Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
201105726/3/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de staatssecretaris aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 4 van het Productenbesluit asbest, gelezen in samenhang met artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, hergebruiken van asbesthoudende dakplaten.

Wetsverwijzingen
Productenbesluit asbest
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2011/62 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2011/75 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105726/3/H4.

Datum uitspraak: 15 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te Aalten,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de staatssecretaris aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 4 van het Productenbesluit asbest, gelezen in samenhang met artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, hergebruiken van asbesthoudende dakplaten.

Bij besluit van 31 juli 2011, verzonden op 1 augustus 2011, heeft de staatssecretaris het door [verzoekster] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2011, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 augustus 2011, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigde], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kerssemakers en drs. P.G.C. van Gemert, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekster] betwist niet dat asbesthoudende dakplaten zijn hergebruikt, maar stelt dat de manier waarop de platen zijn gebruikt niet als een overtreding is te beschouwen.

2.2.1. Ingevolge artikel 4 van het Productenbesluit asbest is het verboden asbest of asbesthoudende producten te vervaardigen, in Nederland in te voeren, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen, toe te passen of te bewerken.

2.2.2. De staatssecretaris heeft geconstateerd dat [verzoekster] begin 2010 asbesthoudende dakplaten heeft hergebruikt op een aanbouw aan stal 3 en op de plaatsen waar eerst asbestluchtkokers stonden. Zoals de staatssecretaris in het besluit op bezwaar terecht stelt moet het hergebruiken van asbesthoudende dakplaten worden gezien als het toepassen van asbestplaten. Zowel het toepassen als bewerken van asbest is verboden in artikel 4 van het Productenbesluit asbest, zodat de stelling van [verzoekster] dat dit is toegestaan geen doel treft. De staatssecretaris was in zoverre dan ook bevoegd handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [verzoekster] stelt dat de last onder dwangsom en daarmee de omvang van de overtreding onvoldoende duidelijk is, zodat zij niet weet op welke manier zij kan voorkomen dat dwangsommen worden verbeurd. Ook heeft zij ter zitting gesteld dat de asbesthoudende dakplaten niet zijn hergebruikt in een omvang waarvan de staatssecretaris uitgaat.

2.4.1. In het besluit van 31 maart 2011 worden de overtredingen beschreven. Daarnaast heeft de staatssecretaris op de bijbehorende foto's door middel van pijlen en een bijschrift aangegeven om welke asbestplaten op de aanbouw het gaat, alsmede dat voor alle stallen geldt dat de hergebruikte asbestplaten op de plaatsen waar luchtkokers stonden, moeten worden verwijderd. Naar het oordeel van de voorzitter volgt uit voormeld besluit duidelijk dat de last betrekking heeft op alle voor de aanbouw hergebruikte asbesthoudende dakplaten en op alle hergebruikte asbesthoudende dakplaten die liggen op gaten waar vroeger asbestluchtkokers stonden, ongeacht het bouwwerk. Gelet hierop ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat de last onvoldoende duidelijk is.

Voorts acht de voorzitter door [verzoekster] niet aannemelijk gemaakt dat een deel van de asbestplaten eerder is aangebracht, zodat de last daarop niet van toepassing kan zijn. Er bestaat in zoverre geen grond voor het oordeel dat de asbesthoudende dakplaten niet zijn hergebruikt in een omvang waarvan de staatssecretaris uitgaat.

2.5. [verzoekster] voert aan dat de asbesthoudende dakplaten stevig zijn gehecht, zodat deze beter kunnen blijven liggen. Voorts betoogt zij dat de last niet rechtmatig is, omdat het geen herstel- maar een punitieve sanctie betreft.

2.5.1. Ingevolge artikel 5:31d van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid wordt voor een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

2.5.2. Met betrekking tot het laten liggen van de hergebruikte asbesthoudende dakplaten heeft de staatssecretaris ter zitting gesteld dat de hergebruikte asbesthoudende dakplaten niet langer hechtgebonden zijn, zodat er door weersomstandigheden en het hechten van planten aan de dakplaten vezels vrijkomen. Dit levert gevaar op voor de volksgezondheid, aldus de staatssecretaris. De voorzitter acht dit aannemelijk en ziet in hetgeen [verzoekster] in dit opzicht heeft gesteld geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de last ten onrechte heeft opgelegd.

2.5.3. Wat betreft de aard van de sanctie overweegt de voorzitter dat de last uitsluitend is gericht op het opheffen van de overtreding, namelijk het hergebruik van asbesthoudende dakplaten. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de last een punitief karakter heeft.

2.6. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek van [verzoekster] om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Overigens heeft de staatssecretaris ter zitting verklaard dat de begunstigingstermijn is verlengd tot vier maanden na het nemen van het besluit op bezwaar.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek van [verzoekster] af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

De voorzitter w.g. Van Heusden

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2011

163-628.