Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
201102044/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit voormelde stukken blijkt dat op 11 december 2009 de veiligheidssituatie van uitgeprocedeerde Libische asielzoekers die terugkeren naar Libië, ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het eerdere besluit van 5 juni 2003, zodanig is verslechterd, dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op toelating ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aldus is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat het besluit van 11 december 2009 wat betreft de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning op voormelde grond te verlenen, kan worden getoetst. Of daarnaast ook sprake is van een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht, behoeft derhalve geen bespreking meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102044/1/V2.

Datum uitspraak: 19 september 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] alias [alias],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 31 december 2010 in zaak nr. 10/250 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 december 2010, verzonden op 14 januari 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen als eerste, derde en vierde grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1; www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.2.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.2.2. De vreemdeling heeft eerder, op 23 maart 2001, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 5 juni 2003, voor zover thans van belang, heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 11 december 2009 is van gelijke strekking als het besluit van 5 juni 2003, zodat op het daartegen ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.2.3. In het algemeen ambtsbericht inzake Libië van november 2002 is, voor zover thans van belang, in paragraaf 3.2 'Procedure bij terugkeer' het volgende vermeld:

<small>"Uitgeprocedeerde asielzoekers, die immers meestal langere tijd buiten Libië hebben verbleven, zullen naar alle waarschijnlijkheid enkele dagen worden vastgehouden teneinde te worden ondervraagd. Bij uitgeprocedeerde asielzoekers die onder begeleiding worden verwijderd, kan met zekerheid worden aangenomen, dat deze tijdelijk worden gedetineerd en worden ondervraagd. Het zou evenwel ook voorkomen dat uitgeprocedeerde asielzoekers na terugkeer in Libië slechts kort worden ondervraagd.

Er is een essentieel verschil tussen de behandeling van personen die worden verdacht van oppositionele activiteiten in of buiten Libië en personen die daarvan niet worden verdacht. Verdenking van oppositionele activiteiten is voldoende voor langere detentie en zal vaak leiden tot veroordeling.

Indien een uitgeprocedeerde asielzoeker na terugkeer in Libië wordt gedetineerd, kan mishandeling of foltering tijdens detentie niet worden uitgesloten."</small>

2.2.4. Bij het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire nr. 2006/28 (Stcrt. 31 augustus 2006, nr. 169, p. 14; hierna: het WBV 2006/28) heeft de minister een besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Libië ingesteld tot 1 januari 2007. Daarin is, voor zover thans van belang, vermeld dat voormeld moratorium is ingesteld naar aanleiding van het volgende:

<small>"In het ambtsbericht Libië van 20 november 2002 van de minister van Buitenlandse Zaken staat op pagina 10 in de paragraaf over de procedure bij terugkeer vermeld, dat "…indien een uitgeprocedeerde Libische asielzoeker na terugkeer in Libië wordt gedetineerd, mishandeling of foltering tijdens detentie niet kan worden uitgesloten". Omdat in dezelfde paragraaf wordt gesteld, dat "er (..) een essentieel verschil (is) tussen de behandeling van personen die worden verdacht van oppositionele activiteiten in of buiten Libië en personen die daarvan niet worden verdacht", heeft de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te Rotterdam, in haar uitspraak van 5 oktober 2005, Awb 04/48272 geconcludeerd dat het niet duidelijk is op welke categorie teruggekeerde asielzoekers het ambtsbericht betrekking heeft. Het beleid ging er vooralsnog van uit dat er alleen risico bestond voor personen die verdacht waren van oppositionele activiteiten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan op dit moment deze informatie bevestigen noch ontkennen vanwege onvoldoende onderzoeksmogelijkheden. Na de zomer van 2006 zal het Ministerie van Buitenlandse Zaken opnieuw bezien, of zich nieuwe onderzoeksmogelijkheden aandienen.

Gelet op de onmogelijkheid om thans te beslissen op asielaanvragen als gevolg van de uitspraak van de rechtbank en het vermoeden dat onderzoek zal kunnen uitwijzen dat niet-opposanten van het regime geen gevaar lopen te worden mishandeld, dient het besluitmoratorium gebaseerd te worden op de in artikel 43, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde grond. Immers, er zal naar verwachting voor een korte periode onzekerheid bestaan over de situatie in het land van herkomst en op grond daarvan kan redelijkerwijs niet worden beslist of de aanvraag op een van de gronden genoemd in artikel 29 van de Vw 2000 wordt toegewezen.

Gegeven de onzekere situatie kan van de in Nederland verblijvende Libische asielzoekers niet in redelijkheid worden verlangd dat zij op korte termijn naar Libië terugkeren. Daarom dient een vertrekmoratorium aan het besluitmoratorium te worden gekoppeld, dat gebaseerd dient te worden op artikel 45, vierde lid, van de Vw 2000."</small>

2.2.5. Bij besluit van 15 december 2006 (Stcrt. 4 januari 2007, nr. 3, p. 12) heeft de minister van Justitie voormeld moratorium verlengd tot en met 30 juni 2007, omdat het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen nieuwe informatie heeft kunnen verstrekken over de onduidelijkheden rondom de procedure bij terugkeer van uitgeprocedeerde Libische asielzoekers naar Libië.

2.2.6. Blijkens de door de vreemdeling overgelegde stukken heeft de minister vanwege voormelde onduidelijkheden na het van rechtswege aflopen van het besluit- en vertrekmoratorium besloten om Libische asielzoekers het voordeel van de twijfel te gunnen en bij terugkeer al snel schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen vanwege het reëel geachte risico op detentie, mishandeling of foltering, ook indien sprake is van een niet geloofwaardig geacht asielrelaas.

2.2.7. Uit voormelde stukken blijkt dat op 11 december 2009 de veiligheidssituatie van uitgeprocedeerde Libische asielzoekers die terugkeren naar Libië, ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het eerdere besluit van 5 juni 2003, zodanig is verslechterd, dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op toelating ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aldus is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat het besluit van 11 december 2009 wat betreft de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning op voormelde grond te verlenen, kan worden getoetst. Of daarnaast ook sprake is van een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht, behoeft derhalve geen bespreking meer.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 11 december 2009 toetsen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, voor zover die, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.4. Onder verwijzing naar de in de rechtsoverwegingen 2.2.3. tot en met 2.2.6. vermelde stukken, heeft de vreemdeling in beroep, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, betoogd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij vanwege de enkele omstandigheid dat hij langere tijd buiten Libië heeft verbleven niet reeds een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Deze vraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 29 april 2011 in zaak nr. 201009145/1/V2 (www.raadvanstate.nl) beantwoord. Uit deze uitspraak volgt dat de beroepsgrond slaagt, zodat de Afdeling het beroep alsnog gegrond zal verklaren en het besluit van 11 december 2009 zal vernietigen.

2.5. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 31 december 2010 in zaak nr. 10/250;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 11 december 2009, kenmerk 0412.30.0004;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2011

284-664.

Verzonden: 19 september 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser