Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201012870/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2010 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Almere onmiddellijk te verlaten en deze tien dagen niet te betreden of daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden en hem voorts verboden gedurende deze periode contact op te nemen met de in het besluit genoemde personen die met hem in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012870/1/H3.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Almere,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) van 6 juli 2010 in zaak nr. 173290/10-600 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Almere (hierna: de burgemeester).

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2010 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Almere onmiddellijk te verlaten en deze tien dagen niet te betreden of daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden en hem voorts verboden gedurende deze periode contact op te nemen met de in het besluit genoemde personen die met hem in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Bij besluit van 23 juni 2010 heeft de burgemeester de last met achttien dagen verlengd.

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft de burgemeester dat laatste besluit ingetrokken.

Bij mondelinge uitspraak van 6 juli 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 16 november 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 14 juni 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Voorts heeft zij het door [appellant] tegen het besluit van 23 juni 2010 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.W.Th.R. Hermens, advocaat te Almere, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Piets, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [echtgenote], de echtgenote van [appellant], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester aan een persoon een huisverbod opleggen, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken, nadat het is opgelegd, indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Ingevolge het tweede lid heeft het beroep of hoger beroep tegen het huisverbod mede betrekking op een beschikking tot verlenging van het huisverbod, als bedoeld in het eerste lid, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2.2. De burgemeester heeft het besluit van 14 juni 2010 gebaseerd op een zogenoemd Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) en er aan ten grondslag gelegd dat [appellant] zijn echtgenote op 12 juni 2010 heeft mishandeld en zijn zoon heeft bedreigd en er meerdere mutaties zijn met betrekking tot geweld van [appellant] binnen het gezin. Aan het besluit van 23 juni 2010 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de situatie volgens een aan hem uitgebracht beleidsadvies nagenoeg onveranderd is en verlenging geboden, opdat geprobeerd kan worden te komen tot een situatie van rust.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat volgens het RiHG, waar het besluit van 14 juni 2010 voor een belangrijk deel op is gebaseerd, een sterk signaal voor een hoog risico aanwezig was, maar van een zodanig risico niet is gebleken, althans dat onvoldoende is onderbouwd. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] tegen zijn huisgenoten lichamelijk geweld heeft gebruikt. De stelling van de burgemeester dat [appellant] met fysiek geweld heeft gedreigd, heeft zij onvoldoende toegelicht geacht. In zoverre lijdt het besluit van 14 juni 2010 volgens haar aan een motiveringsgebrek. Volgens de rechtbank is evenwel gebleken dat [appellant] en zijn echtgenote al enige tijd relationele problemen hebben en met elkaar in onmin leven en er problemen zijn tussen [appellant] en zijn zoon, waarbij [appellant] verbaal geweld gebruikt en tracht zijn zoon zijn wil op te leggen. Zij heeft overwogen dat [appellant] verbaal geweld heeft gebruikt en er een toename in frequentie van dat geweld binnenshuis is. Mede gelet op eerdere incidenten, waarbij [appellant] verbaal geweld tegen zijn echtgenote en zoon heeft gebruikt, heeft de burgemeester zich naar haar oordeel terecht op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar voor hun veiligheid opleverde. Zij heeft hierin aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 14 juni 2010 in stand te laten.

Het besluit van 23 juni 2010, dat is gebaseerd op het beleidsadvies en de daaraan ten grondslag liggende stukken, heeft de rechtbank daarmee voldoende gemotiveerd geacht.

2.4. [appellant] klaagt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank aldus heeft miskend dat niet hij, maar zijn zoon zich binnen het gezin en met name tegenover hem meermalen bedreigend heeft opgesteld en het huisverbod daarom aan de zoon had moeten worden opgelegd. In dat verband legt hij een schriftelijke verklaring over van een buurman, een proces-verbaal van een door hemzelf op 4 oktober 2010 gedane aangifte van verbale bedreiging door de zoon op 11 juni 2010 en een proces-verbaal van verhoor van de zoon op 12 juni 2010, waarbij deze heeft verklaard hem op 11 juni 2010 verbaal te hebben bedreigd.

2.4.1. Dat betoog faalt. Volgens het door de betrokken hulpofficier van justitie op 14 juni 2010 opgesteld en door [appellant] in zoverre niet bestreden rapport "Situatie ter plaatse" is het RiHG opgemaakt naar aanleiding van, onder meer, een melding op 12 juni 2010 dat [appellant] zijn zoon met de dood heeft bedreigd. Volgens het RiHG heeft [appellant] van jongs af aan psychisch geweld tegen de zoon gebruikt en neemt het verbale geweld in ernst toe. Voorts is in het RiHG vermeld dat [appellant] heeft erkend dat hij zich verbaal agressief heeft gedragen en zijn echtgenote en zoon hebben verklaard dat zij voor herhaling vrezen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen aldus in het RiHG is opgenomen. Dat [appellant] de verbale bedreiging van zijn zoon thans ontkent, doet niet af aan de verklaringen die hij, zijn echtgenote en hun zoon kort na het incident op 12 juni 2010 hebben afgelegd. In deze ontkenning heeft de rechtbank dan ook terecht onvoldoende grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester in zoverre niet op de inhoud van het RiHG mocht afgaan. De feiten en omstandigheden, zoals die in zoverre uit het RiHG naar voren komen, waren op zichzelf voldoende om het huisverbod op te mogen leggen. Dat de situatie die tot het huisverbod heeft geleid, naar gesteld, mede is veroorzaakt door het optreden van de zoon, geeft geen grond voor het oordeel dat de burgemeester er, lettend op de dreiging van geweld die van [appellant] uitging, niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen aan hem een huisverbod op te leggen, teneinde escalatie te voorkomen en in een afkoelingsperiode te voorzien.

2.4.2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.5. Nu het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat reeds hierom geen grond voor schadevergoeding.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

280-598.