Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2802

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201108374/1/H1 en 201108374/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft het college [appellant] en [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast de zonder bouwvergunning geplaatste schutting op het perceel aan de [locatie] te Zaandam te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108374/1/H1 en 201108374/2/H1.

Datum uitspraak: 21 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 15 juli 2011 in zaak nrs. 11-2810 en 11-2794 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft het college [appellant] en [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast de zonder bouwvergunning geplaatste schutting op het perceel aan de [locatie] te Zaandam te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 11 april 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.H.P. Groot-van Ederen, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Eijsden, werkzaam bij de gemeente, vergezeld door J. Dijten, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen die van het college vergden af te zien van handhavend optreden. Hij neemt ten eerste het standpunt in dat handhavend optreden in dit concrete geval, mede gezien de geringe ernst van de overtreding, zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee gediende belangen, dat daarvan had moeten worden afgezien. In dit verband wijst hij op de, met een verklaring van de huisarts onderbouwde, slechte gezondheidstoestand van [belanghebbende]. Voorts voert hij als bijzondere omstandigheden aan dat een ambtenaar van de gemeente hem telefonisch heeft meegedeeld dat de schutting zonder vergunning mocht worden opgericht, alsmede dat het college tegen andere illegaal geplaatste schuttingen in de straat niet handhavend optreedt, zodat in dit geval het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel aan handhavend optreden in de weg staan.

2.3.1. De schutting staat op de perceelsgrens aan weerszijden en aan de voorzijde van de tuin en heeft een hoogte van 1,95 m. Gelet hierop betreft het geen overtreding van geringe aard en ernst.

De opgelegde last is gericht aan [appellant] en diens moeder [belanghebbende], die beiden eigenaar en gebruiker zijn van de woning met tuin aan de [locatie]. Ofschoon het bezwaarschrift niet mede namens [belanghebbende] is ingediend, heeft [appellant], die de zorg voor zijn moeder heeft, bij het indienen van zijn bezwaarschrift mede het belang van zijn moeder voor ogen gehad. Daargelaten dat uit de overgelegde verklaringen van de huisarts van [belanghebbende] niet volgt dat de schutting uit medisch oogpunt noodzakelijk is, heeft het college in de gezondheidstoestand van [belanghebbende] in redelijkheid geen aanleiding hoeven vinden af te zien van handhavend optreden. Het had op de weg van [appellant] gelegen om zich, alvorens tot aankoop van de woning over te gaan, ervan te verzekeren dat oprichting van de gewenste schutting mogelijk was.

Zoals de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak met betrekking tot de weigering van het college om voor de schutting een bouwvergunning te verlenen (uitspraak van 10 mei 2010; zaaknr. 09-4626), waartegen geen hoger beroep is ingesteld, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er door of namens het bevoegd gezag concrete toezeggingen zijn gedaan, waaraan hij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat geen bouwvergunning nodig was voor het bouwen van een erfafscheiding met een hoogte van 1,95 m. Gelet hierop faalt het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het college in 2008 handhavend opgetreden tegen ten onrechte zonder bouwvergunning opgerichte schuttingen in de straat, waaronder de schutting van [appellant]. Hangende de procedure met betrekking tot de schutting van [appellant], heeft het college het handhavend optreden tegen andere illegaal opgerichte schuttingen opgeschort. Dit is niet onredelijk. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven de handhaving te zullen hervatten indien het handhavingsbesluit in deze procedure stand houdt. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen, die het college aanleiding hadden dienen te geven in dit geval van handhavend optreden af te zien.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011

392.