Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
201012041/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 15 december 2009 heeft het college [appellant A] en [appellante B] gelast om vóór 25 januari 2010 het zonder bouwvergunning gebouwde bouwwerk op het perceel aan de Meentweg in Kootwijkerbroek te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 100.000,00 ineens.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:8
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2011/129 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
JB 2011/258
JOM 2012/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012041/1/H1.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 november 2010 in zaken nrs. 10/1885, 3474 en 3475 in het geding tussen:

1. [appellant A],

2. [appellante B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 15 december 2009 heeft het college [appellant A] en [appellante B] gelast om vóór 25 januari 2010 het zonder bouwvergunning gebouwde bouwwerk op het perceel aan de Meentweg in Kootwijkerbroek te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 100.000,00 ineens.

Bij besluit van 21 april 2010 heeft het college het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke besluiten van 31 augustus 2010 heeft het college de opgelegde dwangsommen ingevorderd.

Bij uitspraak van 5 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellante B] tegen het besluit van 21 april 2010 ingestelde beroep, dat ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking heeft op de besluiten van 31 augustus 2010, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2011, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college van burgemeester en wethouders van Barneveld, vertegenwoordigd door mr. S. Hoekstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat [appellant A] op het bij [appellante B] in eigendom zijnde perceel zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning een bedrijfshal heeft gebouwd en dat [appellante B], wat er zij van de stelling dat zij bij de totstandkoming van de gewraakte situatie niet is betrokken, die bedrijfshal in stand heeft gelaten. Gelet hierop heeft [appellant A] gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, en [appellante B] in strijd met het eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat [appellante B] het niet in haar macht heeft de overtreding te beëindigen, gelet op de moeder-zoon relatie tussen haar en [appellant A] en omdat zij de kosten van de verwijdering van de bedrijfshal niet kan betalen.

2.2.1. [appellante B] heeft de grond, waarop de te verwijderen bedrijfshal staat, in eigendom. Als eigenares van de onderliggende grond heeft [appellante B] het in haar macht om de door haar begane overtreding van artikel 40, eerste lid, onder b, van de Woningwet te beëindigen. De familieverhouding tussen [appellante B] en [appellant A] staat hieraan niet in de weg. In de gestelde omstandigheid dat het verwijderen van de bedrijfshal aanzienlijke kosten met zich zou brengen, heeft het college terecht evenmin een beletsel gezien om de last op te leggen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, die voor het college aanleiding hadden dienen te vormen om van handhavend optreden af te zien.

Daartoe voeren zij aan dat concreet zicht bestond op legalisering van de bedrijfshal, nu op 17 juli 2009 een bouwaanvraag is ingediend voor het tijdelijk oprichten daarvan.

Voorts voeren zij daartoe aan dat het college door zijn handelwijze bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat het medewerking zou verlenen aan het tijdelijk oprichten van een tweede bedrijfshal op het perceel en met de dwangsombesluiten dit vertrouwen heeft geschonden.

Tevens voeren zij daartoe aan dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door in dit geval over te gaan tot handhavend optreden en in een vergelijkbaar geval niet.

Ten slotte voeren zij daartoe aan dat het handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Zij stellen daartoe dat het college zich, ondanks een op zich genomen inspanningsverplichting, onvoldoende heeft ingespannen om tijdig een geschikte alternatieve locatie voor het bedrijf van [appellant A] te vinden.

2.3.1. Het college heeft, voordat de overtreding plaatsvond, bij besluit van 17 november 2009 geweigerd vergunning te verlenen voor het tijdelijk oprichten van de bedrijfshal wegens strijd met het bestemmingsplan. Reeds gelet hierop biedt de omstandigheid dat vóór het oprichten van de bedrijfshal om bouwvergunning is verzocht geen grond voor het oordeel dat ten tijde van het nemen van het handhavingsbesluit concreet zicht op legalisering bestond. Dat de bouwaanvraag, naar gesteld, is ingediend in overleg met de gemeente, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat het college, nadat het de weigering bouwvergunning te verlenen bij het besluit op bezwaar had herroepen in afwachting van een besluit van de gemeenteraad op een verzoek om ten behoeve van het tijdelijk oprichten van een bedrijfshal een projectbesluit te nemen, de bouwvergunning bij besluit van 25 oktober 2010 opnieuw heeft geweigerd, nadat de gemeenteraad op 28 september 2010 had geweigerd dat projectbesluit te nemen. Van concreet zicht op legalisering is niet gebleken.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200801122/1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat door of namens het college concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan, waaraan [appellant A] rechtens te honoreren verwachtingen heeft kunnen ontlenen dat voor de desbetreffende bedrijfshal een bouwvergunning zou worden verleend, dan wel dat deze tijdelijk zou worden gedoogd. Hiertoe wordt overwogen dat de in 2009 tussen [appellant A] en de gemeente gevoerde gesprekken omtrent het tijdelijk gedogen van de bedrijfshal uiteindelijk niet hebben geresulteerd in een concrete gedoogbeschikking. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aan [appellant A] bij e-mailbericht van 31 augustus 2009 is meegedeeld dat, waar het betreft de medewerking aan het tijdelijk uitbreiden van de bedrijfsruimte, het besluit van het college bepalend zal zijn en dat het college volledig de vrijheid heeft om al dan niet met de gedane voorstellen in te stemmen. Voorts heeft de bij de gesprekken over de tijdelijke uitbreiding betrokken wethouder schriftelijk verklaard [appellant A] in of omstreeks week 38 van het jaar 2009 telefonisch te hebben meegedeeld dat het college niet bereid was toestemming te verlenen voor de realisatie van een (tijdelijke) bedrijfshal op het perceel. Bovendien was de gevraagde bouwvergunning ten tijde van de start van de bouw reeds geweigerd.

2.3.3. Dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door in dit geval wel handhavend op te treden, maar niet op te treden tegen een zanddepot op agrarische productiegrond, is eerst ter zitting bij de Afdeling gesteld. Het college heeft daarop te kennen gegeven dat het zanddepot in een handhavingsprocedure is betrokken. Gelet hierop zijn dit geen gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.3.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de overtredingen niet van geringe aard en ernst zijn, te meer nu [appellant A] willens en wetens heeft gebouwd zonder over een bouwvergunning te beschikken en [appellante B] hiervan op de hoogte moet zijn geweest. Dat het handhavend optreden, naar [appellant A] stelt, tot zijn faillissement zou kunnen leiden, komt, wat daarvan ook zij, voor risico van [appellant A] en kan niet leiden tot het oordeel dat het handhavend optreden zodanig onevenredig moet worden geacht in verhouding tot de daarmee gediende belangen, dat daarvan had moeten worden afgezien. In de omstandigheid dat het college [appellant A] niet eerder dan in het najaar van 2010 een bouwkavel op het bedrijventerrein Harselaar-Zuid te Barneveld te koop heeft aangeboden ten behoeve van de vestiging van diens bedrijf, heeft de rechtbank voorts terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft het college zich bereid getoond zich maximaal in te spannen om samen met [appellant A] een geschikte alternatieve locatie te vinden voor het bedrijf. Deze inspanningsverplichting is echter geen resultaatsverplichting en verplicht mitsdien niet tot het binnen een bepaalde termijn aanbieden van een geschikte bedrijfslocatie.

2.3.5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht, die het college aanleiding hadden dienen te geven van handhavend optreden af te zien.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid niet beide dwangsommen heeft mogen invorderen, nu het feitelijk om één overtreding gaat.

2.4.1. Ten aanzien van deze beroepsgrond zijn niet de lasten aan de orde, maar uitsluitend of het college heeft mogen besluiten om tot invordering van beide verbeurde dwangsommen over te gaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de last aan [appellant A] opgelegd wegens overtreding van artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet en de last aan [appellante B] wegens overtreding van artikel 40, eerste lid, onder b, van de Woningwet. De omstandigheid dat met beide lasten de verwijdering van één bedrijfshal is beoogd, behoefde voor het college geen aanleiding te zijn van invordering af te zien. Afzien van invordering van een van beide verbeurde dwangsommen zou afdoen aan het gezag en de beoogde werking van de lasten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat juist zowel aan [appellant A] als aan [appellante B] een last is opgelegd om de kans te vergroten dat de bedrijfshal daadwerkelijk wordt verwijderd.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep van [appellant A] en [appellante B] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

392.