Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
200907550/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuwe Driemanspolder-Roeleveen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/7 met annotatie van P.M.J. de Haan
JOM 2011/772
JM 2011/141 met annotatie van P. Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907550/1/R2.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], wonend te Zoetermeer (hierna in enkelvoud aan te duiden als [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Zoetermeer,

3. [appellant sub 3], wonend te Zoetermeer,

4. [appellant sub 4], wonend te Zoetermeer,

5. [appellant sub 5A], [appellante sub 5B], [appellant sub 5C],

[appellant sub 5D], [appellant sub 2] en [appellant sub 5F] en [appellant sub 5G] (hierna in enkelvoud aan te duiden als [appellant sub 5]), allen wonend te Zoetermeer en handelend onder de naam Zoetermeerse leden van de werkgroep economische gebruikers nieuwe driemanspolder,

6. [appellant sub 6], wonend te Zoetermeer,

en

de raad van de gemeente Zoetermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuwe Driemanspolder-Roeleveen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, [appellant sub 5A], [appellante sub 5B], [appellant sub 5C], [appellant sub 5D], [appellant sub 2] en [appellant sub 5], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2009 en [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5A], [appellante sub 5B], [appellant sub 5C], [appellant sub 5D], [appellant sub 2] en [appellant sub 5], [appellant sub 6] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 4] en [appellant sub 5A] c.s. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2011, waar [appellant sub 1], [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Immens, [appellant sub 6] in persoon en bij monde van mr. G.J.M. Immens, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door ing. C.H. van Zadelhof, [appellant sub 5A], [appellante sub 5B], [appellant sub 5C], [appellant sub 5D], [appellant sub 2] en [appellant sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J.A.J. Roest en V.R. de Groot, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellant sub 5A], [appellante sub 5B], [appellant sub 5C], [appellant sub 5D], [appellant sub 2] en [appellant sub 5], Zoetermeerse leden van de werkgroep economische gebruikers Nieuwe Driemanspolder, die handelen onder de naam van de werkgroep dienen, gelet op de situering van hun gronden, als belanghebbende te worden aangemerkt.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Vast staat dat [appellant sub 5C] een zienswijze heeft ingediend, maar zijn zienswijze is bij de vaststelling van het plan door de raad niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Het beroep van [appellant sub 5C] is niet-ontvankelijk.

2.1.2. Het beroep van [appellant sub 5A], [appellant sub 5B], [appellant sub 5D], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] (hierna: te noemen: [appellant sub 5A] en anderen) is ontvankelijk.

Het plan

2.2. Het plan vormt een onderdeel van het project Nieuwe Driemanspolder waarin de Nieuwe Driemanspolder, die thans een grotendeels agrarische functie heeft, wordt ingericht als natuur-, recreatie- en waterbergingsgebied. In het project participeren de gemeentebesturen van Den Haag, Zoetermeer, Leidschendam-Voorburg, de hoogheemraadschappen van Rijnland en Delfland, de provincie Zuid-Holland en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Nieuwe Driemanspolder maakt deel uit van de Groen-Blauwe slinger, zijnde een groenverbinding tussen het Groene Hart en Midden-Delfland.

Beroepen van [appellant sub 5A] en anderen en [appellant sub 2]

2.3. [appellant sub 5A] en anderen betogen dat de raad misbruik van zijn bevoegdheden heeft gemaakt bij het vaststellen van het plan door de besluitvorming onnodig lang te laten duren. Dit heeft, aldus [appellant sub 5A] en anderen, onder meer negatieve gevolgen gehad voor de waarde van hun gronden hetgeen de raad kan worden aangerekend.

2.3.1. [appellant sub 5A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van misbruik van bevoegdheden door de raad. Het antwoord op de vraag naar de invloed van de vaststelling van het plan en de planprocedure op de waarde van de grond in het plangebied staat niet ter beoordeling in het thans voorliggende geschil. Dit betoog faalt.

2.4. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemming "Groen" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)" toegekend aan het door hem gepachte perceel gemeente Stompwijk sectie D, nummer 1539. Hij betoogt dat het plan zal leiden tot een belemmering in zijn bedrijfsvoering omdat de in dit gebied gepachte gronden niet meer voor zijn agrarische bedrijfsvoering kunnen worden gebruikt. Hij betoogt dat de gepachte percelen niet nodig zijn voor piekberging van water en dat het agrarische gebruik mogelijk moet blijven.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toekennen van de bestemming "Groen" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)" aan genoemde gronden noodzakelijk is voor de functiewijziging naar waterberging in het gebied en voor de recreatieve en landschappelijke ontwikkelingen die zijn voorzien. Deze functiewijziging en de beschreven ontwikkelingen zijn opgenomen in het streekplan Zuid-Holland West uit 2003. Volgens de raad is de herinrichting van de Nieuwe Driemanspolder noodzakelijk voor een goed waterbeheer in het gebied en bedoeld om te voorzien in de tijdelijke behoefte aan de waterbergende capaciteit in noodsituaties, de zogeheten piekbergfunctie. Hierdoor heeft de raad de bereidheid om een grootschalige transformatie zoals in het voorliggende plan het geval is te faciliteren. De raad heeft onderkend dat het plan grote gevolgen zal hebben voor de uitstraling van het gebied omdat de agrarische functie daarbij zal verdwijnen. Het is, aldus de raad, niet mogelijk de functie van waterberging met voortzetting van de huidige agrarische activiteiten te combineren. De raad heeft voorts aangegeven dat de functie van piekberging het noodzakelijk maakt dat parallel aan de bestaande lintbebouwing van de Voorweg en Wilsveen een nieuw dijklichaam wordt opgericht.

2.4.2. In de plantoelichting is aangegeven dat het veranderende klimaat en de zeespiegelrijzing al geruime tijd vragen om meer mogelijkheden voor een duurzaam waterbeheer en meer ruimte voor water. Mogelijkheden hiervoor bieden zogenaamde seizoensbergingen, waarmee het oppervlaktewater in regenrijke periodes (met name in de winter) kan worden vastgehouden en waarmee het relatief schone regenwater gebruikt kan worden voor een algemene verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat het gebied in drogere periodes zoveel mogelijk zelfvoorzienend is en er mogelijk ook water beschikbaar is voor omringende natuur- en landbouwgebieden of het waterstelsel van aangrenzende stadsdelen. De wateroverlast eind jaren negentig in West-Nederland heeft laten zien dat een overschot aan water veel schade kan toebrengen. De situaties die zich in het Westland hebben voorgedaan kunnen zich in de nabije toekomst ook in de regio Nieuwe Driemanspolder voor gaan doen. Naast uitbreiding van de gemaalcapaciteit (Katwijk) is het noodzakelijk om bij hoge waterstanden in de boezem bij Stompwijk het overschot aan boezemwater tijdelijk te kunnen bergen, de zogenaamde piekberging. De meest geschikte lokatie voor een dergelijke voorziening is geografisch en planologisch gezien de Nieuwe Driemanspolder. In de polder werd en wordt immers al enige tijd in een functieverandering ten behoeve van de waterberging voorzien. Daarnaast biedt ook de korte afstand tot het boezemwater van Rijnland en het probleemgebied rond Stompwijk een uitstekende mogelijkheid de knelpunten in het regionale watersysteem op te lossen, aldus de plantoelichting.

2.4.3. [appellant sub 2] exploiteert in de Driemandspolder een rundveehouderij. Hij bezit een perceel weiland in de hoek Wilsveen-Voorweg te Stompwijk. Het perceel ligt niet binnen de gemeente Zoetermeer, maar binnen de gemeentegrenzen van Leidschendam-Voorburg en derhalve buiten het plangebied. [appellant sub 2] is verder pachter van landbouwgronden achter zijn boerderij, gelegen aan de Voorweg 167b. De landbouwgronden achter zijn boerderij liggen in het plangebied.

Aan deze percelen is de bestemming "Groen" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)" toegekend.

2.4.4. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Op de streekplankaart is de Nieuwe Driemanspolder weergegeven als een transformatiegebied met als functie waterberging (piek- en seizoensberging en een groenblauw raamwerk (accent op natuur, water en recreatie). Gelet daarop heeft de raad een groot gewicht kunnen toekennen aan deze functies en de beoogde functiewijziging. Een goede ruimtelijke ordening brengt echter met zich dat bij het toekennen van een bestemming de belangen van het bedrijf in de afweging dienen te worden betrokken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat die bedrijfsgebouwen van [appellant sub 2] zijn gesitueerd op gronden die liggen binnen het bestemmingsplan "Voorweg" en dat die gronden ingevolge dit plan positief zijn bestemd. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat het bedrijf indien de gepachte gronden in het plangebied niet meer voor bedrijfsmatige activiteiten kunnen worden gebruikt, niet meer levensvatbaar is en dat tot onteigening van de gronden zal worden overgegaan. Hierbij zullen de criteria van de Onteigeningswet in acht worden genomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hierbij miskend dat de bedrijfsgebouwen van [appellant sub 2] zijn gelegen op gronden die onder het bestemmingsplan "Voorweg" vallen en dat er gelet op de bestemming die aan die gronden is toegekend geen titel voor onteigening is. Ook is onzeker of [appellant sub 2] langs minnelijke weg mee zal werken aan verkoop van zijn gronden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het vinden van een alternatieve lokatie in de omgeving lastig zal zijn, hetgeen de raad heeft onderkend. Nu vaststaat dat zonder de gepachte gronden in het plangebied geen rendabele bedrijfsvoering mogelijk is en geen zicht bestond op een oplossing voor het resterende deel van het bedrijf heeft de raad in redelijkheid niet kunnen volstaan met het anders bestemmen van dit deel van het bedrijf. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling met de belangen van [appellant sub 2] in de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden. Het betoog slaagt.

2.5. [appellant sub 2] en [appellant sub 5A] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming Water en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied (WS - WB)". [appellant sub 5A] en anderen maken bezwaar tegen de aanleg van kaden die het bergingsgebied gaan omvatten, die worden gesitueerd in de nabijheid van hun bedrijfspercelen en woningen. Zij vrezen dat de ontwikkelingsmogelijkheden van hun bedrijven hierdoor worden geschaad. [appellant sub 2] betoogt dat door het aanleggen van de kaden het open karakter van het polderlandschap en de karakteristieken van het gebied zoals de boerderijlinten en droogmakerijen verloren zullen gaan.

2.5.1. Aan de gronden ter plaatse van het waterbergingsgebied is de bestemming "Water" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied (WS - WB)" toegekend.

2.5.2. In artikel 16, lid 16.1.1, van de planregels is bepaald dat de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden primair zijn bestemd voor:

a. waterberging en waterhuishouding;

met de daarbij behorende:

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 16, lid 16.2 mogen op de gronden, als bedoeld in lid 16.1.1, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de in het eerste lid genoemde bestemming, met een maximale hoogte van 5 m.

2.5.3. Artikel 1.16 van de planvoorschriften regelt wat een bouwwerk is. Daaraan voldoet een kade. De kade mag dus worden aangelegd op de bestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied". De Afdeling stelt vast dat de aan te leggen kaden rond het waterbergingsgebied niet op de plankaart zijn aangegeven. De situering van de kaden binnen de bestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" en hoogte van de kaden is evenmin in de planregels vastgelegd. Ook de maximale bergingscapaciteit is niet geregeld in het plan. Voorts is in het plan geen aanlegvergunningstelsel opgenomen dat betrekking heeft op de maatvoering van de kaden en het gebruik van het waterbergingsgebied.

2.5.4. De hoogte van de kaden wordt uitsluitend besproken in bijlage 19 bij de toelichting "Nieuwe Driemanspolder Zoetermeer/Leidschendam-Voorburg - Geotechnische Aspecten". Hieruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling is dat geen sprake zal zijn van hogere kaden dan circa 2 meter.

2.5.5. Aan de regeling in genoemde toelichting komt echter geen bindende betekenis toe. Nu de kaden niet zijn geregeld in het plan moet worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Dit heeft tot gevolg dat de kaden kunnen worden gesitueerd op de uiterste begrenzing van het plandeel met de bestemming "Water" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied (WS - WB)" en dat de hoogte - nu deze niet is gelimiteerd - onbegrensd is. Ook de waterbergingscapaciteit is onbegrensd.

2.5.6. De Afdeling acht het niet reguleren van de hoogte van de kaden en bergingscapaciteit in strijd met de rechtszekerheid en in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Dat - zoals de raad naar voren heeft gebracht - een beoordeling in het kader van de Waterwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zal plaatsvinden, in welke procedures alsnog voorschriften kunnen worden verbonden aan de waterberging, maakt dit niet anders reeds omdat genoemde wetten niet dezelfde belangen beschermen als de Wet ruimtelijke ordening. De betogen slagen.

Slotconclusie beroepen [appellant sub 2] en [appellant sub 5A] en anderen

2.5.7. Gelet op hetgeen is overwogen in de overwegingen 2.4.4. en 2.5.6 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Groen" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)", dit voor zover het betreft door [appellant sub 2] gepachte gronden, en "Water" voor zover de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied (WS - WB)" is toegekend niet berusten op een deugdelijke motivering.

2.5.8. De beroepen van [appellant sub 5A] en anderen en [appellant sub 2] zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre, zoals hierna aangegeven, wegens strijd met de artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.5.9. Gelet op de samenhang met aangrenzende plandelen met de bestemmingen "Groen", "Natuur", "Gemengd", "Recreatie" en "Water" met (deels) de aanduiding "ecologische verbindingszone (evz)", zoals hierna aangegeven, welke plandelen nodig zijn voor de functiewijziging naar waterberging, ziet de Afdeling tevens aanleiding het bestreden besluit voor zover dat strekt tot vaststelling van deze plandelen, te vernietigen.

2.6. De overige bezwaren van [appellant sub 5A] en anderen en [appellant sub 2] kunnen, gelet op het voorgaande, buiten bespreking blijven.

Beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 1] en [appellant sub 4]

2.7. [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "baggerspeciedepot (bsd)" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)" op de lokatie ten noorden van de Voorweg in de meest noordoostelijke punt van het plangebied. Zij betwisten de noodzaak van het baggerspeciedepot, alsmede de noodzaak op deze lokatie en noemen alternatieve lokaties waar het baggerspeciedepot kan worden aangelegd. Zij vrezen mede omdat onduidelijk is tot welke capaciteit het gebruikt zal worden voor onevenredige aantasting van het landschap en aantasting van het woon- en leefklimaat door het baggerspeciedepot. Bovendien vrezen zij dat het baggerspeciedepot ook zal worden benut voor vervuild slib van elders. [appellant sub 6] en [appellant sub 1] betogen dat de aan- en afvoer van de baggerspecie ten onrechte niet is geregeld in het plan. Pas laat in de procedure is duidelijk geworden dat voor het depot een weg is vereist. Deze weg is ten onrechte niet voorzien in het plan.

2.7.1. Aan de gronden ter plaatse van het baggerspeciedepot is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "baggerspeciedepot (bsd)" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)" toegekend.

2.7.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de "aanduiding (bsd)" bestemd voor de opslag van baggerspecie in de klasse 1 en 2.

2.7.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.5.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) werken geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren in de gebieden met een aanduiding archeologische waarden.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1.1, van de planregels is bepaald dat de voor "Waterstaat - Waterkering" aangewezen gronden primair zijn bestemd voor:

a. de waterkering en waterhuishouding;

met de daarbij behorende:

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 17, lid 17.2, mogen op de gronden, zoals bedoeld in artikel 17.1.1, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de in het eerste lid genoemde bestemming, met een maximale hoogte van 5 m.

2.7.4. [appellant sub 3], [appellant sub 6] en [appellant sub 1] betwisten de noodzaak van het baggerspeciedepot. Zij hebben aangevoerd dat de baggerspecie op de toekomstige eilanden in het recreatiegebied kan worden afgezet zodat geen baggerspeciedepot nodig is. In het deskundigenbericht is in dit verband aangegeven dat de inrichting van de Drooggemaakte Grote Polder zal worden gedomineerd door de aanwezigheid van het baggerspeciedepot. Hoewel de openheid van het landschap in zekere mate blijft gehandhaafd zal wel sprake zijn van een relatief grote verandering van het landschap. Voorts staat niet vast dat onder alle omstandigheden aan de gangbare richtlijnen voor het langtijdsgemiddelde geluidsniveau en maximale geluidsniveau kan worden voldaan. Het is, zo stelt het deskundigenbericht, onvermijdelijk dat door de functie wijziging nadelige gevolgen voor de aanwezige fauna ontstaan waarvoor compenserende maatregelen moeten worden getroffen. De lokatie waarop het baggerspeciedepot is geprojecteerd was bedoeld als compensatie gebied maar door de aanleg van het depot kan daarvan niet langer sprake zijn. Uit de stukken blijkt niet hoe dit wordt gecompenseerd. Bij de keuze van de raad voor deze lokatie is, zo blijkt uit de reactienota, een belangrijke overweging geweest dat het afzetten van bagger op de zogeheten "eilanden" niet gewenst is vanwege de beoogde verarming van het gebied. In het deskundigenbericht wordt echter aangegeven dat de baggerspecie relatief rijk is aan nutriënten zoals fosfaten en nitraten en dat door het afzetten van baggerspecie op de eilanden of de kant een zekere mate van verrijking van deze gronden optreedt. Omdat het baggeren slechts incidenteel plaatsvindt valt echter nog te bezien of de bagger op langere termijn leidt tot een grote invloed op de vegetatie op de eilanden, aldus de deskundige. Eerst in een laat stadium van de planvorming is tot de aanleg van een baggerspeciedepot besloten. Mede in het licht van de opmerking van de deskundige is de Afdeling van oordeel dat onvoldoende is onderzocht of de baggerspecie op toekomstige eilanden in het recreatiegebied kan worden afgezet hetgeen het baggerspeciedepot overbodig zou maken. Het betoog slaagt.

2.7.5. De Afdeling stelt voorts vast dat de hoogte van de kaden van het baggerspeciedepot niet op de plankaart is aangegeven en evenmin in de planregels is vastgesteld. Ook de bergingscapaciteit is niet geregeld in het plan. Er is geen aanlegvergunningsstelsel opgenomen in het plan dat betrekking heeft op de maatvoering van het baggerspeciedepot. Het voor de bestemming opgenomen aanlegvergunningsstelsel is uitsluitend opgenomen met het oog op de bescherming van de archeologische waarden in het gebied.

2.7.6. In de plantoelichting is aangegeven dat het depot een voorziening met een oppervlakte van bruto 4,4 hectare en een bergingscapaciteit van circa 28.500 m3 betreft. Verwacht wordt dat in het plangebied ten zuiden van de Voorweg eens in de 8 tot 10 jaar zal worden gebaggerd, waarna het depot in gebruik wordt genomen.

2.7.7. Aan de regeling in de plantoelichting komt geen bindende betekenis toe. Nu de hoogte van de kaden van het baggerspeciedepot niet is geregeld in het plan moet worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Dit heeft tot gevolg dat het baggerspeciedepot kan worden gesitueerd op de uiterste begrenzing van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "baggerspeciedepot (bsd)" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)" op afstanden van ongeveer 50 tot 180 m van de woningen van [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] en dat de hoogte - nu deze niet gelimiteerd is - onbegrensd is. Ook de bergingscapacteit is onbegrensd. Het plan bevat geen bepaling waardoor de berging van bagger van buiten het plangebied onmogelijk wordt gemaakt, noch enige andere bepaling waardoor de capaciteit anderszins wordt begrensd.

2.7.8. De Afdeling acht het niet reguleren van de hoogte van de kaden van het baggerspeciedepot en de bergingscapaciteit in strijd met de rechtszekerheid en in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.7.9. De raad heeft aangegeven dat de meest bepalende milieuaspecten voor de hinderafstand bij baggerspeciedepots, op grond van ervaringsgegevens, de aspecten geluidhinder en geurhinder zijn. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voor beide aspecten geldt dat voorafgaand aan de (milieu-)vergunning moet worden onderzocht of gezien de omstandigheden sprake is van ontoelaatbare hinder en - indien noodzakelijk - met welke maatregelen deze voorkomen kan worden. Dit laat echter onverlet dat ook in deze procedure moet worden beoordeeld of het bestreden plandeel uit het oogpunt van geluidsbelasting en geurhinder in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Vast staat dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden. Dit klemt te meer nu het baggerspeciedepot geen onderdeel is geweest van het ten behoeve van de herinrichting in opdracht van de provincie Zuid-Holland door Royal Haskoning B.V. opgestelde milieueffectrapport MER herinrichting Nieuwe Driemanspolder.

2.7.10. In hetgeen [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "baggerspeciedepot (bsd)" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Tevens ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.7.11. De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] zijn gegrond. Het bestreden besluit dient derhalve in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

2.8. De overige bezwaren van [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] kunnen, gelet op het voorgaande, buiten bespreking blijven.

Proceskostenvergoeding

2.9. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 6] en [appellant sub 1] in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 5A] en anderen is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 5C] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 5A], [appellante sub 5B], [appellant sub 5D], [appellant sub 2], [appellant sub 5F] en [appellant sub 5G] en [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] en [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en [appellant sub 6] en [appellant sub 2] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zoetermeer van 6 juli 2009 voor zover dat ziet op:

a. het plandeel met de bestemmingen "Groen" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)", "Water" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied (WS - WB)", "Natuur", "Gemengd", "Recreatie" en "Water" met (deels) de aanduiding "ecologische verbindingszone (evz)" zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

b. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "baggerspeciedepot (bsd)" en deels de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering (WS - WK)" zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Zoetermeer tot vergoeding van bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van zijn beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 882,20 (zegge: achthonderdtweeentachtig euro en twintig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van bij en [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 882,20 (zegge: achthonderdtweeentachtig euro en twintig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

V. gelast dat de raad van de gemeente Zoetermeer [appellant sub 5A], [appellante sub 5B], [appellant sub 5D], [appellant sub 2], [appellant sub 5F] en [appellant sub 5G] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere, [appellant sub 3] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), [appellant sub 4] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), [appellant sub 6] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) en [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van Mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van staat

224

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011