Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201103429/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft het college aan [appellant sub 3] een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een legpluimveestal op het perceel [locatie] te Bathmen.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 46
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/6 met annotatie van P.M.J. de Haan
JOM 2011/774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103429/1/H1.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

2. [appellant sub 2A], [appellante sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D], [appellant sub 2E], [appellant sub 2F], [appellant sub 2G], [appellant sub 2H], allen wonend te Bathmen, gemeente Deventer (hierna: [appellant sub 2] en anderen),

3. [appellant sub 3], wonend te Bathmen, gemeente Deventer,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 9 februari 2011 in zaak nr. 10/1204 in het geding tussen:

[appellant sub 2] en anderen

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft het college aan [appellant sub 3] een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een legpluimveestal op het perceel [locatie] te Bathmen.

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft het college het door [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 juni 2010 vernietigd en het besluit van 28 augustus 2009 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2011, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2011, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 19 april 2011, [appellant sub 2] en anderen hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 21 april 2011 en [appellant sub 3] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 30 maart 2011.

[appellant sub 2] en anderen en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2011, waar het college, vertegenwoordigd door A.I. Duivenvoorde, werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 2] en anderen, in de personen van [appellant sub 2G], [appellant sub 2C] en [appellante sub 2D], bijgestaan door mr. W.J.E. van der Werf, advocaat te Den Haag, en [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. drs. R.T.M. Lagerweij, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschapswaarden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor agrarische bedrijvigheid en instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke waarden.

Ingevolge het vierde lid, mag binnen elk bouwperceel op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" uitsluitend worden gebouwd:

a. de bij één agrarisch bedrijf behorende bebouwing, waaronder begrepen ten hoogste één woning, zijnde de bedrijfswoning, en daarbij behorende bouwwerken, en

b. bouwwerken, zoals sanitaire ruimten, ten dienste van mobiele kampeermiddelen.

Ingevolge het vijfde lid, mogen buiten bouwpercelen uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken, uitgezonderd bouwwerken voor mestopslag.

Ingevolge het twaalfde lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan zodanig te wijzigen dat de op de plankaart op de gronden als bedoeld in lid 1 aangegeven grens van een bouwperceel elders op die gronden wordt aangegeven, waarbij de oppervlakte van het bouwperceel door het wijzigen tot 1,5 ha mag worden vergroot.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, wordt onder bestemmingsvlak verstaan: een op de plankaart aangegeven vlak met eenzelfde bestemming.

Ingevolge het bepaalde onder n, wordt onder bouwperceel of bebouwingsvlak verstaan: een oppervlakte van gronden omgrensd door een op de plankaart als zodanig aangegeven grens van een bouwperceel, op en in welke gronden, binnen een bestemmingsvlak, gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd.

Ingevolge het bepaalde onder s, wordt onder grens van een bouwperceel of bebouwingsgrens verstaan: een op de plankaart als zodanig aangegeven al of niet of gedeeltelijk samenvallende lijn, die de omgrenzing vormt van een bouwperceel of bebouwingsvlak.

Ingevolge het bestemmingsplan "Deventer, partiële herziening intensieve veehouderij", dat beoogt de regeling met betrekking tot intensieve veehouderijen in overeenstemming te brengen met het Reconstructieplan Salland - Twente, is onder meer het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" partieel herzien. Deze herziening is in werking getreden op 17 juni 2008.

Ingevolge de zogeheten reconstructiekaart behorende bij dit plan, geldt het gebied waarin het perceel is gelegen als verwevingsgebied.

Ingevolge artikel 1, onderdeel A, onder dd, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan, wordt onder verwevingsgebied verstaan een gedeelte van een reconstructiegebied ingericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

Ingevolge artikel 1, onderdeel K, is aan artikel 5 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" een aantal voorwaarden toegevoegd met betrekking tot het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid van het twaalfde lid.

2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een legpluimveestal op het perceel met een capaciteit van 59.900 leghennen en een bruto vloeroppervlakte van 3960 m². Het bouwplan is voorzien ten noorden van een reeds bestaande stal.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" is het perceel voorzien van een bouwperceel, zoals aangeduid op de plankaart behorende bij dit plan. Het bouwperceel is vergroot bij besluit van 14 oktober 2003. Bij dit besluit heeft het college met toepassing van artikel 5, twaalfde lid, van de planvoorschriften het wijzigingsplan "Buitengebied 1994 Wijziging bouwperceel [locatie]" vastgesteld. Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college aan [appellant sub 3] vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een pluimveestal met een bruto vloeroppervlakte van 2565 m². Dit bouwplan is gedeeltelijk buiten het bouwperceel gelegen.

2.4. [appellant sub 2] en anderen kunnen zich op zichzelf vinden in het oordeel van de rechtbank dat het bouwplan deels buiten het bouwperceel is gesitueerd, maar betogen dat de overschrijding veel groter is dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. Daartoe voeren zij aan dat voor de bouwmogelijkheden binnen het bouwperceel rekening moet worden gehouden met de in 2004 aan [appellant sub 3] verleende vrijstelling. Volgens [appellant sub 2] en anderen is het bouwperceel daarmee in zuidelijke richting verplaatst, zodat het voorziene bouwplan ten noorden van de reeds bestaande stal voor meer dan 50% buiten het bouwperceel is gelegen. Voorts betogen zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan op het punt van de omvang en de ligging van het bouwperceel onverbindend dient te worden verklaard. Daartoe voeren zij aan dat de omvang van het bouwperceel in strijd is met het Reconstructieplan Salland - Twente dat voor het perceel een bouwperceel van maximaal 1,5 ha toelaat.

2.4.1. Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat het bouwperceel in afwijking van de plankaart in zuidelijke richting is verplaatst door de op 2 maart 2004 verleende vrijstelling. De vrijstelling strekt niet verder dan dat het de verlening van vergunning mogelijk maakt voor de bouw van een stal die gedeeltelijk buiten het bouwperceel is gelegen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dienen de locatie en de omvang van het bouwperceel vastgesteld te worden aan de hand van de plankaart. De plankaart is vastgesteld vóór de in 2004 verleende vrijstelling en deze vrijstelling heeft in zoverre geen verandering gebracht in het ingevolge het bestemmingsplan, zoals gewijzigd bij het wijzigingsplan, geldende planologische regime van het bouwperceel.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan op het punt van de omvang en de ligging van het bouwperceel onverbindend dient te worden geacht, merkt de Afdeling het volgende op. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 december 2009 in zaak nr. 200901679/1/H1), strekt de mogelijkheid om de gelding van de toepasselijke bestemmingsregeling aan de orde te stellen in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een bouwvergunning voor een bouwplan niet zover, dat het betrokken onderdeel van het bestemmingsplan aldus opnieuw kan worden onderworpen aan de bij de goedkeuring van dat plan te hanteren toetsingsmaatstaf, waartegen een procedure bij de Afdeling mogelijk is geweest. In het door [appellant sub 2] en anderen aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gezien het bestemmingsplan buiten toepassing te laten. Het Reconstructieplan is in werking getreden na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied 1994", zodat het betoog reeds hierom geen doel treft.

2.5. Het college en [appellant sub 3] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan binnen het bouwperceel is voorzien. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank de binnenzijde van de lijnen van het bouwperceel ten onrechte als de grens daarvan heeft aangemerkt, zodat de rechtbank van onjuiste afmetingen is uitgegaan. Zij stellen zich op het standpunt dat uit het wijzigingsplan blijkt dat de lijnen van het bouwperceel daarvan onderdeel uitmaken, nu op de lijnen van het bouwperceel op de plankaart bestaande bebouwing is gelegen die aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsplan, en destijds niet is beoogd de bebouwing in zoverre niet als zodanig te bestemmen.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan bepalend zijn voor het oordeel of een bouwplan al dan niet binnen een bouwperceel is voorzien. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit artikel 1, aanhef en onder n, van de planvoorschriften niet dat slechts de gronden die liggen binnen de op de plankaart aangegeven lijn, als bouwperceel kunnen worden aangemerkt. Deze bepaling houdt in dat uitsluitend op een als bouwperceel afgebakende gronden gebouwen mogen worden gebouwd. Uit artikel 1, aanhef en onder s, volgt dat de lijn, waarmee de grens van een bouwperceel op de plankaart is aangeduid, de omgrenzing vormt van een bouwperceel. Uit het samenstel van deze twee bepalingen volgt niet dat de op de plankaart aangeduide grens van het bouwperceel niet tot het bouwperceel behoort.

In aanmerking genomen dat de door [appellant sub 2] en anderen voorgestane beperkte uitleg van de omvang van het bouwperceel niet uit de planvoorschriften volgt, acht de Afdeling de door het college voorgestane uitleg van de planvoorschriften, dat met artikel 5, vierde lid, waarin is bepaald dat agrarische bebouwing uitsluitend binnen het bouwperceel mag worden gebouwd, eerst strijd bestaat indien de grens van het bouwperceel wordt overschreden, juist.

Gelet hierop ziet de Afdeling, anders dan de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat de omvang van het bouwperceel is beperkt tot de daarbinnen gelegen gronden. Dit betekent dat de buitenzijde van de lijnen op de plankaart bepalend is voor de beoordeling of het bouwplan binnen het bouwperceel is voorzien.

2.5.2. De Afdeling heeft ter zitting de volgende afstanden vastgesteld. De afstand vanaf de westzijde van het bouwperceel tot de helft van de Gorsselseweg, gemeten op de plankaart bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1994 Wijziging bouwperceel [locatie]", is 262 m. Het bouwplan is 130 m lang, gemeten op kaart nr. 200970. De afstand vanaf de westzijde van het bouwplan tot de helft van de Gorsselseweg is 264,5 m. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften, nu het de grens van het bouwperceel in ieder geval aan de westzijde overschrijdt. Het betoog dat de rechtbank van onjuiste afmetingen is uitgegaan is terecht voorgedragen maar leidt niet tot het daarmee beoogde doel, nu de conclusie van de rechtbank, dat het bouwplan de grens van het bouwperceel overschrijdt, juist is.

2.6. Het college en [appellant sub 3] betogen voorts dat de rechtbank het besluit van 28 augustus 2009 ten onrechte heeft herroepen. Daartoe voeren zij aan dat het college geen onderzoek heeft kunnen doen naar de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 juli 2007, in zaak nr. 200708411/1, en de uitspraak van 27 oktober 2010, in zaak nr. 201000718/1/H1) is het in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht om een primair besluit te herroepen zonder een ander besluit daarvoor in de plaats te stellen, tenzij een vervangend besluit kan uitblijven. Gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet, diende de aanvraag om bouwvergunning van [appellant sub 3] te worden opgevat als een verzoek om vrijstelling. Nu het college geen onderzoek heeft gedaan naar dit verzoek, dient het dit alsnog te doen en een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank had derhalve moeten volstaan met het vernietigen van het besluit op bezwaar van 10 juni 2010 en het college op moeten dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De betogen slagen.

2.7. Het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond. De hoger beroepen van het college en [appellant sub 3] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 28 augustus 2009, kenmerk 203789/VT/VG, is herroepen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust. Nu de hoger beroepen van het college en [appellant sub 3] gegrond zijn, bestaat aanleiding te bepalen dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 3] het door hem betaalde griffierecht terugbetaalt. Van het college wordt geen griffierecht geheven.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Deventer en [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 9 februari 2011 in zaak nr. 10/1204, voor zover daarbij het besluit van 28 augustus 2009, kenmerk203789/VT/VG, is herroepen;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Deventer op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 3] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

357-672.