Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201011584/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het college aan [appellant sub 2 B] lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een toegangsdeur naar het dakterras (hierna: de toegangsdeur) en een gemetselde balustrade (hierna: de balustrade) op het perceel [locatie] te 's-Hertogenbosch (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 2.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011584/1/H1.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

2. [appellante sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna: tezamen en in enkelvoud [appellant sub 2]), wonend te 's-Hertogenbosch,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 oktober 2010 in zaak nr. 09/872 in het geding tussen:

[wederpartij] wonend te 's-Hertogenbosch

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het college aan [appellant sub 2 B] lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een toegangsdeur naar het dakterras (hierna: de toegangsdeur) en een gemetselde balustrade (hierna: de balustrade) op het perceel [locatie] te 's-Hertogenbosch (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar de verleende bouwvergunning onder een nadere motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 22 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 februari 2009 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2010, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 29 december 2010. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 30 december 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, werkzaam bij de gemeente en [appellante sub 2 A], in persoon, zijn verschenen. Voorts is daar [wederpartij], bijgestaan door mr. E.R. Koster, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 26 november 1996 is [appellant sub 2] bouwvergunning verleend voor een uitbouw bij zijn woning. Het college heeft op 5 maart 2008 ter plaatse geconstateerd dat [appellant sub 2] in afwijking van de vergunning een dakterras met toegangsdeur heeft aangebracht. [appellant sub 2] heeft op 17 april 2008 een aanvraag om lichte bouwvergunning ingediend ten behoeve van de toegangsdeur en de balustrade, naar aanleiding waarvan het college het besluit van 21 mei 2008 heeft genomen.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat wat betreft de toegangsdeur procesbelang ontbrak bij het door [wederpartij] ingestelde beroep, omdat volgens hem de toegangsdeur tot het dakterras omgevingsvergunningsvrij was ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), gelezen in verbinding met artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en artikel 2, zevende lid, van Bijlage II, behorend bij het Bor, dat, evenals de Wabo, op 1 oktober 2010 in werking is getreden.

Dit betoog faalt. Gelet op de functionele samenhang tussen de toegangsdeur en de balustrade, die tezamen voorzien in de realisering van een dakterras op de bestaande uitbouw, kon het bouwplan niet worden gesplitst in afzonderlijke en zelfstandig te beoordelen bouwwerken, zodat [wederpartij] reeds daarom belang had bij een beoordeling van zijn beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde vergunning voor het bouwplan als geheel.

2.3. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Maaspoort-Oud Empel" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (W)". Het bouwplan is ten dele buiten het bouwvlak gelegen, op gronden die als 'erf' zijn aangeduid.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder bouwvlak verstaan een op de plankaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.

Onder erf wordt verstaan de grond deel uitmakende van een bouwperceel, behorende bij één woning, waarop geen hoofdgebouw is of mag worden opgericht krachtens de vigerende woonbestemming.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de gronden die op de plankaart als "Woondoeleinden (W)" zijn aangeduid bestemd voor woondoeleinden in de vorm van woningen en bijzondere woonvoorzieningen al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge artikel 3.2.4, onder a, aanhef en onder 11, zijn op het erf dakterrassen niet toegestaan.

Ingevolge artikel 32.1, aanhef en onder a, mogen bouwwerken, welke op het tijdstip van de eerste terinzagelegging van dit plan (hierna: de peildatum) bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in of krachtens de Woningwet en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot.

Ingevolge artikel 1, voor zover hier van belang, wordt in deze voorschriften ten aanzien van bebouwing, onder bestaande situatie verstaan, bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan.

2.4. Het ontwerpbestemmingsplan is in juni 2005 ter inzage gelegd.

2.5. Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de balustrade geheel vernieuwd wordt, zodat het in artikel 32.1 van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht daarop niet van toepassing is. Zij voeren hiertoe aan dat de balustrade bestaat uit drie onderdelen, waarvan twee zich aan de zijkanten van het dakterras bevinden en een aan de zijde van de tuin. Daarom betekent het vervangen van een van deze drie zijden, als hier aan de orde, dat de balustrade slechts gedeeltelijk wordt vernieuwd of veranderd als bedoeld in artikel 32.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, aldus het college en [appellant sub 2].

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 februari 2010 in zaak nr. 200904964/1/H1), rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is.

2.5.2. Op grond van de stukken in het dossier en hetgeen ter zitting is aangevoerd, is aannemelijk geworden dat het dakterras ten tijde van de peildatum van het overgangsrecht bestond en van een omheining was voorzien. Deze omheining bestond uit een gemetseld gedeelte aan de beide zijkanten van het terras, en aan de tuinzijde uit twee boven elkaar aangebrachte horizontale kunststof planken. Het bouwplan voorziet in het vervangen van deze planken door een gemetselde afscheiding.

De omheining aan de tuinzijde wordt vervangen door een afscheiding die in ander materiaal is uitgevoerd, waardoor de uiterlijke verschijningsvorm van dat gedeelte enige wijziging ondergaat. Deze wijziging is, bezien in het licht van het terras als geheel en gelet op de omstandigheid dat door realisering van het bouwplan de afmetingen van de omheining nagenoeg niet wijzigen, een gedeeltelijke vernieuwing als bedoeld in artikel 32.1 van de planvoorschriften. Voorts overweegt de Afdeling dat het bouwplan niet leidt tot wijziging of intensivering van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik en heeft het derhalve geen grotere afwijking van het bestemmingsplan dan de bestaande afwijking tot gevolg, nu het bouwwerk na de vervanging van de kunststof planken nog immer een dakterras is.

De rechtbank is gelet hierop ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de in het bestemmingsplan opgenomen overgangsrechtelijke bepaling niet op het bouwplan van toepassing is. Dit brengt mee dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ingevolge die bepaling voor de balustrade zonder vrijstelling bouwvergunning kon worden verleend. Dat geldt ook, anders dan het college betoogt, ten aanzien van de toegangsdeur, aangezien deze voldoet aan de voorschriften van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt.

2.6. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 3 februari 2009 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellant sub 2] betaalde griffierecht door het college moet worden vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 52, vijfde lid, van die wet - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 oktober 2010 in zaak nr. 09/872;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante sub 2 A] en [appellant sub 2 B] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Dorst

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

357-619.