalde in de Beschrijving in Hoofdlijnen.

Uit tabel 1 volgt dat de realisatie van ecologische verbindingszones toelaatbaar is na planwijziging overeenkomstig het zevende lid van de voorschriften bij die tabel.

Ingevolge het zevende lid van de voorschriften bij tabel 1 is het college van burgemeester en wethouders - met toepassing van artikel 11 van de WRO - bevoegd ten behoeve van de realisatie van ecologische verbindingszones de bestemming van de gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met waardevolle openheid (zone AO)" te wijzigen met inachtneming van het volgende:

a. de perceelsbestemming mag uitsluitend worden gewijzigd in de bestemmingen "Natuurgebied", "Water" of "Waterstaatsdoeleinden";

b. een besluit tot planwijziging wordt niet eerder genomen dan nadat de betrokken gronden als ecologische verbindingszone aan een terreinbeherende instantie in eigendom zijn overgedragen of anderszins een duurzame instandhouding is gewaarborgd;

c. er dient sprake te zijn van ruimtelijk afgeronde eenheden waarvan de bestemming wordt gewijzigd in de in sub a genoemde bestemmingen;

d. voor het overige zijn de bepalingen van artikel 10, 14 en 18 tot en met 22 van overeenkomstige toepassing.

In artikel 24, aanhef, bezien in samenhang met tabel 2 en het zesde lid van de voorschriften is een soortgelijke regeling opgenomen wat betreft de gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden".

Artikel 29 bevat de Beschrijving in Hoofdlijnen. Ingevolge het tiende lid van dit artikel - voor zover hier van belang - komen in het gebied beheersgebieden, reservaatgebieden en ecologische verbindingszones voor, die tezamen de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur vormen. Reservaatgebieden en ecologische verbindingszones die zijn verworven krijgen een natuurbestemming. Voor nog niet verworven gebieden zal het agrarische gebruik doorgang kunnen vinden tot verwerving op vrijwillige basis plaatsvindt. Tevens moet worden voorkomen dat een doelmatig agrarisch gebruik wordt belemmerd indien slechts delen van de ecologische verbindingszone zijn verworven. Voorkomen moet worden dat een toekomstige natuurbestemming door het huidige gebruik wordt gefrustreerd.

2.21.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het mogelijk dat de wijzigingsbevoegd ten behoeve van de realisatie van ecologische verbindingszones betrekking heeft op een groot deel van het plangebied. Voor zover [appellant sub 3] en anderen vrezen voor de aanleg van een ecologische verbindingszone over hun eigen gronden, overweegt de Afdeling dat in artikel 23, zevende lid, en artikel 24, zesde lid, onder b, van de planvoorschriften als wijzigingsregel is opgenomen dat pas tot wijziging mag worden overgegaan nadat de betrokken gronden als ecologische verbindingszone aan een terreinbeherende instantie in eigendom zijn overgedragen of aan de andere kant een duurzame instandhouding is gewaarborgd. In de beschrijving in hoofdlijnen, die als gevolg van het eerste lid, van toepassing is op gronden met de desbetreffende gebiedsbestemmingen, zal voor nog niet verworven gebieden het agrarisch gebruik doorgang kunnen vinden tot verwerving op vrijwillige basis plaatsvindt. Gelet op het voorgaande, behoeft naar het oordeel van de Afdeling voor een ecologische verbindingszone op de gronden van [appellant sub 3] en anderen zonder medewerking van [appellant sub 3] en anderen niet gevreesd te worden.

[appellant sub 3] en anderen hebben de stelling dat de ecologische verbindingszones vanwege de vele infrastructurele belemmeringen niet gerealiseerd kunnen worden niet nader onderbouwd. Reeds hierom kan het betoog niet slagen.

Met betrekking tot de vrees van [appellant sub 3] en anderen voor de gevolgen een ecologische verbindingszone voor hun bedrijfvoering heeft het college onder verwijzing naar de Nota van zienswijzen van de raad zich op het standpunt gesteld dat deze gevolgen beperkt zullen zijn. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college in navolging van de raad niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de gevolgen van een in de omgeving van hun bedrijven gelegen ecologische verbindingszone voor hun bedrijfvoering beperkt zijn. Hierbij is in aanmerking genomen dat [appellant sub 3] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de bedrijfsvoering op hun bedrijven zodanig afwijkt van andere agrarische bedrijven dat zij in vergelijking met andere agrarische bedrijven onevenredig zouden worden benadeeld indien een ecologische verbindingszone in de omgeving van hun bedrijven komt te liggen.

De beroepsgrond faalt.

Sierteelt

2.22. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in sierteelt ter plaatse van hun gronden. Zij voeren aan dat sierteelt geen aantasting van het open karakter van het gebied met zich brengt.

2.22.1. Het college heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan het plan, voor zover het niet voorziet in een bouwvlak wat betreft de gronden aan [locatie 2], zoals met rood omlijnd op de plankaart.

Voor het overige heeft het de regeling voor de gronden van [appellant sub 3] en anderen goedgekeurd. Het college stelt zich hierbij op het standpunt dat het provinciaal beleid is gericht op concentratie van sierteelt in speciaal daarvoor aangewezen gebieden. Een regeling die sierteelt standaard toelaat bij agrarische bedrijven is volgens het college in strijd met dit beleid. Sierteelt kan het karakter van het open landschap aantasten, aldus het college.

2.22.2. Door de onthouding van goedkeuring aan het plan wat betreft de gronden aan [locatie 2], voor zover nader op de plankaart met rood is omlijnd, waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant sub 3] en anderen onder meer zijn gericht, is in zoverre aan hun bedenkingen tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij een zodanig plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wro in werking getreden.

Aangezien het besluit tot onthouding van goedkeuring is genomen na 1 juli 2008, staat vast dat voor de planonderdelen waaraan goedkeuring is onthouden een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008 komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van [appellant sub 3] en anderen in zoverre aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.22.3. Wat betreft de regeling in het plan voor de gronden van [appellant sub 3] en anderen op dit punt, waaraan het college wel goedkeuring heeft verleend, overweegt de Afdeling als volgt. De aan de gronden van [appellant sub 3] en anderen toegekende bestemming zoals weergegeven in 2.21.2. staat sierteelt niet toe.

In de Nota Regels voor Ruimte is bepaald dat bedrijven gericht op sierteelt moeten worden geconcentreerd in de daartoe in de streekplannen aangewezen gebieden. Nieuwe bebouwing ten behoeve van de vestiging van dergelijke bedrijven buiten de aangegeven gebieden moet worden uitgesloten.De percelen van [appellant sub 3] en anderen zijn niet gelegen in een concentratiegebied zoals hiervoor bedoeld.

Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat inwilliging van de wens van [appellant sub 3] en anderen in strijd is met het provinciaal beleid. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. De enkele omstandigheid dat sierteelt ter plaatse het open karakter van het gebied niet aantast, wat daarvan ook zij, geeft hiervoor geen aanleiding. Bij het voorgaande betrekt de Afdeling dat [appellant sub 3] en anderen thans geen sierteelt uitoefenen en eveneens niet is gebleken van plannen om dit in de naaste toekomst te doen. Het betoog faalt.

Mestzakken/mestbassins

2.23. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan ten onrechte mestzakken/mestbassins uitsluitend toestaat binnen het bouwvlak of binnen een zone van 75 meter aansluitend aan het bouwvlak. Deze regeling beperkt de bedrijfsvoering, aldus [appellant sub 3] en anderen. Zij voeren tevens aan dat de regeling zijn doel voorbij schiet. Voor het bereiken van het beoogde doel zijn volgens [appellant sub 3] en anderen andere alternatieven denkbaar.

2.23.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat een wildgroei aan mestopslag in het open poldergebied vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is. Dit belang prevaleert volgens het college boven het belang van de agrariërs dat uit oogpunt van transport de aanleg van mestbassins direct bij de percelen waar de mest wordt aangewend doelmatig is.

2.23.2. In artikel 2, vijfde lid, van de planvoorschriften, is bepaald dat mestzakken/mestbassins uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak of binnen een zone van 75 m aansluitend aan het bouwvlak.

2.23.3. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het toekennen van bestemmingen en daarbij behorende voorschriften. [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij door de planregeling onevenredig belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. De beroepsgrond faalt.

Conclusie ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] en anderen

2.24. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring aan het plan, voor zover het betreft de nader op de plankaart met rood omlijnde gronden aan [locatie 2], ten grondslag liggende motivering.

Hetgeen [appellant sub 3] en anderen voor het overige hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.25. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen en de raad is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 3] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover het gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring aan het plan voor zover het betreft de nader op de plankaart met rood omlijnde gronden aan [locatie 2], ten grondslag liggende motivering, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de raad van de gemeente Bernisse, [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en anderen gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-452807, voor zover het betreft:

a. de onthouding van goedkeuring aan het plan wat betreft de gronden die nodig zijn voor het project Maatregelen Kierbesluit;

b. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" dat betrekking heeft op de haven vlakbij Zuidoordsedijk 13;

c. de goedkeuring van de voorschriften bij tabel 4.1 onder 2 van artikel 26 van de planvoorschriften voor zover het betrekking heeft op het perceel [locatie 1];

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder III. b genoemde onderdeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak voor het onder IV. bedoelde onderdeel in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. verklaart de beroepen van de raad van de gemeente Bernisse, [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4] en anderen voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 483,00 (zegge: vierhonderddrieentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de raad van de gemeente Bernisse;

b. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011