Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2832

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201101320/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van dwangsom gelast om voor 1 juli 2008 de woning op het perceel [locatie] te Hippolytushoef zodanig aan te passen dat deze overeenkomt met de verleende bouwvergunning, de garage te verwijderen dan wel zodanig te verkleinen en aan te passen dat deze voldoet aan de verleende bouwvergunning en de zonder bouwvergunning gebouwde berging te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101320/1/H1.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hippolytushoef, gemeente Wieringen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 december 2010 in zaak nr. 09/1209 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wieringen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van dwangsom gelast om voor 1 juli 2008 de woning op het perceel [locatie] te Hippolytushoef zodanig aan te passen dat deze overeenkomt met de verleende bouwvergunning, de garage te verwijderen dan wel zodanig te verkleinen en aan te passen dat deze voldoet aan de verleende bouwvergunning en de zonder bouwvergunning gebouwde berging te verwijderen.

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard, het besluit van 7 mei 2008 herroepen, voor zover het betrekking heeft op de woning, en gehandhaafd voor zover het betrekking heeft op de garage en de berging.

Bij uitspraak van 23 december 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.P. Groen, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. van Veen en mr. G. Koop, beiden advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond met betrekking tot de berging ingetrokken, zodat die geen bespreking meer behoeft.

2.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Eerste partiƫle herziening bestemmingsplan buitengebied 2002" rusten op het onderhavige perceel de bestemmingen "Woondoeleinden", "Erf" en "Tuin".

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor tuin aangewezen gronden bestemd voor tuinen, alsmede voor in- en uitritten ten behoeve van de aangrenzende bebouwing.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, voor zover hier van belang, mogen op of in de in lid 1 genoemde gronden alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming worden gebouwd.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, zijn de op de plankaart voor erf aangewezen gronden bestemd voor tuinen, alsmede voor bijgebouwen.

Ingevolge artikel 21, tweede lid, aanhef en onder d, mogen op of in de in lid 1 bedoelde gronden alleen bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming, onder de voorwaarde dat ten hoogste 50 m2 van een erf mag worden bebouwd.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, is het verboden de gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming of in strijd met een gebruik waarvoor ingevolge de bepalingen van het bestemmingsplan vrijstelling is verleend, te gebruiken of laten gebruiken.

2.3. Vaststaat dat de garage in afwijking van de verleende bouwvergunning op het perceel een meter meer naar rechts en 20 centimeter meer naar achter is gesitueerd. Verder is de garage 30 centimeter hoger gebouwd dan waarvoor bouwvergunning is verleend en heeft de garage een oppervlakte van 57 m2 in plaats van de maximale toegestane oppervlakte van 50 m2. Door de gewijzigde situering is een deel van de garage gelegen op gronden met de bestemming "Tuin", waar op grond van het bestemmingsplan geen gebouwen mogen worden opgericht.

Nu de garage is gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning en in strijd met het bestemmingsplan was het college bevoegd om ter zake handhavend op te treden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college in dit geval van handhavend optreden tegen de garage had behoren af te zien. Daartoe voert [appellant] aan dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen belangen. [appellant] betoogt dat de afwijking van de bouwvergunning een overschrijding van de oppervlakte met 7 m2 betreft, zodat de overtreding van geringe aard en ernst is. Verder betoogt hij dat hij financieel nadeel zal lijden, doordat het afbreken van de garage hoge kosten met zich meebrengt. Voorts voert [appellant] aan dat de garage is gelegen in het buitengebied en op een grote afstand van de weg, te weten 30 tot 40 meter, zodat vrijwel niemand hierop uitzicht heeft. Volgens [appellant] worden de belangen van derden dan ook niet geschonden door de overtreding.

Voorts betoogt [appellant] dat door toezeggingen van gemeenteraadsleden bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat zou worden afgezien van het innen van eventueel verbeurde dwangsommen en dat aan legalisatie van de overtredingen zou worden meegewerkt.

2.5.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden ten aanzien van de garage.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de afwijking van de bouwvergunning reeds vanwege de omvang daarvan niet als een overtreding van geringe aard en ernst kan worden aangemerkt. Verder dient de omstandigheid dat de sloop dan wel aanpassing van de garage mogelijk hoge kosten met zich brengt voor risico van [appellant] te blijven, nu hij de garage in afwijking van de bouwvergunning heeft gerealiseerd. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, de omstandigheid dat derden geen hinder ondervinden van het bouwwerk, wat daarvan zij, niet leidt tot het oordeel dat het college had moeten afzien van handhavend optreden. Aldus is handhaving in dit geval niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

[appellant] heeft eerst in hoger beroep aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel geschonden is. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

357-651.