Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
201102507/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college aan de gemeente 's-Hertogenbosch, Sector CWS, ontheffing verleend van de voorschriften van het bestemmingsplan voor het vestigen van een jongerencentrum aan de Kooikersweg 15 (lees: Eendenkooi 15) te 's-Hertogenbosch (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:51a
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.23
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/404
JOM 2012/72
JB 2011/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102507/1/H1.

Datum uitspraak: 21 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 januari 2011 in zaak nrs. 09/1266 en 09/1375 in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A], gevestigd te Amsterdam, en [appellant sub 1 B], gevestigd te Hoorn,

2. Van Neynselgroep, gevestigd te 's-Hertogenbosch

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college aan de gemeente 's-Hertogenbosch, Sector CWS, ontheffing verleend van de voorschriften van het bestemmingsplan voor het vestigen van een jongerencentrum aan de Kooikersweg 15 (lees: Eendenkooi 15) te 's-Hertogenbosch (hierna: het perceel).

[appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], en Van Neynselgroep (woonzorgcentrum De Taling) hebben daartegen beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 20 juli 2010 (hierna: de tussenuitspraak), verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 3 maart 2009 is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, onder meer omdat het college heeft nagelaten te bezien of er aanleiding bestaat om specifieke aanvullende voorschriften aan de ontheffing te verbinden ter ondervanging van de door [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en Van Neynselgroep geuite vrees voor overlast.

Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college opgedragen om:

- uiterlijk op 1 augustus 2010 aan haar en aan [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en Van Neynselgroep mee te delen of het gebruikmaakt van de gelegenheid om het gebrek in het besluit van 3 maart 2009 te herstellen;

- indien het gebruikmaakt van de gelegenheid tot herstel, de in rechtsoverweging 13 en 14 van de tussenuitspraak genoemde handelingen te verrichten;

- indien het gebruikmaakt van de gelegenheid tot herstel, zo snel mogelijk in overleg te treden met [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en Van Neynselgroep;

- uiterlijk 15 september 2010 aan de rechtbank schriftelijk mee te delen of hij het bestreden besluit aanpast dan wel in stand laat en welke motivering hij daaraan ten grondslag legt.

Het college heeft de rechtbank, voor zover van belang, bij schrijven van 29 juli 2010 laten weten dat het bereid is gevolg te geven aan de tussenuitspraak.

Bij schrijven van 18 oktober 2010 heeft het college de rechtbank laten weten dat het op 12 oktober 2010 heeft besloten om aan de bij besluit van 3 maart 2009 verleende ontheffing alsnog twee voorschriften te verbinden, te weten het voorschrift dat het jongerencentrum op weekdagen van 16.00 tot 22.00 uur geopend zal zijn, en het voorschrift dat vanaf een halfuur voor de opening tot een halfuur na sluitingstijd toezicht aanwezig dient te zijn in de omgeving van het jongerencentrum.

Bij uitspraak van 12 januari 2011, verzonden op 13 januari 2011, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en Van Neynselgroep ingestelde beroepen tegen het besluit van 3 maart 2009, aangevuld bij besluit van 12 oktober 2010, gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2011.

Van Neynselgroep heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2011, waar het college, vertegenwoordigd door E.B.A.M. Gerritse LLB, werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], vertegenwoordigd door mr. E.C.W. van der Poel, advocaat te Alkmaar, en Van Neynselgroep, vertegenwoordigd door [zorgmanager] van woonzorgcentrum De Taling en M.C. van den Heuvel, bijgestaan door mr. F.A. Pommer, advocaat te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het jongerencentrum waarvoor ontheffing is gevraagd, is bedoeld voor jongeren in de leeftijd van 12 tot 25 jaar. Doel van het centrum is het activeren van jongeren met wie jongerenwerkers op straat in contact zijn gekomen, alsmede het ontplooien van ontspannings- en ontmoetingsactiviteiten voor jongeren in de middaguren na schooltijd.

2.2. Op grond van het bestemmingsplan "De Rietvelden-Oost" rust op het perceel de bestemming "Actieve recreatie, bebouwd (RA-B).

Ingevolge 20, onder A, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de actieve recreatie, zoals sport- en speelvelden, een zwembad, een sporthal en andere bij de bestemming behorende gebouwen, zoals een kantine, gebouwen voor sanitaire voorzieningen, onderhoud en beheer en dienstwoningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van ondergrondse tanks ten behoeve van vloeibare brandstoffen (K1, K2 en K3-klasse).

Ingevolge artikel 20, onder D, onder 1, is het verboden de op deze gronden aanwezige en op te richten bouwwerken te gebruiken voor doeleinden in strijd met de in lid A bedoelde bestemming.

2.3. Niet in geschil is dat het gebruik van het bestaande gebouw op het perceel als jongerencentrum met deze planvoorschriften in strijd is. Om de voorgenomen activiteiten niettemin mogelijk te maken, heeft het college ontheffing van de planvoorschriften verleend met toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

2.4. Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover thans van belang, kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge het tweede lid bepaalt de rechtbank de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Zij kan deze termijn verlengen.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank de beroepen van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] en Van Neynselgroep ten onrechte gegrond heeft verklaard door te oordelen dat het niet heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak bepaalde, op 15 september 2010 eindigende termijn, die de rechtbank op verzoek van het college tot 15 oktober 2010 heeft verlengd. Het college voert hiertoe aan dat het op de weg van de rechtbank had gelegen zijn besluitvorming af te wachten, omdat, zoals bij fax van 15 oktober 2011 aan de rechtbank was meegedeeld, besluitvorming op korte termijn na 18 oktober 2010 was te verwachten en geen der partijen in hun belangen zou worden geschaad, althans dat de rechtbank die fax van 15 oktober 2010 als een nieuw verzoek om verlenging van de termijn had moeten opvatten.

2.5.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2010 in zaak nr. 200905009/1/T1/H3 volgt dat een verzoek om verlenging van een in een tussenuitspraak bepaalde termijn dient te geschieden door middel van een gemotiveerd verzoek daartoe.

2.5.2. De fax van 15 oktober 2010 is als een mededeling aan de rechtbank geformuleerd, zodat deze niet kan worden aangemerkt als een aan haar gericht, gemotiveerd verzoek de door haar gestelde termijn te verlengen.

Voor zover de rechtbank al aanleiding had dienen te zien de fax wel als zodanig verzoek te beschouwen, zij erop gewezen dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:51a van de Awb en uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat een verzoek om verlenging van de in deze bepaling vermelde termijn slechts in bijzondere gevallen dient te worden verleend. Nu niet is gebleken van omstandigheden waaruit blijkt dat sprake is van een bijzonder geval, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet heeft voldaan aan het eindoordeel van de tussenuitspraak. Zij is daarom tot het juiste oordeel gekomen dat het besluit van 3 maart 2009, aangevuld bij besluit van 12 oktober 2010, nog immer lijdt aan de gebreken die in de tussenuitspraak zijn vastgesteld.

Het betoog faalt.

2.6. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), voor zover thans van belang, komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, mits:

1e. de gebruikswijziging plaats vindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-oppervlakte van niet meer dan 1500 m2, en

3e. het aantal woningen gelijk blijft.

2.7. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 3 maart 2009, omdat het college niet nader heeft gemotiveerd waarom aan het besluit van 3 maart 2009 geen specifieke voorschriften zijn verbonden met betrekking tot geluidoverlast, verkeers- en parkeerhinder, brandveiligheid en het gedrag van jongeren. Het college voert hiertoe aan dat zodanige voorschriften buiten de reikwijdte van artikel 3.23, tweede lid, van de Wro vallen, omdat deze verband moeten houden met het belang dat met de ontheffing wordt behartigd.

2.7.1. Het college diende in het kader van de voorgenomen ontheffingverlening te beoordelen of de vestiging van het jongerencentrum op het perceel in ruimtelijk opzicht aanvaardbaar is. Daartoe diende het de belangen van de aanvrager van de ontheffing en die van de omwonenden van het perceel tegen elkaar af te wegen, en vervolgens te motiveren waarom de ruimtelijke ingreep die de vestiging van het jongerencentrum met zich brengt, niet zodanig is dat de ontheffing zou moeten worden geweigerd. In dat kader kan aan de orde komen of aanleiding bestaat aan de ontheffing voorschriften te verbinden ter waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het, ter zitting nader toegelichte, standpunt van het college dat artikel 3.23, tweede lid, van de Wro het stellen van voorschriften als vorenbedoeld niet mogelijk maakt, wordt door de Afdeling niet gevolgd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften als bovengenoemd worden verbonden, voor zover deze ruimtelijk relevant zijn, als uitkomst van de in dit kader door het college te verrichten belangenafweging.

2.7.2. Uit het voorgaande volgt niet zonder meer dat het verbinden van voorschriften aan de gevraagde ontheffing noodzakelijk is. Van belang is slechts dat het college, gelet op de bij de beoogde ruimtelijke ingreep betrokken belangen, het verlenen van de ontheffing van een motivering dient te voorzien en daarbij, gegeven de omstandigheden van het concrete geval, de vraag dient te betrekken of het verbinden van voorschriften aan de ontheffing al dan niet noodzakelijk is. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het dit, in het bijzonder gezien in het licht van de hieronder geschetste feiten en omstandigheden, ten onrechte niet heeft gedaan.

Anders dan het college heeft betoogd, wijkt de ruimtelijke uitstraling van het geprojecteerde jongerencentrum niet slechts in geringe mate af van die van een ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse toegestane sportvoorziening. In dit verband zij erop gewezen dat het college ter zitting heeft bevestigd dat het centrum met name ook is bedoeld voor zogeheten probleemjongeren. Gelet daarop is van belang hoe de begeleiding van deze jongeren zal worden geregeld. Het college heeft echter niet kunnen aangeven hoeveel personeelsleden bij de begeleiding van de jongeren zullen zijn betrokken, noch dat het daarbij zal gaan om personeel met voldoende kwalificaties voor de begeleiding van dergelijke jongeren. Verder is gebleken dat de palliatieve afdeling van woonzorgcentrum De Taling, bedoeld voor bewoners die nog slechts minder dan drie maanden te leven hebben, recht tegenover het jongerencentrum zal zijn gelegen. Ten slotte kunnen volgens het besluit van 12 oktober 2010 de daarin als voorschrift opgenomen openingstijden van het centrum, in de toekomst nog worden uitgebreid.

2.7.3. Ten aanzien van de door het college in het besluit van 12 oktober 2010 tot uitdrukking gebrachte intentie om aan een aantal belangen van [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en Van Neynselgroep tegemoet te komen door middel van een convenant, wordt overwogen dat, naar ter zitting is gebleken, nog geen convenant is opgesteld. Evenmin is gebleken dat voorbereidingen daartoe in een vergevorderd stadium zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2010 in zaak nr. 201000591/1/H1).

Het betoog faalt.

2.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het verlenen van de ontheffing voldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B] en Van Neynselgroep. Zij heeft daarom terecht geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit van 3 maart 2009 in stand te laten.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Dorst

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011

357-619.