Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201003091/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009/0118, heeft de minister het gebied Oosterschelde aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en het besluit van 28 november 1989, kenmerk J. 897372, tot aanwijzing van het gebied Oosterschelde als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EU L 20) (hierna: de Vogelrichtlijn) gewijzigd.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 10a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/796
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003091/1/R2.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Productschap Vis, gevestigd te Rijswijk, en andere,

2. [appellant sub 2], wonend te Oosterland, gemeente Schouwen-Duiveland, en anderen,

3. [appellant sub 3], wonend te Poortvliet, gemeente Tholen,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], wonend te Wissenkerke, gemeente Noord-Beveland (hierna in enkelvoud: [appellant sub 4]),

5. [appellant sub 5], wonend te Kats, gemeente Noord-Beveland, en anderen

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009/0118, heeft de minister het gebied Oosterschelde aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en het besluit van 28 november 1989, kenmerk J. 897372, tot aanwijzing van het gebied Oosterschelde als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EU L 20) (hierna: de Vogelrichtlijn) gewijzigd.

Tegen dit besluit hebben Productschap Vis en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2010, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2010, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2011, waar Productschap Vis en andere, vertegenwoordigd door drs. C.M. Seip-Markenstijn, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.L. Mieras, [appellant sub 3], in persoon, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. J.L. Mieras, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot-Valentijn en drs. E.R. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998), gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen over het ontwerp naar voren worden gebracht.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan tegen een besluit geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij over het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.1.1. [belanghebbende] heeft geen zienswijze over het ontwerp-aanwijzingsbesluit naar voren gebracht. Voorts heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat hem van het niet indienen van een zienswijze redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover dit is ingesteld door [belanghebbende], niet-ontvankelijk.

Intrekking

2.2. Ter zitting hebben Productschap Vis en andere hun beroepsgronden gericht tegen het ontbreken van een adequate rechtsbescherming ten aanzien van de aanwijzing van de Oosterschelde als Habitatrichtlijngebied alsmede tegen de vaststelling van de lijst van gebieden van communautair belang, hun beroepsgrond dat het aanwijzingsbesluit gelijktijdig met het beheerplan had moeten worden vastgesteld, dat met de zienswijzen van de betrokken sectoren niets is gedaan en derhalve een concrete belangenafweging ontbreekt alsmede hun beroepsgrond gericht tegen het ontbreken van een onderscheid tussen nationale en Europese doelstellingen in het aanwijzingsbesluit, ingetrokken.

2.3. Ter zitting heeft [appellant sub 5] zijn beroepsgrond gericht tegen het binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied brengen van de Inlaag Katshoek, ingetrokken.

Wettelijk kader

2.4. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:

a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voorzover vereist ingevolge de Vogelrichtlijn of

b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voorzover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, eerste volzin, van de Nbw 1998, voor zover thans van belang, stellen gedeputeerde staten na overleg met de eigenaars, gebruikers en andere belanghebbenden, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. Tevens kan het beheerplan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel behoren tot de inhoud van een beheerplan ten minste:

a. een beschrijving van de beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in het aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik in dat gebied en, voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling, daarbuiten;

b. een overzicht op hoofdlijnen van de in de door het plan bestreken periode noodzakelijke maatregelen met het oog op de onder a bedoelde resultaten.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, voor zover hier van belang, kent, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van de Nbw 1998, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2.4.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Habitatrichtlijn wordt de staat van instandhouding van een soort als "gunstig" beschouwd wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover van belang, wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de lidstaten overeenkomstig de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones.

Ingevolge artikel 4, vierde lid van de Habitatrichtlijn wijst de betrokken lidstaat een gebied dat van communautair belang is verklaard zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Vogelrichtlijn dienen de lidstaten alle benodigde maatregelen te nemen om voor alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen.

Het beroep van Productschap Vis en andere

Rechtszekerheid

2.5. Productschap Vis en andere betogen dat de wijze waarop de instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd onvoldoende rechtszekerheid biedt. In geval van onzekerheid zal de minister vervolgens het voorzorgsbeginsel moeten toepassen, hetgeen volgens hen de bedrijfsactiviteiten ter plaatse aanzienlijk zal beperken.

2.5.1. De staatssecretaris heeft er ter zitting op gewezen dat in het aanwijzingsbesluit minimaal een behouddoelstelling dient te worden opgenomen. Een verdere uitwerking vindt plaats in het beheerplan en bij de vergunningverlening.

2.5.2. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn stelt een lidstaat, bij aanwijzing van een gebied dat van communautair belang is, prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat of van een soort. Ingevolge artikel 10a, tweede lid, van de Nbw 1998, formuleert de minister doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten. De Afdeling ziet gelet hierop geen grond voor het oordeel dat de minister bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen in het aanwijzingsbesluit gehouden was per aangewezen habitattype en soort deze doelstellingen nader te omschrijven en te concretiseren. In het beheerplan zullen de concreet te nemen instandhoudingsmaatregelen worden vastgelegd, die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de habitattypen en soorten. In hetgeen Productschap Vis en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

Ten aanzien van het betoog van Productschap Vis en andere dat de minister vooruitlopend op een onherroepelijk beheerplan passende maatregelen dient te nemen ten einde te voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, wordt overwogen dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op deze bevoegdheid, net zo min als de aanwending daarvan, zodat dit bezwaar in deze procedure niet aan de orde kan komen. Overigens staan tegen het nemen van een dergelijke maatregel op grond van artikel 19c, derde lid, en artikel 39, eerste lid, van de Nbw 1998 afzonderlijke rechtsmiddelen open.

Instandhoudingsdoelstellingen

Habitattype H1160

2.6. Productschap Vis en andere betogen dat in het aanwijzingsbesluit ten onrechte een verbeterdoelstelling is opgenomen voor het habitattype H1160 (grote, ondiepe kreken en baaien). Volgens Productschap Vis en andere is een verbeterdoelstelling voor de kwaliteit van dit habitattype niet realistisch, nu door de zogenoemde "zandhonger" de droogvallende platen op termijn waarschijnlijk volledig zullen verdwijnen. Derhalve ligt een behouddoelstelling voor de kwaliteit van dit habitattype dan ook meer in de rede, aldus Productschap Vis en andere.

2.6.1. In het aanwijzingsbesluit staat dat kwaliteitsverbetering met betrekking tot de oppervlakte van droogvallende platen, één van de ecotopen die onder dit habitattype valt en die een essentieel onderdeel vormt van dit gebied, gezien de "zandhonger" niet realistisch wordt geacht. Ter zitting heeft de staatssecretaris dit standpunt nader toegelicht en benadrukt dat de beoogde kwaliteitsverbetering is gericht op herstel van een evenwichtige afwisseling van de deelecosystemen, waaronder herstel van kleinschalige zoet-zout gradiënten, en de mosselbanken op droogvallende platen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de minister in redelijkheid een verbeterdoelstelling voor dit habitattype heeft kunnen opnemen in het aanwijzingsbesluit.

Habitattype H1365

2.7. Productschap Vis en andere betogen voorts dat in het aanwijzingsbesluit voor de soort H1365 (gewone zeehond) ten onrechte een verbeterdoelstelling is opgenomen. Daartoe voeren zij aan dat het aantal zeehonden in de Zeeuwse Delta de afgelopen jaren sterk is toegenomen zonder dat hieraan specifieke beschermingsmaatregelen ten grondslag hebben gelegen. Het nemen van maatregelen heeft volgens Productschap Vis en andere onevenredige gevolgen voor het recreatieve gebruik en de visserij in het gebied, terwijl de positieve effecten op de zeehondenpopulatie marginaal is. Derhalve volstaat voor dit habitattype een behouddoelstelling, zo stellen zij.

2.7.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de gewone zeehond landelijk een hersteldoelstelling heeft. Voor een duurzame populatie in het Deltagebied is het van belang om de kans op voortplanting te verbeteren, aldus de minister.

2.7.2. In het Doelendocument, dat aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag is gelegd, en het aanwijzingsbesluit staat de systematiek beschreven die de minister hanteert bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen.

De minister heeft uiteengezet dat de selectie en de vaststelling van de begrenzing van een Natura 2000-gebied uitsluitend plaatsvindt aan de hand van ecologische criteria. Vervolgens wordt de landelijke staat van instandhouding van de verschillende soorten en habitattypen bepaald, hetgeen is neergelegd in het zogenoemde Profielendocument.

2.7.3. Voor de soort H1365 is de doelstelling behoud van omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie ten behoeve van een regionale populatie van tenminste 200 exemplaren in het Deltagebied.

Ter zitting is van de zijde van de minister toegelicht dat hoewel de gewone zeehond in een gunstige staat van instandhouding verkeert, geen objectieve criteria aanwezig zijn om de Oosterschelde als gebied voor de gewone zeehond op voorhand te laten vervallen. Daarbij heeft hij gewezen op de omstandigheid dat de daar aanwezige kleine populatie zeehonden zichzelf niet in stand kan houden en voor de voortplanting afhankelijk is van immigratie van zeehonden uit de omgeving, met name de Waddenzee. De minister acht het van belang dat het oppervlak van het leefgebied en de ruimtelijke verspreiding van de gewone zeehond zich niet beperkt tot de Waddenzee en de Noordzeekustzone maar dat in de gebieden Voordelta, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe eveneens een populatie zeehonden in stand kan worden gehouden.

Gezien het vorenstaande heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een verbeterdoelstelling kunnen opnemen voor de kwaliteit van het leefgebied van de soort H1365 om de voortplanting te bevorderen. Voor zover Productschap Vis en andere betogen dat een toename van de gewone zeehond nadelige gevolgen heeft voor recreatie en visserij, overweegt de Afdeling dat uit de toelichting bij het bestreden besluit blijkt dat de minister in het kader van het uitgangspunt "haalbaar en betaalbaar" bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen, rekening heeft gehouden met economische en sociale belangen van de directe omgeving. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onvoldoende dan wel anderszins onjuist is.

scholekster

2.8. Productschap Vis en andere betogen verder dat voor de behouddoelstelling van de scholekster ten onrechte een populatie van gemiddeld 24.000 vogels wordt genoemd nu het aantal van deze soort sterk kan variëren. Zij vrezen dat een onverhoopte afname van dit aantal tot onjuiste conclusies over de afname van de kwaliteit van het leefgebied zal leiden en daarmee nadelige gevolgen zal hebben voor onder meer de kokkelvisserij in het gebied. Volgens hen is het noemen van streefgetallen voor het bepalen van de draagkracht van het gebied dan ook ongewenst.

Daarnaast zijn Productschap Vis en andere van mening dat ten onrechte de landelijke staat van instandhouding van de scholekster als zeer ongunstig wordt gekwalificeerd. Daartoe verwijzen zij naar de criteria in artikel 1, aanhef en onderdeel i van de Habitatrichtlijn waaruit volgens hen volgt dat de staat van instandhouding als gunstig kan worden gekwalificeerd.

2.8.1. De minister stelt zich op het standpunt dat het aantal van 24.000 geen streefgetal is maar een indicatie vormt voor de gewenste draagkracht van het gebied. De landelijke staat van instandhouding, zo volgt uit het Profielendocument, kwalificeert zich als zeer ongunstig vanwege het beoordelingsaspect populatie van de scholekster, te weten meer dan 25% onder de gunstige referentie, aldus de minister.

2.8.2. Voor de scholekster is in de Oosterschelde een doelstelling tot behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied opgenomen, met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 24.000 vogels (seizoensgemiddelde).

Uit artikel 10a van de Nbw 1998 noch uit de Vogel- of de Habitatrichtlijn volgt de verplichting om de doelen voor bepaalde soorten te kwantificeren. Verder zijn de genoemde aantallen volgens het besluit geen streefaantallen, maar vormen zij slechts een indicatie voor de gewenste draagkracht van het gebied. De voor de scholekster genoemde populatie van 24.000 betreft derhalve geen bindend aantal. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied niet heeft mogen aansluiten bij de populatie die minimaal benodigd is voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Noch uit de omschrijving die artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Habitatrichtlijn geeft van "gunstige staat van instandhouding", noch uit enige andere bepaling in de Vogel- of de Habitatrichtlijn volgt dat het streven naar een gunstige staat van instandhouding de verplichting met zich brengt tot het handhaven van populaties van soorten in een op grond van de Vogelrichtlijn aangewezen gebied in een omvang die overeenkomt met die op het moment waarop uitvoering moest zijn gegeven aan de op grond van die richtlijn geldende verplichtingen.

2.8.3. Bij de beoordeling van de landelijke staat van instandhouding van habitattypen en soorten is blijkens het Doelendocument zoveel als mogelijk aangesloten bij de zogenoemde "stoplichtenbenadering" zoals die binnen de Europese Unie is ontwikkeld ten behoeve van de bestaande rapportageverplichtingen. Hierbij worden de habitattypen en soorten op een aantal aspecten beoordeeld als gunstig, matig ongunstig of zeer ongunstig. Voor soorten betreft het de aspecten verspreiding, populatieomvang, leefgebied en toekomstperspectief. Indien een bepaalde soort op één van deze punten wordt beoordeeld als zeer ongunstig dan wordt de landelijke staat van instandhouding als zeer ongunstig aangemerkt. Productschap Vis en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat de scholekster vanwege de populatie niet in een landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert. Dit betoog faalt.

aalscholver

2.9. Productschap Vis en andere richten zich voorts tegen de aanwijzing van het gebied voor de aalscholver. Daartoe voeren zij aan dat in het Beleidsbesluit Binnenvisserij uit 1999 is opgenomen dat het ontstaan van nieuwe broedkolonies aalscholvers moet worden voorkomen.

Voorts strookt de aanwijzing volgens hen niet met het Nederlandse Aalbeheerplan dat ter uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1100/2007 van 18 september 2007 van de Raad van de Europese Unie omtrent het herstel van de populatie paling in Europa (hierna: de Europese Aalverordening) is opgesteld. In het Aalbeheerplan zijn maatregelen opgenomen om de teruggang van de paling tegen te gaan en herstel van de populaties te bevorderen. In deze verordening wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid genoemd om predatoren (waaronder de aalscholver) terug te dringen, zo stellen zij.

Tot slot wijzen Productschap Vis en andere erop dat door aanwijzing van de Oosterschelde voor de aalscholver het verlenen van een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) voor de bedrijfsmatige visserij ernstig wordt bemoeilijkt.

2.9.1. De minister stelt dat de aalscholver als niet-broedvogel is opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Ook is er geen verbeteropgave geformuleerd. Het in het Beleidsbesluit Binnenvisserij vermelde omtrent het voorkomen van nieuwe aalscholverkolonies is hiermee niet in strijd, zo stelt de minister.

2.9.2. Uit het Profielendocument blijkt dat de aalscholver landelijk in een gunstige staat van instandhouding verkeert. De aalscholver is in het aanwijzingsbesluit opgenomen als niet-broedvogel waarvoor de doelstelling behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 360 vogels (seizoensgemiddelde) is opgenomen. Het betoog van Productschap Vis en andere dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met het bepaalde in het Besluit Binnenvisserij uit 1999 kan de Afdeling niet volgen. In het aanwijzingsbesluit is immers geen doelstelling geformuleerd voor de aalscholver als broedvogel, zodat het ontstaan van nieuwe broedkolonies aalscholvers niet wordt beoogd. Ter zitting heeft de minister er voorts op gewezen dat ook indien een soort in een gunstige staat van instandhouding verkeert toch een behouddoelstelling wordt opgenomen om de gunstige staat van instandhouding ook in de toekomst te verzekeren. De Afdeling acht dit uitgangspunt in overeenstemming met de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Voor zover Productschap Vis en andere betogen dat het aanwijzingsbesluit niet strookt met de Europese Aalverordening wordt overwogen dat in de Europese Aalverordening voor de lidstaten de verplichting is opgenomen om een aalbeheerplan op te stellen. Nederland heeft met de vaststelling van het aalbeheerplan op 15 juli 2009 aan deze verplichting voldaan. De in het aalbeheerplan geformuleerde maatregelen ter verbetering van de populatie aal in Nederland betreffen niet het terugdringen van predatoren, waaronder de aalscholver. In artikel 5, derde lid, van de Europese Aalverordening is opgenomen dat vanaf het moment van inwerkingtreding van het aalbeheerplan voor de vraag of het vissen op aal is toegestaan, uitsluitend wordt getoetst aan het aalbeheerplan. Het aalbeheerplan is door de Europese Commissie goedgekeurd bij beschikking van 20 oktober 2009. Gelet hierop faalt dit betoog van Productschap Vis en andere.

2.9.3. Het betoog van Productschap Vis en andere omtrent het verlenen van een ontheffing in het kader van de Ffw heeft geen betrekking op het thans voorliggende aanwijzingsbesluit, zodat dit in deze procedure niet aan de orde kan komen.

Schade

2.10. Volgens Productschap Vis en andere is voorts onvoldoende duidelijk in hoeverre de visserijsector zal worden gecompenseerd voor eventuele schade. Volgens hen dient het aanwijzingsbesluit ondubbelzinnig uitsluitsel te geven over eventuele beperkingen van het bestaand gebruik omdat de keuze en formulering van de doelen in het aanwijzingsbesluit direct van invloed zijn op mogelijke economische schade voor de visserijsector. Productschap Vis en andere stellen dat schadevergoedingsverzoeken op grond van artikel 31 van de Nbw 1998 tot op heden zijn afgewezen vanwege de voorzienbaarheid.

2.10.1. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998 een regeling bevat voor vergoeding van schade die belanghebbenden lijden of zullen lijden als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a maakt deel uit van dit hoofdstuk, zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 opgenomen schadevergoedingsregeling. Toepassing van deze regeling valt buiten het kader van de onderhavige procedure, zodat vergoeding van schade als gevolg van het bestreden besluit thans niet ter beoordeling staat.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.11. [appellant sub 3] betoogt dat in het aanwijzingsbesluit de haven van Strijenham ten onrechte niet is geëxclaveerd. Hierdoor maakt de gehele haven deel uit van het Natura 2000-gebied terwijl de soorten waarvoor het gebied is aangewezen hier volgens hem niet voorkomen. Dit is in strijd met het uitgangspunt dat de aanwezigheid van habitattypen en soorten leidend is voor de begrenzing. Voorts is de begrenzing volgens hem in strijd met de algemene systematiek voor exclavering van havens. Ter zitting heeft [appellant sub 3] er op gewezen dat hij vreest dat de aanwijzing van de haven de onderhoudswerkzaamheden ter plaatse zullen bemoeilijken.

2.11.1. De minister stelt dat de haven reeds is aangewezen als staatsnatuurmonument en als Vogelrichtlijngebied. Het verkleinen van een Vogelrichtlijngebied is uitsluitend mogelijk als sprake is van een kennelijke begrenzingsfout, hetgeen hier niet aan de orde is, aldus de minister. Voorts vormt het gebied onderdeel van het intergetijdengebied (H1160). De minister ziet om die reden geen aanleiding de haven van Strijenham te exclaveren.

2.11.2. De Oosterschelde is reeds bij besluit van 28 november 1989 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. De haven maakte deel uit van dit in 1989 aangewezen Vogelrichtlijngebied. In het bestreden besluit wordt de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied op dit punt niet gewijzigd. [appellant sub 3] heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de Afdeling tot het oordeel komt dat de minister in afwijking van de eerdere aanwijzing ter uitvoering van de Vogelrichtlijn de grens van het gebied in zoverre diende te wijzigen. Verder heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de haven geen onderdeel vormt van het intergetijdengebied waarvoor ter uitvoering van de Habitatrichtlijn het habitattype H1160 is aangewezen. Voor zover het betoog van [appellant sub 3] is ingegeven vanwege de vrees dat onderhoudswerkzaamheden aan de haven worden bemoeilijkt, wijst de Afdeling erop dat de vraag of voor deze werkzaamheden een vergunning in het kader van de Nbw 1998 is vereist, en zo ja, of deze kan worden verleend, thans niet aan de orde kan komen.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.12. [appellant sub 2] en anderen betogen dat in het aanwijzingsbesluit ten onrechte de zeedijken alsnog binnen de begrenzing zijn opgenomen. Daardoor kunnen volgens hen problemen en gevaarlijke situaties ontstaan bij dijkverzwaringen en herstelwerkzaamheden aan de dijken. Vanuit veiligheidsoogpunt en agrarische belangen zouden de zeedijken buiten de begrenzing van het aanwijzingsbesluit moeten worden gelaten, aldus [appellant sub 2] en anderen.

2.12.1. De minister heeft er ter zitting op gewezen dat de begrenzing ter plaatse van de zeedijken bij de vaststelling van het bestreden besluit is gewijzigd omdat de voorheen gehanteerde "buitenteen" tot onduidelijkheid leidde waar schorren langs de dijk liggen. Bovendien, zo stelt de minister, zou de grens dan door habitattypen worden getrokken, hetgeen strijdig is met het uitgangspunt dat de ligging van habitattypen leidend dient te zijn voor de begrenzing.

2.12.2. De Afdeling is van oordeel dat de minister op juiste gronden de begrenzing op de buitenkruinlijn van de waterkerende dijken langs de Oosterschelde heeft gelegd. De door [appellant sub 2] en anderen gestelde belangen mogen bij die begrenzing geen rol spelen. Gelet op artikel 4 van de Vogelrichtlijn mogen bij de selectie en begrenzing van gebieden die mogelijk in aanmerking komen voor aanwijzing op grond van de Vogelrichtlijn slechts ornithologische criteria worden gehanteerd. Hierbij verwijst de Afdeling naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: Europese Unie) in de Lappel Bank-zaak van 11 juli 1996 (C-44/95) en de Santoña-zaak van 2 augustus 1993 (C-355/90) (www.curia.europa.eu).

Daarnaast mogen volgens vaste jurisprudentie van het Hof bij een aanwijzingsbesluit ter uitvoering van de Habitatrichtlijn uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de selectie en begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping, punten 16 en 25 (www.curia.europa.eu).

Overigens heeft de minister er op gewezen dat de Nbw 1998 niet in de weg staat aan het nemen van maatregelen met betrekking tot waterkerende zeedijken die vanwege de openbare veiligheid noodzakelijk zijn om de waterkerende functie te blijven waarborgen. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van de minister onjuist is.

Habitattype H1160

2.12.3. [appellant sub 2] en anderen betogen dat in het aanwijzingsbesluit voor het habitattype H1160 (grote, ondiepe kreken en baaien) ten onrechte de doelstelling behoud van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit is opgenomen.

2.12.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.6.1 is overwogen heeft de minister in redelijkheid een verbeterdoelstelling voor dit habitattype kunnen opnemen in het aanwijzingsbesluit. In het betoog van [appellant sub 2] en anderen ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

Ten aanzien van de doelstelling behoud van de oppervlakte wordt gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, overwogen dat indien een gebied wordt aangewezen voor een kwalificerend habitattype - in dit geval grote, ondiepe kreken en baaien - in het aanwijzingsbesluit niet kan worden volstaan met een instandhoudingsdoelstelling die ertoe leidt dat het desbetreffende habitattype op landelijk niveau in een ongunstige staat van instandhouding blijft verkeren dan wel komt te verkeren. Uit het hiervoor aangehaalde artikel van de Habitatrichtlijn volgt immers dat de lidstaat in beginsel is gehouden om alle benodigde maatregelen te treffen om kwalificerende habitattypen en soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden dan wel te herstellen. Derhalve heeft de minister voor het habitattype H1160 terecht een behouddoelstelling voor de oppervlakte opgenomen.

Habitattypen H7140B

2.13. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat in het aanwijzingsbesluit voor het habitattype H7140B (veenmosrietlanden) ten onrechte een verbeterdoelstelling is opgenomen. Daartoe voeren zij aan dat de huidige kwaliteit matig is en verbetering niet in de rede ligt nu veenmosrietlanden zeer gevoelig zijn voor stikstofdepositie, vermesting en verdroging terwijl het aangewezen gebied in een agrarische regio ligt. Gezien het geïsoleerde verspreidingsgebied, de geringe omvang van het areaal en de biotische en abiotische omstandigheden dient deze instandhoudingsdoelstelling uit het aanwijzingsbesluit te worden geschrapt, aldus [appellant sub 2] en anderen.

2.13.1. De minister stelt zich op het standpunt dat, hoewel het habitattype H7140B beperkt is tot enkele zoete inlagen in de Oosterschelde, er binnen deze inlagen enige mogelijkheden zijn om de oppervlakte veenmosrietlanden uit te breiden. Daarmee kan het gebied een bijdrage leveren aan de verplichting om dit habitattype landelijk van een matig ongunstige in een gunstige staat van instandhouding te brengen.

2.13.2. Voor het habitattype H7140B is de doelstelling uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit opgenomen. Niet in geschil is dat het habitattype H7140B in een matig ongunstige staat van instandhouding verkeert. In het Profielendocument staat vermeld dat de kwalificatie van de staat van instandhouding als matig ongunstig het gevolg is van afname van het oppervlak vanwege geleidelijke verbossing. Het toekomstperspectief is als betrekkelijk ongunstig beoordeeld. Een groot knelpunt is volgens het Profielendocument de waterkwaliteit. Het streven naar een gunstige staat van instandhouding wordt beoogd door de huidige verspreiding van het habitattype in grote lijnen te behouden. Dit betreft volgens het Profielendocument niet alleen de klassieke zoete en brakke laagveengebieden maar ook het voorkomen van het habitattype in Noord-Brabant, langs de Friese IJsselmeerkust en in Zeeland.

Ter zitting heeft de minister erkend dat een beperkt aantal inlagen, te weten Inlaag Vlietepolder, Wanteskuup, aanzet Inlaag Anna Frisopolder en de Goesse Sas, ten noorden van Kattendijke, geschikt zijn voor de ontwikkeling van dit habitattype. Weliswaar zijn dit kleine oppervlakten maar de minister heeft ter zitting toegelicht dat wordt gestreefd naar spreiding van dit habitattype en het stimuleren van de aanwezigheid van zoet water. Daartoe zal gericht beheer plaatsvinden. Gezien het vorenstaande heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de doelstelling uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit kunnen opnemen. Dat andere gebieden beter kwalificeren doet aan dit oordeel niet af. Voor zover [appellant sub 2] en anderen wijzen op de gevoeligheid van veenmosrietlanden voor stikstofdepositie wordt overwogen dat ondanks het agrarische karakter van het gebied en de daarmee gepaard gaande stikstofdepositie het gebied kwalificeert voor dit habitattype. In het beheerplan zullen de concreet te nemen instandhoudingsmaatregelen worden vastgelegd, waarbij tevens de stikstofproblematiek per afzonderlijk gebied kan worden bezien.

Habitattype H1320

2.14. [appellant sub 2] en anderen betogen dat in het aanwijzingsbesluit voor het habitattype H1320 (slijkgrasvelden) ten onrechte een behouddoelstelling is opgenomen. Daartoe voeren zij aan dat behoud op het huidige niveau onhaalbaar is omdat dit habitattype groeit op periodiek met zout water overspoelde slikken. Vanwege de zogenoemde "zandhonger" is reeds een groot gedeelte van de platen verdwenen en deze ontwikkeling zet zich verder door, aldus [appellant sub 2] en anderen. Voorts wijzen zij op een passage in het aanwijzingsbesluit waarin staat dat dit habitattype mag afnemen ten gunste van het habitattype H1310A (zeekraal). Volgens [appellant sub 2] en anderen dient de doelstelling voor het habitattype H1320 in het aanwijzingsbesluit te worden geschrapt.

2.14.1. De minister stelt zich op het standpunt dat slijkgrasvelden een functie als beschermingszone hebben tegen het eroderen van het habitattype H1330 (schorren en zilte graslanden). Daarnaast wijst de minister erop dat voor alle habitattypen minimaal een behoudopgave geldt om te voorkomen dat de draagkracht van een habitattype in een gebied niet achteruit gaat.

2.14.2. Voor het habitattype H1320 is de doelstelling behoud oppervlakte en behoud kwaliteit opgenomen. In het aanwijzingsbesluit is opgenomen dat de landelijke staat van instandhouding van dit habitattype op de aspecten oppervlakte en kwaliteit is beoordeeld als respectievelijk gunstig en zeer ongunstig. De zeer ongunstige kwaliteit van het habitattype wordt veroorzaakt doordat de belangrijkste soort klein slijkgras geheel of vrijwel geheel verdwenen is. Het habitattype H1320 komt wel voor in een vorm met Engels slijkgras. Deze matige vorm ontstaat vaak op plekken waar kwelders eroderen. Daarom mag in een deel van de gebieden het areaal slijkgrasvelden afnemen ten gunste van het habitattype H1310A (zeekraal), zo staat in het aanwijzingsbesluit.

2.14.3. Ten aanzien van het gestelde gebrek aan mogelijkheden tot behoud van slijkgrasvelden, overweegt de Afdeling, mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 2.12.4 is overwogen, dat gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, indien een gebied wordt aangewezen voor een kwalificerend habitattype - in dit geval slijkgrasvelden - in het aanwijzingsbesluit niet kan worden volstaan met een instandhoudingsdoelstelling die ertoe leidt dat het desbetreffende habitattype op landelijk niveau in een ongunstige staat van instandhouding blijft verkeren dan wel komt te verkeren. Uit het hiervoor aangehaalde artikel van de Habitatrichtlijn volgt immers dat de lidstaat in beginsel is gehouden om alle benodigde maatregelen te treffen om kwalificerende habitattypen en soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden dan wel te herstellen. Derhalve heeft de minister voor het habitattype H1320 terecht de doelstelling behoud oppervlakte en behoud kwaliteit opgenomen.

Dat, zoals in het aanwijzingsbesluit is verwoord, voor slijkgrasvelden enige afname ten gunste van het habitattype H1310A (zeekraal) is toegestaan doet aan bovenstaand oordeel niet af, gelet op de ecologische onderbouwing die de minister daaraan ten grondslag heeft gelegd.

Habitattypen H1310A en H1330B

2.15. [appellant sub 2] en anderen betogen dat in het aanwijzingsbesluit voor het habitattype H1310A (zilte pionierbegroeiingen, zeekraal) en H1330B (schorren en zilte graslanden, binnendijks) ten onrechte de doelstelling uitbreiding oppervlakte is opgenomen. Daartoe voeren zij aan dat de ontwikkeling van deze habitattypen de laatste jaren heeft plaatsgevonden op onder andere de zuidkust van Schouwen en Tholen, zodat hiermee voldaan is aan de uitbreidingsdoelstelling. Daarnaast is volgens hen ten onrechte geen oppervlaktemaat gekoppeld aan de uitbreidingsdoelstelling.

2.15.1. De minister stelt zich op het standpunt dat in de inlagen en karrevelden een brede variatie en een aanzienlijke oppervlakte zeekraalbegroeiingen aanwezig is en dat voorts goede mogelijkheden bestaan voor uitbreiding van deze habitattypen, waarmee het gebied een grotere bijdrage kan leveren aan de verplichting om het habitattype landelijk van een ongunstige in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Ook binnendijkse schorren en zilte graslanden komen voor in de inlagen en karrevelden, waarbij tevens mogelijkheden bestaan voor uitbreiding door middel van natuurontwikkeling, zo stelt de minister. De minister wijst er voorts op dat in het beheerplan de omvang en middelen worden vastgelegd ter realisering van bovenstaande doelen.

2.15.2. Voor de habitattypen H1310A (zilte pionierbegroeiingen, zeekraal) en H1330B (schorren en zilte graslanden, binnendijks) is voor het gebied Oosterschelde de doelstelling uitbreiding van de oppervlakte opgenomen. De Afdeling is van oordeel dat de minister in redelijkheid een uitbreiding van de oppervlakte van de habitattypen H1310A en H1330B heeft kunnen opnemen. Hierbij betrekt de Afdeling dat blijkens het Profielendocument het habitattype H1310A ten aanzien van het beoordelingsaspect oppervlakte landelijk als matig ongunstig wordt beoordeeld. Weliswaar is voor het habitattype H1330B in het Profielendocument ten aanzien van het beoordelingsaspect oppervlakte opgenomen dat deze als gunstig kan worden beoordeeld, maar in het aanwijzingsbesluit is opgenomen dat niettemin een uitbreiding van de oppervlakte wordt nagestreefd omdat de oppervlakte aan kwelders in dit gebied sterk afwijkt van de natuurlijke situatie. [appellant sub 2] en anderen hebben geen redenen aangevoerd om dit uitgangspunt van de minister onredelijk te achten.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen in dit kader wijzen op het aanmeldingsdocument van de Oosterschelde heeft de minister er ter zitting op gewezen dat de beschermingsstatus ecologisch gezien nog wel relevant is, maar dat ten aanzien van de specifieke staat van instandhouding sedert de aanmelding nieuwe actuele informatie is vergaard die is meegenomen in het aanwijzingsbesluit. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van de minister onjuist is.

Zoals hiervoor onder 2.8.2 is overwogen volgt uit de Nbw 1998 noch uit de Habitatrichtlijn de verplichting de doelen voor bepaalde habitattypen en soorten te kwantificeren, zodat dit betoog van [appellant sub 2] en anderen faalt. Overigens zullen in het op te stellen beheerplan de instandhoudingsdoelstellingen nader worden uitgewerkt onder meer wat betreft de omvang.

grauwe gans, brandgans en rotgans

2.16. [appellant sub 2] en anderen betogen dat in het aanwijzingsbesluit voor de grauwe gans, de brandgans en de rotgans ten onrechte een seizoensgemiddelde is opgenomen dat is gebaseerd op de periode van juli tot en met juni. In dit verband wijzen zij erop dat de instandhoudingsdoelstellingen gericht zijn op het bieden van foerageerruimte en slaapplaatsen voor het overbruggen van de winterperiode.

2.16.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de populatiedoelstellingen geen betrekking hebben op een volledig jaar. Voor de bij het bestreden besluit aangewezen ganzen als niet-broedvogels worden voor bepaling van het seizoensgemiddelde alleen de aantallen van oktober tot en met maart gebruikt. Voorts zijn de gehanteerde aantallen geen streefgetallen maar een indicatie voor de draagkracht van het gebied, zo stelt de minister.

2.16.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij haar uitspraak van 5 november 2008, in zaaknr. 200802545/1 mag de minister bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstelling voor vogelsoorten in redelijkheid uitgaan van seizoensgemiddelden nu het seizoensgemiddelde een stabieler beeld geeft van het gebruik van het gebied over het hele seizoen en daarnaast het seizoensgemiddelde minder fluctueert dan het seizoensmaximum en minder afhankelijk is van weersomstandigheden en telfouten. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding thans anders te oordelen.

De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5]

2.17. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voeren als procedureel punt aan dat de minister bij de beantwoording van de zienswijze ten onrechte heeft volstaan met een algemene beantwoording. Volgens [appellant sub 4] en [appellant sub 5] had de minister uit zorgvuldigheidsoverwegingen op elke zienswijze afzonderlijk moeten reageren.

2.17.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de zienswijzen samengevat worden weergegeven en dat de minister deze per thema behandeld. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Dat door deze opzet de individuele bezwaren moeilijker te herleiden zijn, zoals [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen, leidt niet tot een ander oordeel.

2.18. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen voorts dat de minister bij de selectie en de begrenzing van het gebied ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de administratieve lasten voor de overheid en met de belangen van het bedrijfsleven en de economische vitaliteit in het gebied.

2.18.1. Zoals hiervoor onder 2.12.2 is overwogen kunnen bij de selectie en de begrenzing van het gebied uitsluitend overwegingen van ornithologische en ecologische aard worden betrokken. Het betoog dat de minister bij de selectie en de begrenzing van het gebied ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door [appellant sub 4] en [appellant sub 5] gestelde belangen faalt derhalve.

2.19. [appellant sub 4] voert verder aan dat het Bokkegat ten onrechte binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied is gebracht, dat voor de habitattypen overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden ten onrechte de doelstelling voor uitbreiding van het oppervlak is opgenomen en dat voor de noordse woelmuis ten onrechte een uitbreiding van de populatie wordt nagestreefd.

2.19.1. [appellant sub 4] heeft zich wat betreft deze beroepsgronden in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de van het aanwijzingsbesluit deel uitmakende bijlage C is ingegaan op deze zienswijze. In het beroepschrift heeft hij geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze onjuist zou zijn. Deze beroepsgronden kunnen daarom niet slagen.

Conclusie

2.20. Hetgeen Productschap Vis en andere, [appellant sub 3], [appellant sub 2] en anderen, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het beroep is ingesteld door [belanghebbende];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen voor het overige en de beroepen van Productschap Vis en andere, [appellant sub 3], [appellant sub 4A], [appellante sub 4B], [appellant sub 5] en anderen geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

12-608.