Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
201009845/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2008 heeft de SVB een verzoek van [appellant] om voorzieningen op grond van de Remigratiewet afgewezen.

Wetsverwijzingen
Remigratiewet
Remigratiewet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1971
JV 2011/435
RV20110099 met annotatie van Terlouw A.B. Ashley
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009845/1/V6.

Datum uitspraak: 21 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2010 in zaak nr. 09/2493 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB).

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2008 heeft de SVB een verzoek van [appellant] om voorzieningen op grond van de Remigratiewet afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2009 heeft de SVB het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 november 2010. Deze brieven zijn aangehecht.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T.P.A. Weterings, advocaat te Amsterdam, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. P.C.J. van de Nes en mr. T.J.L. Theele, beiden werkzaam bij de Directie Juridische Zaken van de Sociale Verzekeringsbank, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Remigratiewet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder minderheidsgroep verstaan een door Onze Minister aangewezen doelgroep van het integratiebeleid.

In artikel 2 van de Regeling aanwijzing doelgroepen Remigratiewet (hierna: de regeling) is bepaald dat tot minderheidsgroep als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Remigratiewet worden aangewezen:

a. personen met de Griekse, de Italiaanse, de Portugese en de Spaanse nationaliteit, personen die in het bezit zijn geweest van genoemde nationaliteiten en personen van wie een van de ouders in het bezit is of is geweest van de Griekse, de Italiaanse, de Portugese en de Spaanse nationaliteit;

b. personen met de ex-Joegoslavische nationaliteit, personen die in het bezit zijn geweest van genoemde nationaliteit en personen van wie een van de ouders in het bezit is of is geweest van de ex-Joegoslavische nationaliteit;

c. personen met de Kaapverdische nationaliteit, personen die in het bezit zijn geweest van genoemde nationaliteit en personen van wie een van de ouders in het bezit is of is geweest van de Kaapverdische nationaliteit;

d. personen met de Marokkaanse nationaliteit, personen die in het bezit zijn geweest van genoemde nationaliteit en personen van wie een van de ouders in het bezit is of is geweest van de Marokkaanse nationaliteit;

e. personen met de Surinaamse nationaliteit, personen die in het bezit zijn geweest van genoemde nationaliteit, personen van wie een van de ouders in het bezit is of is geweest van de Surinaamse nationaliteit, personen met de Nederlandse nationaliteit die in Suriname zijn geboren en personen van wie een van de ouders de Nederlandse nationaliteit heeft en in Suriname is geboren;

f. personen met de Tunesische nationaliteit, personen die in het bezit zijn geweest van genoemde nationaliteit en personen van wie een van de ouders in het bezit is of is geweest van de Tunesische nationaliteit;

g. personen met de Turkse nationaliteit, personen die in het bezit zijn geweest van genoemde nationaliteit en personen van wie een van de ouders in het bezit is of is geweest van de Turkse nationaliteit;

h. personen met de Chinese nationaliteit, personen die in het bezit zijn geweest van genoemde nationaliteit en personen van wie een van de ouders in het bezit is of is geweest van de Chinese nationaliteit;

i. personen die voorkomen of voorkwamen in het register, bedoeld in Artikel 1, onder b, van de Wet Rietkerk-uitkering en personen van wie een van de ouders voorkomt of voorkwam in het register, bedoeld in Artikel 1, onder b, van de Wet Rietkerk-uitkering;

j. vreemdelingen die in Nederland rechtmatig verblijf hebben of hebben gehad op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000, personen van wie een van de ouders als vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft of heeft gehad op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 en personen die in het kader van gezinshereniging met een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 naar Nederland zijn gekomen.

Ingevolge artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van Protocol nr. 12 bij het EVRM moet het genot van elk in de wet neergelegd recht worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge het tweede lid mag niemand worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op, met name, een van de in het eerste lid vermelde gronden.

Ingevolge artikel 26, eerste volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) zijn allen voor de wet gelijk en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het in artikel 2 van de regeling gemaakte onderscheid naar nationaliteit, waarin Egyptenaren niet als doelgroep van het integratiebeleid zijn aangewezen, geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat en derhalve sprake is van strijd met het verbod op discriminatie bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Protocol nr. 12 bij het EVRM en artikel 26, eerste volzin, van het IVBPR. In dit verband wijst [appellant] tevens op de brief van de toenmalige minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: de minister) van 13 november 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XVIII, nr. 29), die is opgesteld naar aanleiding van de op 4 december 2008 door de Tweede Kamer aangenomen motie inzake een heroverweging van de Remigratiewet (Kamerstukken II 2008/09, 31 700 XVIII, nr. 20).

2.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 2 van de regeling een onderscheid naar nationaliteit behelst.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 september 2008 in zaak nr. 200706325/1), is eerst sprake van ongeoorloofd onderscheid indien er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het gemaakte onderscheid en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraken van 5 april 2006 in zaak nr. 200505679/1 en van 22 juli 2009 in zaak nr. 200807914/1), is van discriminatie als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR geen sprake als er voor het maken van onderscheid in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan.

2.2.3. Blijkens de Memorie van Toelichting (hierna: de MvT) bij de Remigratiewet (Kamerstukken II 1997/98, 25 741, nr. 3, blz. 3 en 11) is het doel van die wet om voor personen die de wens tot remigratie niet zelfstandig kunnen verwezenlijken en die afkomstig zijn uit de doelgroepen van het integratiebeleid, faciliteiten te scheppen welke het voor hen mogelijk maken te remigreren. Deze doelgroepen zijn neergelegd in de Contourennota integratiebeleid etnische minderheden (hierna: de Contourennota) van 11 april 1994 (Kamerstukken II 1993/94, 23 684, nr. 2). Het kabinet acht flexibiliteit van groot belang bij het bepalen van de doelgroepen van het integratiebeleid en hecht eraan in de toekomst de aanduiding van doelgroepen van het integratiebeleid te kunnen bijstellen, zo is in de MvT vermeld. Blijkens de Contourennota richt het minderhedenbeleid zich op de samenleving als geheel en onderscheidt het daarnaast een aantal specifieke doelgroepen, waarop de integratie- en participatiedoelstelling zich in het bijzonder richt. Deze doelgroepen zijn geïndiceerd vanwege hun maatschappelijke achterstandspositie in de Nederlandse samenleving.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat voor de aanwijzing van de nationaliteiten vermeld onder a, b, c, d, f en g van artikel 2 van de regeling als doelgroep een historische en objectieve oorzaak bestaat, aangezien Nederland met de desbetreffende landen overeenkomsten heeft gesloten teneinde ongeschoolde arbeiders voor de Nederlandse arbeidsmarkt te werven en de onderdanen van deze landen van meet af aan doelgroepen van het minderhedenbeleid waren. Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat ook voor de aanwijzing van de nationaliteiten vermeld onder e en bedoeld onder i van artikel 2 van de regeling een historische oorzaak bestaat, te weten het koloniaal verleden van Nederland met de desbetreffende landen. Ten aanzien van het in artikel 2 van de regeling gemaakt onderscheid tussen voormelde nationaliteiten enerzijds en Egyptenaren anderzijds acht de Afdeling derhalve een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig.

Echter, nu de SVB het betoog van [appellant], dat niet valt in te zien waarom Chinezen wel en Egyptenaren niet in aanmerking komen voor een remigratie-uitkering, enkel heeft weerlegd met het argument dat de Chinezen als doelgroep zijn toegevoegd op verzoek van Chinese organisaties, is daarmee voor het aldus gemaakte onderscheid tussen Chinezen en Egyptenaren geen objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven. Dit had gelet op rechtsoverweging 84 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 februari 2009, Andrejeva tegen Letland, nr. 55707/00, JV 2009/165, wel op de weg van de SVB gelegen, zodat de SVB in dit geval niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Daaraan moet des te meer gewicht worden gehecht, nu in voormelde brief van de minister van 13 november 2009 met betrekking tot de doelgroepen is vermeld dat deze gedateerd zijn en een afspiegeling zijn van een eertijds gevoerd minderhedenbeleid en daarna van het integratiebeleid, alsmede dat de regeling in zoverre zal worden gewijzigd dat in de nieuwe situatie Egyptenaren wel in aanmerking komen voor een remigratie-uitkering.

Gelet op het hiervoor overwogene is het onderscheid naar nationaliteit, dat voortvloeit uit de in het bestreden besluit gegeven toepassing aan artikel 2 van de regeling, waarin de minderheidsgroepen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Remigratiewet zijn aangewezen, nu deze uitputtend is, onverenigbaar met het discriminatieverbod bedoeld in onder meer artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid, van Protocol nr. 12 bij het EVRM en artikel 26 van het IVBPR.

Het betoog slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De overige gronden van het hoger beroep behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 24 april 2009 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. De SVB dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2010 in zaak nr. 09/2493;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank van 24 april 2009, kenmerk LD 0211670-0/662BSB;

V. veroordeelt de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. veroordeelt de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) en in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, het totale bedrag dient door de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer);

VII. gelast dat de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Cassé, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Cassé

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011

588.