Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
201101572/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft de minister een verzoek van Meru om de onroerende zaak Sankt Ludwig in Vlodrop af te voeren van het monumentenregister als bedoeld in de Monumentenwet 1988 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/240 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
JOM 2011/770
JOM 2012/73
JG 2011/67 met annotatie van ing. W. Vos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101572/1/H2.

Datum uitspraak: 21 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Maharishi European Research University/Maharishi Vedic University (hierna: Meru), gevestigd te Vlodrop,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 december 2010 in zaak nr. 10/263 in het geding tussen:

Meru

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (voorheen: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft de minister een verzoek van Meru om de onroerende zaak Sankt Ludwig in Vlodrop af te voeren van het monumentenregister als bedoeld in de Monumentenwet 1988 afgewezen.

Bij besluit van 18 januari 2010 heeft de minister het door Meru daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Meru daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Meru bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2011.

De staatssecretaris en de stichting Stichting Burgercomité St. Ludwig hebben ieder een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris en Meru hebben ieder nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gevoegd met het hoger beroep in de zaak nr. 201001486/1/H2, behandeld op 7 juli 2011, waar Meru, vertegenwoordigd door mr. A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door G. Rieter, G. Lieve en ir. H. Ruijssenaars, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.A. Valkenburcht, werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zijn verschenen. Verder zijn daar verschenen het Burgercomité, vertegenwoordigd door A.J.H. op de Kamp, bijgestaan door P.J.A. Bongaerts, en het Cuypersgenootschap, vertegenwoordigd door L.W. Dubbelaar. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de Monumentenwet 1988 wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder monumenten: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

Ingevolge die aanhef en onder d wordt verstaan onder beschermde monumenten: onroerende monumenten welke zijn ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers.

Ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, voor zover thans van belang, kan de minister ambtshalve dan wel op aanvraag onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

Ingevolge het derde lid vraagt de minister, voordat hij ter zake een beschikking geeft, advies aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het monument is gelegen en, indien de monumenten zijn gelegen buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tevens aan gedeputeerde staten.

Ingevolge het zevende lid beslist de minister, de Raad voor cultuur gehoord, binnen tien maanden na de datum van de verzending van de adviesaanvraag aan burgemeester en wethouders, dan wel indien om aanwijzing is verzocht, binnen tien maanden na ontvangst van dat verzoek.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, houdt de minister voor elke gemeente een register aan van de beschermde monumenten. In het register schrijft hij de monumenten in die hij heeft aangewezen, voor zover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is de minister bevoegd ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden in het register wijzigingen aan te brengen. De artikelen 3 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.2. Meru is sinds 1984 eigenaar van het uit 1904-1909 daterende complex Sankt Ludwig in Vlodrop. Het complex is op 9 oktober 1997 aangewezen als rijksmonument en is aldus opgenomen in het register van beschermde monumenten. Meru heeft daartegen bezwaar gemaakt en de staatssecretaris heeft bij het besluit op bezwaar van 19 mei 1998 de aanwijzing gehandhaafd. Meru heeft haar beroep tegen dit besluit ingetrokken waardoor het besluit rechtens onaantastbaar is geworden.

Meru heeft op 6 maart 2007 een verzoek ingediend bij de minister om Sankt Ludwig af te voeren van het monumentenregister. Zij wenst dit complex te slopen ten behoeve van haar nieuwbouwplannen.

Het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen heeft, in afwijking van het advies van de monumentencommissie van Roerdalen, de minister positief geadviseerd over dit verzoek. Het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft eveneens een positief advies gegeven. De Raad voor cultuur heeft de minister negatief geadviseerd over het verzoek.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 oktober 2008 heeft de minister, in navolging van het advies van de Raad voor cultuur, het verzoek van Meru afgewezen. De minister stelt zich op het standpunt dat de monumentale waarden die aanleiding waren voor de aanwijzing van Sankt Ludwig tot rijksmonument, nog steeds in ruime mate aanwezig zijn. Volgens de minister heeft Meru bij haar verzoek om afvoering geen nieuwe feiten of gewijzigde gezichtspunten naar voren gebracht op grond waarvan de status van rijksmonument niet meer gerechtvaardigd zou zijn. Voorts heeft de minister het in de adviezen van het college van burgemeester en wethouders en het college van gedeputeerde staten gestelde ontbreken van draagvlak voor behoud niet doorslaggevend geacht bij de beoordeling van het verzoek om afvoering. De minister heeft daartegenover gesteld dat wel degelijk voldoende draagvlak bestaat voor behoud, te weten bij diverse belangenorganisaties en particulieren.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat bij de beoordeling van een verzoek om afvoering van een monument van het monumentenregister uitgangspunt dient te zijn de vraag of een pand nog steeds als monument in de zin van de Monumentenwet 1988 kan worden aangemerkt en dat daarbij de redengevende omschrijving bij het aanwijzingsbesluit, waarin de redenen zijn genoemd die aanleiding hebben gegeven tot de aanwijzing als rijksmonument, tot op zekere hoogte herbeoordeeld moet worden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat bij die herbeoordeling wijzigingen in de feitelijke situatie en gewijzigde inzichten over de cultuurhistorische en/of architectuurhistorische waarden van het monument tot de conclusie kunnen leiden dat een pand niet langer als rijksmonument dient te worden aangemerkt. Gelet echter op de formele rechtskracht die het aanwijzingsbesluit doorgaans heeft verkregen, kan deze herbeoordeling, aldus de rechtbank, niet zo ver gaan dat de discussie over de aanwijzing van een pand opnieuw moet worden gevoerd. De aanvrager zal nieuwe feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen, die de redengevende omschrijving bij het aanwijzingsbesluit in een ander daglicht plaatsen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in zijn besluitvorming terecht als uitgangspunt heeft genomen dat voor het afvoeren van Sankt Ludwig van het monumentenregister pas aanleiding bestaat als het gebouw, vanwege nieuwe feiten of gewijzigde inzichten, niet meer voldoet aan de redengevende omschrijving bij het aanwijzingsbesluit.

2.4. Meru betoogt dat de rechtbank hiermee is uitgegaan van een onjuist toetsingskader en de invulling van dit kader niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij voert aan dat de staatssecretaris bij de beoordeling van een verzoek om afvoering alle bij dat verzoek aangedragen feiten en omstandigheden volledig dient te beoordelen, met inbegrip van de daarbij ingebrachte informatie waaruit volgt dat de aanwijzing destijds op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden. Uit die informatie volgt immers dat de onroerende zaak geen monumentale waarde heeft en dus niet, althans niet langer, voor bescherming in aanmerking komt. Zij wijst erop dat daarbij de aanwijzing niet ter discussie staat, omdat gevraagd wordt de inschrijving in het monumentenregister door te halen en niet gevraagd wordt de inschrijving met terugwerkende kracht te herroepen. Voorts kan het volgens Meru niet de bedoeling van het leerstuk van formele rechtskracht zijn dat een besluit waarvan achteraf blijkt dat dit inhoudelijk onjuist is, gehandhaafd wordt alleen omdat het besluit onherroepelijk is geworden.

2.4.1. Voorop wordt gesteld dat de bevoegdheid van de staatssecretaris op grond van artikel 8, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 tot het afvoeren van een monument van het monumentenregister een discretionaire bevoegdheid is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 februari 2010 in zaak nr. 200903895/1 (www.raadvanstate.nl), ligt bij de beoordeling van een verzoek om afvoering van een monument van het monumentenregister de vraag voor of een pand nog steeds als monument in de zin van de Monumentenwet 1988 kan worden aangemerkt. Anders dan Meru betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat daarbij de formele rechtskracht van het aanwijzingsbesluit en de daarin opgenomen redengevende omschrijving eraan in de weg staan dat dit besluit met redengevende omschrijving volledig wordt herbeoordeeld. De rechtbank heeft de herbeoordeling terecht beperkt tot nieuwe feiten en omstandigheden die de redengevende omschrijving bij het aanwijzingsbesluit in een ander daglicht plaatsen. Informatie gericht op het aantonen van de onjuistheid van de gronden waarop de aanwijzing destijds is gebaseerd en die reeds bekend was ten tijde van het aanwijzingsbesluit, kan dan ook niet als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid worden aangemerkt. Dat met die informatie niet wordt verzocht om een doorhaling van de inschrijving in het monumentenregister met terugwerkende kracht, zoals Meru stelt, laat onverlet dat die informatie leidt tot het opnieuw beoordelen van een rechtens onaantastbaar aanwijzingsbesluit.

Het betoog faalt.

2.5. Meru betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Festschrift uit 1909 en - daaruit voortvloeiend - de stelling van Meru dat Sankt Ludwig niet als direct uitvloeisel van de Kulturkampf kan worden gezien, geen nieuw feit of gewijzigd inzicht is. Meru voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er vanuit moet worden gegaan dat het Festschrift reeds bij de aanwijzing van het gebouw als beschermd monument is betrokken. Volgens Meru heeft de rechtbank zich daarbij ten onrechte gebaseerd op de verklaring van de gemachtigde van de staatssecretaris ter zitting dat het Burgercomité het stuk destijds heeft overgelegd, alsmede op de bevestiging daarvan ter zitting door

de gemachtigde van het comité en had de rechtbank daarvan bewijs moeten vragen, nu Meru de juistheid van die verklaring heeft bestreden. Zij wijst op de brief van het Burgercomité aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van 3 april 1998 waarbij alleen de inhoudsopgave en het eerste hoofdstuk van het Festschrift uit 1909 zijn overgelegd en waaruit volgt dat die stukken pas ná de aanwijzing zijn overgelegd. Meru wijst tevens op de informatie van de zijde van de staatssecretaris in de bezwaarprocedure dat de minister alleen de beschikking had over een Festschrift van het vijftigjarig bestaan van het complex. Hieruit volgt dat de minister ten tijde van het aanwijzingsbesluit en het daarop betrekking hebbende besluit op bezwaar niet beschikte over het Festschrift uit 1909, aldus Meru.

2.5.1. Meru heeft in het kader van haar verzoek om afvoering van Sankt Ludwig van het monumentenregister de hoofdstukken 1 en 3 van het Festschrift uit 1909 alsmede een gedeelte van het proefschrift "Klöster in Kulturkampf" van R. Müllejans ingebracht, waaruit volgens haar volgt dat Sankt Ludwig een internaat is en niet een in het kader van de Kulturkampf gebouwd klooster. Uit de brieven van het Burgercomité van 19 juni 1997 en 3 april 1998 kan worden afgeleid dat de staatssecretaris vóór de aanwijzing van Sankt Ludwig als beschermd monument op 9 oktober 1997 beschikte over het proefschrift van Müllejans en ten tijde van het besluit op bezwaar van 19 mei 1998 inzake de aanwijzing beschikte over het relevante eerste hoofdstuk van het Festschrift uit 1909 dat gaat over de geschiedenis van de bouw van Sankt Ludwig. Verder kan uit de bronvermelding van het advies van de Raad voor cultuur van 18 augustus 1997 dat aan de aanwijzing ten grondslag ligt, worden afgeleid dat het proefschrift bij dat advies is betrokken. Voorts is in dat advies alsmede in de redengevende omschrijving en in het aan het besluit op bezwaar inzake de aanwijzing ten grondslag liggende advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 13 mei 1998 onderkend dat Sankt Ludwig primair een school/internaat is, voorzien van een klooster en een kerk, en dat het complex niet is gebouwd ten tijde van de Kulturkampf maar daarvan een uitvloeisel is. Uit het voorgaande volgt dat het relevante hoofdstuk van het Festschrift uit 1909 en het proefschrift van Müllejans reeds zijn betrokken bij de aanwijzing van Sankt Ludwig als beschermd monument. Gelet hierop zijn die stukken en de door Meru daarop gebaseerde stelling dat Sankt Ludwig geen Kulturkampfkloster is, geen nieuw feit of gewijzigd inzicht dat de redengevende omschrijving in een ander daglicht plaatst en heeft de minister reeds daarom het verzoek van Meru om afvoering kunnen afwijzen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.6. Meru betoogt dat de rechtbank ten onrechte de bevindingen van dr. M.C. Kuipers dat Sankt Ludwig een Kulturkampfkloster is, heeft betrokken in haar overwegingen. Zij voert daartoe aan dat Kuipers gezien haar verbondenheid aan de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed niet onafhankelijk is en haar bijzondere deskundigheid zich niet uitstrekt over de periode waarin Sankt Ludwig is gebouwd. Voorts betoogt Meru dat de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de door haar ingeschakelde deskundigen, dr. H. Ruijssenaars en dr. A. van der Woud, die Sankt Ludwig niet beschouwen als een exponent van de "Kulturkampf".

2.6.1. Hoewel de staatssecretaris ten behoeve van de besluitvorming op het verzoek van Meru om Sankt Ludwig af te voeren van het monumentenregister advies heeft ingewonnen bij onder meer de Raad voor cultuur, heeft de staatssecretaris in beroep de stelling van Meru dat Sankt Ludwig geen Kulturkampfkloster is, nogmaals aan een deskundige voorgelegd, te weten Kuipers. Zij is gespecialiseerd in de bouwperiode waarin Sankt Ludwig is gebouwd en haar verbondenheid aan de Rijksdienst maakt op zich haar bevindingen niet onbruikbaar. Kuipers heeft bij brief van 12 november 2010 gemotiveerd uiteengezet dat Sankt Ludwig wel degelijk een Kulturkampfkloster is omdat het een direct dan wel indirect gevolg van de Kulturkampf is. Zij gaat daarbij uit van een ruimer begrip Kulturkampfkloster dan de door Meru geraadpleegde deskundigen, in die zin dat zij het gebouw ook als een Kulturkampfkloster aanmerkt indien het een indirect gevolg is geweest van de Kulturkampf. Gelet hierop en in aanmerking genomen de beoordelingsruimte die de staatssecretaris heeft bij diens besluit een monument al dan niet van het monumentenregister af te voeren, heeft de rechtbank in hetgeen Meru naar voren heeft gebracht terecht geen reden gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet op de bevindingen van Kuipers heeft mogen beroepen en, in navolging van deze deskundige, de ruimere definitie van het begrip Kulturkampfkloster niet heeft mogen hanteren. Dat de door Meru geraadpleegde deskundigen Van der Woud en Ruijssenaars Sankt Ludwig een andere waardering geven dan Kuipers, is onvoldoende voor dat oordeel.

Het betoog faalt.

2.7. Het betoog van Meru dat de rechtbank ten onrechte en zonder nader onderzoek betekenis heeft toegekend aan de stelling van Kuipers dat zelfs als Sankt Ludwig niet zou behoren tot de traditie van de Kulturkampfklöster, de bescherming als monument in stand zou moeten blijven om redenen van cultuurhistorische en architectuurhistorische aard, faalt evenzeer. Uit de redengevende omschrijving die deel uitmaakt van de aanwijzing van Sankt Ludwig als beschermd monument, volgt immers dat de monumentwaardigheid van Sankt Ludwig niet alleen is gelegen in het behoren tot de traditie van Kulturkampfklöster, maar dat het ook om andere daarin genoemde redenen monumentwaardig is. De rechtbank was niet gehouden hiernaar een nader onderzoek in te stellen.

2.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank, anders dan Meru betoogt, terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stellingen van Meru geen aanleiding geven op de monumentenstatus van Sankt Ludwig terug te komen.

2.9. Meru betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het algemene belang bij het behoud van Sankt Ludwig als rijksmonument boven het gestelde financiële belang van Meru heeft kunnen stellen. De staatssecretaris heeft daarbij terecht betrokken dat de Monumentenwet 1988 primair is gericht op duurzaam behoud van het gebouwde erfgoed en niet op - veelal korte termijn - belangen van particuliere eigenaren, aangezien het onzeker is of het te beschermen monument altijd in dezelfde handen zal blijven. Ten aanzien van de stelling van Meru in dit verband dat het gebouw haar geen gebruiksmogelijkheden biedt, wordt overwogen dat de monumentenstatus niet betekent dat ingrijpende wijzigingen aan het gebouw door die status niet mogelijk zijn, nu daarvoor een monumentenvergunning kan worden gevraagd. Voorts heeft de rechtbank, anders dan Meru stelt, terecht overwogen dat de staatssecretaris ook aan het gestelde gebrek aan draagvlak voor het behoud van het gebouw als rijksmonument geen doorslaggevend gewicht heeft hoeven toekennen. De door Meru aan het begrip draagvlak gegeven uitleg, in die zin dat het betrekking heeft op financiële steun door derden voor het onderhoud en de exploitatie van het gebouw, wordt niet gevolgd. Niet valt in te zien dat de rechtbank geen betekenis heeft kunnen toekennen aan de verklaring van het Burgercomité dat wel degelijk draagvlak aanwezig is.

2.10. Meru betoogt tot slot evenzeer tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan een tweetal beroepsgronden, te weten die over de inhoud van het Festschrift uit 1909 en de grond dat door de staatssecretaris ten onrechte doorslaggevende betekenis is toegekend aan de bevindingen van de Raad voor cultuur. Deze beroepsgronden gaan uit van de veronderstelling dat de door Meru ingebrachte stukken nieuwe feiten of gewijzigde inzichten betreffen die de redengevende omschrijving in een ander daglicht plaatsen. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan geen sprake. De rechtbank is aan de bespreking van die gronden dan ook terecht niet toegekomen.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011

362-609.