Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2138

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
201105415/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college het uitwerkingsplan "Buurtschap Harnas Molen, fase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105415/2/R4.

Datum uitspraak: 16 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college het uitwerkingsplan "Buurtschap Harnas Molen, fase 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2011, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 augustus 2011, waar het college, vertegenwoordigd door P. van Hofwegen, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. [verzoeker] is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] voert aan dat het besluit niet tijdig, want eerst na de ingevolge artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening gestelde termijn is genomen.

2.2.1. Uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door [verzoeker] op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. [verzoeker] voert aan dat uit de Nota van Zienswijzen niet blijkt dat alle bezwaren en argumenten in de overwegingen zijn betrokken.

2.3.1. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat het college de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.4. [verzoeker] betoogt dat in het rapport van Goudappel-Coffeng "Verkeersstructuur omgeving Harnaschpolder" van 29 juni 1998, dat aan de geluidberekeningen ten grondslag ligt, vele varianten zijn uitgewerkt. Het college hanteert volgens hem de meest gunstige variant, terwijl niet is aangetoond dat daaraan een ter zake doend besluit ten grondslag ligt. De realiteit van deze variant wordt door [verzoeker] betwijfeld.

2.4.1. De geluidberekeningen waarop [verzoeker] doelt, liggen ten grondslag aan het bestemmingsplan "Harnaschpolder Noord", vastgesteld op 30 mei 2000. Dit plan staat thans niet meer ter beoordeling.

2.5. [verzoeker] betoogt dat de verkeersfunctie in de richting van Woudselaan 2 in het uitwerkingsplan met 13 meter wordt verbreed. Volgens [verzoeker] wordt hiermee achteraf gelegaliseerd dat een tweebaans busbaan die volgens het bestemmingsplan ten westen van de weg zou komen, nu ten oosten daarvan wordt gesitueerd.

2.5.1. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet het uitwerkingsplan op de uitwerking van de bestemming "Uit te werken Woondoeleinden". Dit omvat de uitwerking van woningen en daaraan dienstige voorzieningen. Het plan ziet noch op de busbaan, noch op een uitbreiding van de verkeersfunctie. Gelet daarop kunnen deze beroepsgronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.6. Gelet op al het vorenstaande ziet de voorzitter in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2011

539.