Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201101344/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft het college IMH gelast het met het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Haastrecht" (hierna: het bestemmingsplan) strijdige gebruik van de opstallen op het perceel Provincialeweg West 44 te Haastrecht (hierna: het perceel), in de vorm van het daar (laten) houden van door IMH voorgenomen evenementen, te voorkomen en/of te staken en gestaakt te doen houden, onder oplegging van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101344/1/H1.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intervastgoed Midden Holland B.V. (hierna: IMH), gevestigd te Bodegraven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 december 2010 in zaken nrs. 08/8921 en 09/85 in het geding tussen:

IMH

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft het college IMH gelast het met het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Haastrecht" (hierna: het bestemmingsplan) strijdige gebruik van de opstallen op het perceel Provincialeweg West 44 te Haastrecht (hierna: het perceel), in de vorm van het daar (laten) houden van door IMH voorgenomen evenementen, te voorkomen en/of te staken en gestaakt te doen houden, onder oplegging van een dwangsom.

Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het college het door IMH daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het college IMH opnieuw gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de opstallen op het perceel, in de vorm van het daar (laten) houden van bijeenkomsten ("evenement" of niet) achterwege te laten en/of te voorkomen en/of te staken en gestaakt te (doen) houden, onder oplegging van een dwangsom.

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college het door IMH daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door IMH tegen de besluiten van 30 oktober 2008 en 25 november 2008 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft IMH bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2011, waar IMH, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M.H. Fleers, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat het gebruik van het perceel door IMH naar strekking en omvang vergelijkbaar is met het gebruik dat in de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2009 in zaak nr. 200806137/1 aan de orde was, te weten het door de stichting Stichting Evangelisch Centrum "De Rivier" houden van bijeenkomsten en dat dit gebruik in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan op het perceel rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de subbestemming "aardewerkbedrijf (Bllaw)". Het college was dan ook bevoegd ter zake handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. IMH betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en wijst in dit kader op de activiteiten van Brandweer Survival op het perceel, alsmede op de activiteiten van Motorclub Demons op een perceel aan de Schoonouwenseweg te Stolwijk, gemeente Vlist.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat, gelet op de activiteiten van Brandweer Survival op het perceel, sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel die tot vernietiging van de besluiten van 20 oktober 2008 en 25 november 2008 zou moeten leiden, reeds omdat ten tijde van de onderhavige besluitvorming geen sprake meer was van activiteiten van Brandweer Survival op het perceel, maar slechts van activiteiten van IMH. Dat Brandweer Survival op 16 juli 2009, nadat IMH haar activiteiten op het perceel had beƫindigd, de activiteiten op het perceel heeft hervat, betreft een omstandigheid van na onderhavige besluitvorming die geen rol kan spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de besluiten van 20 oktober 2008 en 25 november 2008. Daarbij komt dat het college inmiddels handhavend is opgetreden tegen de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten van Brandweer Survival op het perceel.

Het is voorts niet gebleken dat de activiteiten van Motorclub Demons op een perceel aan de Schoonouwenseweg te Stolwijk, gemeente Vlist, waar IMH eerst in hoger beroep op heeft gewezen, zodanig met de activiteiten van IMH op het perceel te vergelijken zijn, dat het college om die reden van handhavend optreden tegen de activiteiten van IMH af had moeten zien. Het college heeft in dat kader gewezen op het feit dat het om een andere locatie en een andere bestemming gaat. Verder heeft het college aangegeven dat voor zover het al om een vergelijkbaar geval gaat inmiddels ook tegen Motorclub Demons handhavend is opgetreden, hetgeen door IMH niet is bestreden.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

414-580.