Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2826

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201102548/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2011:BP2159, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 19 februari 2009 heeft het college geweigerd aan Xtramast vrijstellingen en reguliere bouwvergunningen te verlenen voor het oprichten van twee reclamemasten op het perceel Imstenraderweg en de rotonde gelegen aan de In de Cramer - Terhoevenderweg te Heerlen (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102548/1/H1.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Xtramast B.V., gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 januari 2011 in zaken nrs. 09/1583 en 09/1874 in het geding tussen:

Xtramast

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 19 februari 2009 heeft het college geweigerd aan Xtramast vrijstellingen en reguliere bouwvergunningen te verlenen voor het oprichten van twee reclamemasten op het perceel Imstenraderweg en de rotonde gelegen aan de In de Cramer - Terhoevenderweg te Heerlen (hierna: de percelen).

Bij besluiten van 7 augustus 2009 en 16 september 2009 heeft het college de door Xtramast daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door Xtramast daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Xtramast bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 25 maart 2011 en 7 april 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2011, waar Xtramast, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door J.L.P. Heijboer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, c, en d van de Woningwet, zoals deze wet luidde ten tijde en voor zover in dit geding van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening, het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld, of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.2. Vaststaat dat de reclamemasten, die een hoogte hebben van ongeveer 30 m, in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Het college heeft geweigerd om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstellingen te verlenen.

2.3. Xtramast betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door de gevraagde vrijstellingen en bouwvergunningen te weigeren. Zij voert daartoe aan dat het college het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat op de percelen reclamemasten zijn toegestaan. Daartoe wijst zij op de op 26 april 2005 en 10 mei 2005 met haar gesloten huurovereenkomsten. Op grond van deze huurovereenkomsten mogen de percelen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van het plaatsen van reclamemasten. Voorts wijst Xtramast op de precontractuele fase, voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomsten, waarin op 20 februari 2003 een "intentieverklaring plan reclame-uitingen" is gesloten, de gemeente zelf de percelen heeft aangewezen, het college blijkens de vergadernotulen van 10 september 2003 is afgeweken van een negatief welstandsadvies over een principeplan, en het college bij brief van 6 december 2004 heeft toegezegd huurovereenkomsten met N&C Properties B.V., de rechtsvoorgangster van Xtramast, te sluiten. Volgens Xtramast mag, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2010, in zaak nr. 08/03917 (LJN BL5420), het publiekrechtelijk handelen van het college niet los worden gezien van de gedane toezeggingen, genomen besluiten en privaatrechtelijk handelen van de gemeente.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juni 2011 in zaak nr. 201011073/1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

2.3.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een rechtens te honoreren verwachting ten aanzien van te verlenen vrijstellingen niet kan worden ontleend aan de huurovereenkomsten, omdat in deze overeenkomsten daarover geen toezeggingen zijn gedaan. Van een concrete toezegging, zoals het geval was in voormeld arrest van de Hoge Raad, is geen sprake.

Voorts heeft Xtramast evenmin aan de fase voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomsten het in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen, dat haar vrijstelling en bouwvergunning zou worden verleend voor het oprichten van de gevraagde reclamemasten. Aan de bepaling in de "intentieverklaring plan reclame-uitingen" van 20 februari 2003 dat het verlenen van een bouwvergunning een voorwaarde is voor het sluiten van een huurovereenkomst, kan geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college ook de gevraagde vrijstellingen en bouwvergunningen zou verlenen. Ondanks het ontbreken van bouwvergunningen, is Xtramast overgegaan tot het sluiten van de huurovereenkomsten. Weliswaar heeft het college met het aanwijzen van twee geschikte locaties voor het plaatsen van reclamemasten verklaard dat daar reclamemasten zijn toegestaan, maar daarmee heeft het niet toegezegd dat het voor onderhavige reclamemasten van 30 m hoog vrijstellingen en bouwvergunningen zou verlenen. Het college heeft, anders dan Xtramast stelt, evenmin een toezegging over het verlenen van de gevraagde vrijstellingen gedaan door op 10 september 2003 af te wijken van een negatief welstandsadvies over een principeplan voor twee reclamemasten van maximaal 25 m hoog. Voor zover Xtramast stelt dat het college reeds in 2003 heeft toegezegd medewerking te verlenen aan reclamemasten met een hoogte van ongeveer 31 m, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt. In de brief van 6 december 2004 heeft de directeur van de dienst Stadsontwikkeling zich namens het college slechts bereid verklaard met N&C Properties B.V. een huurovereenkomst te sluiten voor de verhuur van grond voor het plaatsen van reclamemasten.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat Xtramast niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd heeft toegezegd dat het vrijstellingen en bouwvergunningen voor onderhavige reclamemasten zou verlenen.

Het betoog faalt.

2.4. Xtramast betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de huurovereenkomsten de gemeente zodanig binden, dat het college in redelijkheid gehouden was ook de gevraagde vrijstellingen en bouwvergunningen te verlenen. Xtramast voert daartoe aan dat alle gronden om de vrijstellingen te weigeren reeds bekend waren op het moment dat het college op 10 september 2003 van het welstandsadvies over het principeplan is afgeweken en de huurovereenkomsten werden gesloten.

2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het argument dat alle gronden om de gevraagde vrijstellingen te weigeren reeds bekend waren op het moment van het sluiten van de huurovereenkomsten, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.2. is overwogen, niet betekent dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren de gevraagde vrijstellingen te verlenen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het de gevraagde vrijstellingen heeft geweigerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

531-702.