Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201012245/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2010:BO6033, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2009 heeft het college aan de Faunabeheereenheid op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ontheffing verleend voor het opzettelijk verontrusten en doden van damherten met het gebruik van een geweer van een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang op de gronden gelegen in en in de directe omgeving van de Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen, als weergegeven op de bij het besluit behorende kaarten.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 4
Flora- en faunawet 9
Flora- en faunawet 10
Flora- en faunawet 11
Flora- en faunawet 68
Flora- en faunawet 69
Flora- en faunawet 72
Besluit beheer en schadebestrijding dieren
Besluit beheer en schadebestrijding dieren 4
Besluit beheer en schadebestrijding dieren 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2011/329
JOM 2012/209
JOM 2011/797
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012245/1/H3.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Faunabeheereenheid Zeeland, gevestigd te Goes,

2. de stichting Stichting de Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

3. het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 december 2010 in zaak nr. 10/506 in het geding tussen:

de Faunabescherming

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2009 heeft het college aan de Faunabeheereenheid op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ontheffing verleend voor het opzettelijk verontrusten en doden van damherten met het gebruik van een geweer van een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang op de gronden gelegen in en in de directe omgeving van de Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen, als weergegeven op de bij het besluit behorende kaarten.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college het door de Faunabescherming daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de Faunabescherming daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en het besluit van 17 december 2009 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het te nemen besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Faunabescherming bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2011, de Faunabeheereenheid bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2010, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, bij besluit van 14 december 2010 opnieuw beslist op de bezwaren van de Faunabescherming.

De Faunabeheereenheid en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Faunabescherming heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2011, waar de Faunabescherming, vertegenwoordigd door haar [secretaris], de Faunabeheereenheid, vertegenwoordigd door mr. ir. J.L. Mieras, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, vergezeld door [voorzitter] van de Faunabeheereenheid en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Versteeg, vergezeld door M. Steijn, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw, voor zover thans van belang, worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren.

Ingevolge artikel 9 is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 10 is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, kunnen gedeputeerde staten wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of

e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Ingevolge het vierde lid, wordt de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, brengt een faunabeheereenheid waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 68, eerste lid, is verleend, jaarlijks aan gedeputeerde staten verslag uit van de wijze waarop zij van de ontheffing heeft gebruik gemaakt en van de uitvoering van het faunabeheerplan.

Ingevolge het tweede lid wordt het verslag door gedeputeerde staten voor een ieder ter inzage gelegd op het provinciehuis.

Ingevolge het derde lid doen gedeputeerde staten mededeling van de terinzagelegging in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze.

Ingevolge artikel 72, eerste lid, worden bij algemene maatregel van bestuur, voor zover noodzakelijk in afwijking van artikel 15, de middelen aangewezen waarmee, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 70, dieren mogen worden gevangen of gedood. Als middelen worden slechts aangewezen middelen die geen onnodig lijden van dieren veroorzaken.

Ingevolge het derde lid worden bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, regels gesteld met betrekking tot het gebruik van de in het eerste en tweede lid bedoelde middelen. Deze regels betreffen in ieder geval:

a. de soorten waarop de middelen betrekking hebben;

b. de afmetingen van de gronden waarop de middelen gebruikt mogen worden en

c. de vaardigheden waarover bij het gebruik van de middelen beschikt moet worden.

Ingevolge het vijfde lid is het verboden dieren te vangen of te doden met andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde middelen of in strijd met de toestemming, bedoeld in het vierde lid of de regels die op grond van het derde lid worden gesteld.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder e, van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onderdeel e, van de wet, aangewezen het reguleren van de populatieomvang van dieren, behorende tot de diersoorten edelhert, ree, damhert of wild zwijn, met dien verstande dat vanwege dit belang slechts ontheffing kan worden verleend indien de aanleiding is gelegen in de schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied of de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, zijn als middelen als bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de wet waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood geweren aangewezen.

2.2. Het college heeft de ontheffing bij besluit van 17 december 2009, onder verwijzing naar het "Faunabeheerplan Zeeland 2010-2014" (hierna: het Faunabeheerplan), verleend in het belang van het reguleren van de populatieomvang van de damherten in de gebieden de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren. In het Faunabeheerplan is de gewenste voorjaarsstand voor het gebied de Manteling van Walcheren bepaald op ongeveer 80 dieren en voor het gebied de Kop van Schouwen op ongeveer 325 dieren. Volgens het college is regulering van de populatie damherten noodzakelijk, omdat uit het Faunabeheerplan volgt dat zowel in het gebied de Manteling van Walcheren als in het gebied de Kop van Schouwen de populaties inmiddels zijn uitgestegen boven de gewenste stand van ongeveer 80 respectievelijk 325 dieren. Verder volgt volgens het college uit wetenschappelijk onderzoek dat andere methoden voor regulering van de populaties damherten ongeschikt zijn.

Aan de ontheffing heeft het college het voorschrift verbonden dat de Faunabeheereenheid de Hoefdiercommissie voor Schouwen en voor Walcheren kan machtigen gebruik te maken van de ontheffing op basis van een jaarlijks per gebied op te stellen en goed te keuren uitvoeringsplan. Blijkens het besluit tot ontheffingverlening dient dit uitvoeringsplan jaarlijks voor 1 oktober door de desbetreffende Hoefdiercommissie te worden vastgesteld en toegezonden aan de Faunabeheereenheid. Het plan moet een evaluatie van de voorgaande beheerperiode, de begrenzing van de rust- en afschotgebieden, de vaststelling van de feitelijke situatie aan de hand van actuele tellingen en de na te streven aantalreductie voor de komende beheerperiode, bevatten.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college voor de regulering van de populatie damherten niet van onjuiste streefstanden is uitgegaan door onder verwijzing naar de rapporten van Alterra "Hoefdieren in de Manteling van Walcheren" (hierna: Alterra-rapport 390), "Damherten op de Kop van Schouwen" (hierna: Alterra-rapport 1142) en "Damherten en reeën in het natuurreservaat De Kop van Schouwen" (hierna: Alterra-rapport 1933) deze streefstanden te bepalen op ongeveer 80 damherten voor de Manteling van Walcheren en op ongeveer 325 damherten voor de Kop van Schouwen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de discrepantie tussen de voorjaarsstand van de dieren in 2009 voor het gebied de Kop van Schouwen en de najaarsstand in 2008 voldoende is verklaard. Zij heeft verder het standpunt van de Faunabescherming dat de door de Faunabeheereenheid gepresenteerde aantallen zo onbetrouwbaar zijn, dat daaraan geen trend kan worden ontleend, niet gevolgd.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat aan de ontheffing als voorschrift is verbonden dat de Faunabeheereenheid de Hoefdiercommissie voor Schouwen en voor Walcheren kan machtigen van de ontheffing gebruik te maken op basis van een jaarlijks per gebied op te stellen uitvoeringsplan. Dat plan dient onder meer een vaststelling van de feitelijke situatie aan de hand van actuele tellingen en de na te streven aantalreductie voor de komende beheerperiode te bevatten. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat de in het uitvoeringsplan opgenomen telgegevens en de gevolgen die daaraan worden verbonden niet in de ontheffing zijn opgenomen, maar wel voorwerp zijn van goedkeuring door het college. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aldus aan de ontheffing verbonden voorschrift in strijd is met de wet, omdat de in het uitvoeringsplan opgenomen telgegevens en de daaraan verbonden gevolgen niet in rechte kunnen worden getoetst. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar van 1 juni 2010 om die reden vernietigd.

Het hoger beroep van de Faunabescherming

2.4. De Faunabescherming betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voor de regulering van de populatie damherten niet van onjuiste streefstanden is uitgegaan door deze streefstanden te bepalen op ongeveer 80 damherten voor de Manteling van Walcheren en op ongeveer 325 damherten voor de Kop van Schouwen. De Faunabeheereenheid heeft volgens de Faunabescherming niet aannemelijk gemaakt dat de huidige aantallen damherten de draagkracht van beide gebieden overschrijden. De in de Alterra-rapporten genoemde aantallen betreffen minimale aantallen die nodig zijn om een gezonde populatie in stand te houden en zijn geen exacte berekening van het aantal damherten dat maximaal in de gebieden toelaatbaar zou zijn. In het Alterra-rapport 390 is volgens de Faunabescherming met zoveel woorden vermeld dat het gebied de Manteling van Walcheren voldoende voedsel biedt voor tweemaal zoveel dieren als het genoemde aantal van 80 dieren. Verder is in het Alterra-rapport 1933 expliciet vermeld dat het niet de bedoeling van het eerdere Alterra-rapport 1142 is geweest om de draagkracht van het gebied de Kop van Schouwen te berekenen, zodat ook het in die rapporten genoemde aantal van 325 damherten een ondergrens betreft. De in de Alterra-rapporten genoemde aantallen hebben geen betrekking op de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied, zodat op die grond geen ontheffing had mogen worden verleend, aldus de Faunabescherming. De Faunabescherming voert verder aan dat, zo er een trend in de populatieontwikkeling kan worden vastgesteld, dit betekent dat slechts kan worden vastgesteld of de populatie afneemt, groeit of stabiliseert. Het is niet mogelijk om absolute aantallen te bepalen. Omdat absolute aantallen niet bekend zijn, kan niet worden vastgesteld hoeveel damherten geschoten moeten worden om op de doelstand terecht te komen, aldus de Faunabescherming. De rechtbank heeft in dit verband volgens de Faunabescherming ten onrechte geoordeeld dat het college de discrepantie tussen de telling van de voorjaarsstand in 2009 en de vastgestelde najaarsstand in 2008 voldoende heeft verklaard door te wijzen op toevallige processen en de bewegelijkheid van de dieren. Zij betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zij aan de hand van de cijfers van de Faunabeheereenheid aannemelijk heeft gemaakt dat de populatie damherten niet onderhevig is aan sterke groei en dat geen verband bestaat tussen het aantal damherten en het aantal aanrijdingen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het belang van de verkeersveiligheid rondom beide gebieden aan het populatiebeheer ten grondslag kan worden gelegd, aldus de Faunabescherming.

2.4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de Faunabeheereenheid onder verwijzing naar het Faunabeheerplan en onder verwijzing naar de Alterra-rapporten aannemelijk heeft gemaakt dat ontheffing ten behoeve van regulering van de populatieomvang in de gebieden de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren noodzakelijk is. Het college heeft zich in dit verband op het standpunt mogen stellen dat in de Alterra-rapporten op grond van onderzoek naar de populaties damherten in deze gebieden wordt voorgesteld om de populaties getalsmatig te beheren. In deze rapporten worden aanbevelingen voor het beheer gedaan.

De rechtbank heeft verder op goede gronden geoordeeld dat het college onder verwijzing naar het Faunabeheerplan en de Alterra-rapporten de streefstanden van 325 damherten voor de Kop van Schouwen en 80 damherten voor de Manteling van Walcheren in de ontheffing mocht opnemen. Dat uit de Alterra-rapporten volgt dat de gebieden mogelijk meer damherten kunnen dragen, zoals de Faunabescherming stelt, betekent niet dat het college om die reden de streefstanden niet in de ontheffing mocht opnemen. Bij de vaststelling van de streefstanden heeft het college, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, onder verwijzing naar de Alterra-rapporten als uitgangspunt mogen hanteren dat voor de in de ontheffing opgenomen aantallen damherten in de natuurgebieden voldoende voedsel is te vinden zonder dat de dieren hoeven uit te wijken naar landbouwgronden. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat uit het Alterra-rapport 390 weliswaar volgt dat het gebied voldoende voedsel biedt voor een tweemaal zo grote populatie als 80 damherten, doch dat er gewaakt dient te worden voor te hoge dichtheden op de vegetatie en de fauna en dat uit het Faunabeheerplan volgt dat een sterke groei van de populatie zal leiden tot meer verkeersslachtoffers en tot vestiging van nieuwe populaties elders in de provincie. De rechtbank heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat wat het gebied de Kop van Schouwen betreft uit het Alterra-rapport 1933 volgt dat de streefstand van 325 damherten in het kader van populatiebeheer op basis van 'best professional knowledge' ecologisch is gestaafd en dat met dat aantal dieren overbevolking in de toekomst kan worden voorkomen. Verder is van belang dat de Faunabescherming de juistheid van de inhoud van de Alterra-rapporten niet met objectieve gegevens heeft bestreden.

Het betoog van de Faunabescherming dat het college geen ontheffing mocht verlenen, omdat absolute aantallen van damherten in de gebieden niet zijn vast te stellen, faalt. In de Alterra-rapporten is gemotiveerd uiteengezet hoe de gewenste omvang van de populaties damherten in de twee gebieden tot stand is gekomen. Het college heeft verder gemotiveerd uiteengezet dat in het Alterra-rapport 1933, dat een actualisering is van het Alterra-rapport 1142, de telmethodiek wat het gebied de Kop van Schouwen betreft aan een kwaliteitscontrole is onderworpen en dat uit het Alterra-rapport 1933 volgt dat geen aanleiding bestaat om de telmethodiek aan te passen. Hoewel de telmethode geen absoluut beeld van de populatieomvang geeft, kan de som van het aantal getelde damherten een schatting opleveren van de populatie en hiermee kan in ieder geval een trend in de ontwikkeling van de populatie worden vastgesteld, aldus het college. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de omstandigheid dat absolute aantallen niet zijn vast te stellen in de weg staat aan verlening van de ontheffing. De enkele stelling van de Faunabescherming dat geen trend in de populatieontwikkeling kan worden vastgesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft tot slot op goede gronden geoordeeld dat het college ter zitting van de rechtbank de discrepantie tussen de voorjaarsstand van damherten in het gebied de Kop van Schouwen in 2009 en de najaarsstand in 2008 voldoende heeft verklaard en dat het besluit op bezwaar van 1 juni 2010 niet om die reden dient te worden vernietigd.

Het betoog van de Faunabescherming faalt.

2.5. Het hoger beroep van de Faunabescherming is ongegrond.

Het hoger beroep van het college

2.6. Het college betoogt dat de rechtbank het besluit op bezwaar ten onrechte heeft vernietigd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het aan de ontheffing verbonden voorschrift dat een jaarlijks per gebied op te stellen uitvoeringsplan ter goedkeuring dient te worden voorgelegd aan het college in strijd is met de wet, omdat de in het uitvoeringsplan opgenomen telgegevens en de daaraan verbonden gevolgen niet in rechte kunnen worden getoetst. Met dit oordeel heeft de rechtbank volgens het college miskend dat het voorschrijven en goedkeuren van een uitvoeringsplan een voorwaarde is die uit de Ffw voortvloeit. Het college voert verder aan dat het opstellen en ter goedkeuring voorleggen van het uitvoeringsplan een zorgvuldigheidstoets mogelijk maakt van het gebruik van de ontheffing voor de komende periode. Dit laat volgens het college evenwel onverlet dat de verleende ontheffing de grondslag is voor het uitvoeringsplan. Het college betoogt verder dat, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het de rechtsbeschermingsmogelijkheden uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing had moeten verklaren op het uitvoeringsplan, dit plan niet op rechtsgevolg is gericht. Voorts volgt uit het beroepschrift van de Faunabescherming en uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank niet dat de Faunabescherming heeft aangevoerd dat hij tegen het uitvoeringsplan bezwaar dan wel beroep had moeten openstellen, aldus het college.

2.6.1. Zoals is vastgesteld in overweging 2.2 heeft het college aan de aan de Faunabeheereenheid verleende ontheffing het voorschrift verbonden dat zij de Hoefdiercommissie voor Schouwen en voor Walcheren kan machtigen gebruik te maken van de ontheffing op basis van een jaarlijks per gebied op te stellen en goed te keuren uitvoeringsplan, dat een evaluatie van de voorgaande beheerperiode, de begrenzing van de rust- en afschotgebieden, de vaststelling van de feitelijke situatie aan de hand van actuele tellingen en de na te streven aantalreductie voor de komende beheerperiode, moet bevatten. Zoals het college terecht betoogt volgt uit het beroepschrift van de Faunabescherming, noch uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank, dat de Faunabescherming gronden heeft voorgedragen tegen het besluit op bezwaar van 1 juni 2010 voor zover daarbij het aan de ontheffing verbonden voorschrift tot het opstellen en ter goedkeuring voorleggen van een uitvoeringsplan, is gehandhaafd. Ter zitting van de Afdeling heeft de Faunabescherming desgevraagd ook bevestigd in beroep niet expliciet tegen dat aan de ontheffing verbonden voorschrift te zijn opgekomen.

Gelet hierop is de rechtbank, door te overwegen dat het aan de ontheffing verbonden voorschrift dat een jaarlijks per gebied op te stellen uitvoeringsplan ter goedkeuring dient te worden voorgelegd in strijd is met de wet, omdat de in het uitvoeringsplan opgenomen telgegevens en de daaraan verbonden gevolgen niet in rechte kunnen worden getoetst, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, buiten de omvang van het geding getreden. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar van 1 juni 2010 dan ook ten onrechte om die reden vernietigd.

Het betoog van het college slaagt.

2.7. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de rechtbank, zoals is overwogen onder 2.4.1, in de aangevallen uitspraak terecht tot de conclusie is gekomen dat de door de Faunabescherming aangevoerde gronden niet slagen, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Het besluit van 14 december 2010 is een besluit, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal dit besluit op de voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.

2.9. Dat besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Door de vernietiging van die uitspraak is de grondslag aan dit besluit komen te ontvallen. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. Het zal worden vernietigd.

Het hoger beroep van de Faunabeheereenheid

2.10. De Faunabeheereenheid betoogt dat de rechtbank het besluit op bezwaar van 1 juni 2010 ten onrechte heeft vernietigd.

2.10.1. Nu in overweging 2.6.1 is geoordeeld dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden en de aangevallen uitspraak daarom dient te worden vernietigd, ziet de Afdeling aanleiding om het hoger beroep van de Faunabeheereenheid gegrond te verklaren.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.12. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat de secretaris van de Raad van State aan de Faunabeheereenheid het door haar voor de behandeling van het door haar ingestelde hoger beroep betaalde griffierecht terugbetaalt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de stichting Stichting de Faunabescherming ongegrond;

II. verklaart de hoger beroepen van het college van gedeputeerde staten van Zeeland en de stichting Stichting Faunabeheereenheid Zeeland gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 december 2010 in zaak nr. 10/506;

IV. verklaart het door de stichting Stichting de Faunabescherming bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2010, kenmerk 10037704 gegrond;

VI. vernietigt dat besluit;

VII. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de stichting Stichting Faunabeheereenheid Zeeland het door haar voor de behandeling van het door haar ingestelde hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Grimbergen

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

581.