Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2150

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
201102469/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen onder meer het gebruik van een agrarische schuur voor niet-agrarische doeleinden en het afgraven en egaliseren van gronden zonder aanlegvergunning op het perceel [locatie] te De Cocksdorp, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102469/1/H1.

Datum uitspraak: 21 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 januari 2011 in zaak nr. 08/977 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen onder meer het gebruik van een agrarische schuur voor niet-agrarische doeleinden en het afgraven en egaliseren van gronden zonder aanlegvergunning op het perceel [locatie] te De Cocksdorp, afgewezen.

Op 2 april 2008 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar.

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellante] tegen het besluit van 22 maart 2005 gemaakte bezwaar en, voor zover hier van belang, [belanghebbenden] onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel opgeworpen grondwallen geheel te verwijderen en verwijderd te houden en het bezwaar tegen de weigering om handhavend op te treden tegen het gebruik van de op het perceel aanwezige schuur, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar en ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het besluit van 9 mei 2008. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2011, waar [appellante], bijgestaan door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.L. Poot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Texel" rust op het perceel, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 1, klasse a".

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 1, klasse a" uitsluitend gebruikt en ingericht worden voor agrarische doeleinden, met de daarbij behorende bebouwing, alsmede voor de instandhouding, het herstel en de uitbouw van de aan die gronden eigen landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bij het besluit van 9 mei 2008 opgelegde last te beperkt is en had moeten worden uitgebreid met de verplichting om het perceel in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Daartoe voert zij aan dat de landschappelijke waarde van het perceel is aangetast. [appellante] stelt dat het perceel oorspronkelijk een geaccidenteerd terrein, als uitloper van de duinen, omvatte.

2.2.1. Het betoog faalt. De grondwallen zijn in strijd met artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften opgeworpen ten behoeve van een niet agrarische functie. Met het verwijderen van de grondwallen is dat niet agrarische gebruik op dat deel van het perceel beëindigd. Verder zijn geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat de in artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften bedoelde landschappelijke waarde van het perceel na de verwijdering van de grondwallen niet in stand wordt gehouden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor een verdergaande last.

2.3. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat het college handhavend dient op te treden tegen het gebruik van de stenen schuur op het perceel. Daartoe voert zij aan dat de schuur voor andere doeleinden wordt gebruikt dan waarvoor het college vrijstelling heeft verleend.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd was handhavend op te treden tegen het gebruik van de stenen schuur voor opslagdoeleinden ten behoeve van een strandpaviljoen, nu het college bij besluit van 28 november 2007 voor dat gebruik vrijstelling heeft verleend. De rechtbank heeft echter niet onderkend dat het college een gemotiveerd standpunt in had moeten nemen over het betoog van [appellante] dat de schuur wordt gebruikt voor andere doeleinden dan is toegestaan. [appellante] heeft dit herhaaldelijk en gemotiveerd aangevoerd. Ter zitting van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding was om nader onderzoek te doen naar het gestelde niet-toegestane gebruik van de stenen schuur, nu het geregeld contact heeft gehad met [belanghebbenden] en vrijstelling heeft verleend voor het gebruik van de schuur voor opslagdoeleinden. De Afdeling is van oordeel dat het college bij de weigering handhavend op te treden tegen het gestelde strijdige gebruik van de stenen schuur bij gebrek aan wetenschap niet had mogen volstaan met het houden van contact met [belanghebbenden], maar in het verzoek van [appellante] aanleiding had moeten zien om ter plaatse onderzoek te doen of de stenen schuur ook voor andere dan de toegestane doeleinden wordt gebruikt. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 9 mei 2008 in zoverre in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevant feiten, alsmede met artikel 7:12, eerste lid, van die wet, dat eist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep tegen de weigering handhavend op te treden tegen het gestelde strijdig gebruik van de stenen schuur op het perceel ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 mei 2008 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient te worden vernietigd, voor zover het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen het gestelde strijdig gebruik van de op het perceel aanwezige schuur. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

In verband met het vorenstaande dient het college een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 januari 2011 in zaak nr. 08/977, voor zover de rechtbank het beroep tegen de weigering handhavend op te treden tegen het gestelde strijdig gebruik van de stenen schuur op het perceel ongegrond heeft verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Texel van 9 mei 2008, kenmerk 08.UP2208, voor zover het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen het gestelde strijdig gebruik van de op het perceel aanwezige schuur;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Texel tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.679,00 (zegge: zestienhonderdnegenenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Texel aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 372,00 (zegge: driehonderdtweeënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011

17-672.