Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201012344/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college de schuur op het perceel [locatie] te Noordwijkerhout, eigendom van [appellant], aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2011/73 met annotatie van ing. W. Vos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012344/1/H2.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Noordwijkerhout,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 november 2010 in zaak nr. 10/1605 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college de schuur op het perceel [locatie] te Noordwijkerhout, eigendom van [appellant], aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. van Dijck, werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door [bouwkundige], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, ten eerste, van de ten tijde hier van belang geldende Monumentenverordening Noordwijkerhout 2008 (hierna: de Monumentenverordening) wordt in deze verordening onder monumenten verstaan: zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 2 wordt bij de toepassing van deze verordening rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een pand, terrein of object aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

2.2. [appellant] exploiteert op het perceel [locatie] een paardenhouderij. De in geding zijnde schuur staat bekend als de vleeshal van het voormalige Cisterciënzer vrouwenklooster Leeuwenhorst en is thans in gebruik als paardenstal.

Op 15 juni 2009 heeft de monumentencommissie van de gemeente Noordwijkerhout geadviseerd de schuur op de lijst van beschermde gemeentelijke monumenten te plaatsen en daarbij de jongere aanbouwen aan de noordwestzijde en de naastgelegen boerderij De Halle van bescherming uit te sluiten. De redengevende beschrijving vermeldt daartoe onder meer dat de schuur van cultuurhistorische waarde is als enig overgebleven gebouw van het voormalige klooster en dat de schuur daarmee onderdeel is van de historische, sociale en economische geschiedenis van Noordwijkerhout. Tevens is de schuur volgens deze beschrijving van bouwhistorische waarde vanwege de aanwezige bouwsporen en toegepaste houtconstructies, met name de gebinten en de kapconstructie. De monumentencommissie heeft bij het vorenstaande opgemerkt dat de schuur in een slechte staat verkeert. In verband daarmee is een bouwkundige inspectie verricht door de Monumentenwacht van het Erfgoedhuis Zuid-Holland. Hiervan is een rapport opgesteld.

Onder verwijzing naar het advies van de monumentencommissie, de redengevende beschrijving, het inspectierapport en de door [appellant] naar voren gebrachte zienswijze heeft het college bij het na bezwaar gehandhaafde besluit van 14 juli 2009 de schuur aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het publieke belang dat is gediend bij plaatsing van de schuur op de monumentenlijst zwaarder dient te wegen dan de belangen van [appellant].

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de monumentwaardigheid van de schuur onvoldoende door het college is onderbouwd. Hij voert in dat verband aan dat niet is komen vast te staan dat de schuur onderdeel heeft uitgemaakt van het voormalige klooster en wijst erop dat in het verleden de schuur verschillende keren is verbouwd, waardoor deze niet meer als het oorspronkelijke gebouw herkenbaar is. Hij betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen.

2.3.1. Volgens de door [appellant] in hoger beroep ingebrachte geactualiseerde versie van het door hem, eerder in de procedure overgelegde bouwkundig inspectierapport van monumentenadviesbureau Conserf van april 2010 is de schuur aan het einde van het bestaan van het klooster gebouwd of net erna. Dat Conserf de schuur anders dateert en [appellant], gelet daarop, stelt dat niet zeker is of deze onderdeel was van het voormalige klooster, doet echter niet af aan het advies van de monumentencommissie inzake de cultuurhistorische waarde van de schuur. Voorts zijn de door Conserf genoemde wijzigingen die in de loop der tijd aan de schuur zijn aangebracht in de redengevende omschrijving vermeld. De monumentencommissie is evenwel tot de conclusie gekomen dat dit onverlet laat dat de schuur van bouwhistorische waarde is, vanwege de in overweging 2.2. aangeduide, thans nog aanwezige elementen. Daarbij is niet zonder belang dat ook in het rapport van Conserf is vastgesteld dat aspecten van de schuur van hoge bouwhistorische waarde zijn. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is derhalve geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het advies van de monumentencommissie in zoverre niet op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of anderszins gebreken vertoont.

2.3.2. Ingevolge de Monumentenverordening komt het college de discretionaire bevoegdheid toe monumentwaardige panden aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het dient daarbij rekening te houden met het gebruik van het monument, zoals voorgeschreven in artikel 2 van de Monumentenverordening, alsmede met de belangen van de rechthebbende van het pand. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2005 in zaak nr. 200503544/1.

[appellant] heeft de schuur in gebruik als paardenstal. Bezoekers hebben bij aankomst op zijn erf direct zicht op de schuur, welke een sterk vervallen indruk maakt. De mede gelet daarop noodzakelijke investeringen in onderhoud van de schuur zijn volgens [appellant] dermate kostbaar dat de schuur niet op economisch aanvaardbare wijze en met behoud van de monumentale waarde geschikt is te maken voor het door hem voorgestane gebruik. Volgens het in beroep door [appellant] overgelegde eerdergenoemde rapport van Conserf moeten de bouwkundige kosten van renovatie worden geraamd op € 670.679,00.

Gelet op het rapport van de Monumentenwacht, dat melding maakt van een matige constructieve toestand en een matige tot slechte onderhoudstoestand, had het op de weg van het college gelegen om, alvorens tot zijn belangenafweging te komen, concreet inzicht te verkrijgen in de uit dat rapport naar voren komende gevolgen van het aanwijzingsbesluit voor [appellant] wat betreft de financiële haalbaarheid van het herstel en het gebruik van de schuur als paardenstal. Het college heeft dit nagelaten. Weliswaar heeft het college in beroep een contra-expertise laten opstellen door Architectenbureau Michiel Enderman, waarin wordt geconcludeerd dat de kostenraming van Conserf deels betrekking heeft op de uitvoering van eigen wensen die verder gaan dan strikt noodzakelijk is, maar ook uit dit rapport volgt dat een raming van de noodzakelijke instandhoudings- en onderhoudskosten € 334.395,51 bedraagt. Dat [appellant] in dit verband in aanmerking kan komen voor subsidie en het college, naar ter zitting gesteld, de bereidheid heeft om de raad voor te stellen een bedrag van € 40.000,00 aan subsidie, verdeeld over tien jaren, beschikbaar te stellen, laat het eerderoverwogene onverlet.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het besluit op bezwaar van 19 januari 2010 onzorgvuldig is voorbereid en niet van een deugdelijke motivering is voorzien. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 januari 2010 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 november 2010 in zaak nr. 10/1605;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout van 19 januari 2010, kenmerk 11.264;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.627,20 (zegge: drieduizend zeshonderdzevenentwintig euro en twintig cent), waarvan € 1.311,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

85-710.