Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
201104746/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Warandepoort" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104746/2/R3.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Oosterhout,

en

de raad van de gemeente Oosterhout,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Warandepoort" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2011, beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2011, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en anderen en de stichting Stichting Thuisvester hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 augustus 2011, waar [verzoeker] en anderen, bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.R. van Zeggeren, ing. S.B. Snoeren en J.L.G. Knoop, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Thuisvester, vertegenwoordigd door mr. E.J.C. Hartman, bijgestaan door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de bouw 109 woningen ten zuiden van het Wilhelminakanaal.

Ontvankelijkheid

2.3. Voor zover de raad stelt dat het beroep van een aantal appellanten niet-ontvankelijk is, nu zij vanuit hun woning geen zicht hebben op het plangebied, overweegt de voorzitter dat het beroep mede is ingediend door een aantal appellanten dat wel zicht heeft op het plangebied en in de directe nabijheid daarvan woont. Derhalve laat de voorzitter de vraag of het beroep, voor zover ingediend door appellanten die geen zicht zouden hebben op het plangebied, ontvankelijk is in het midden, nu reeds aanleiding bestaat voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoeker] en anderen.

Formele bezwaren

2.4. [verzoeker] en anderen stellen dat het plan onzorgvuldig is voorbereid, nu de overeenkomst tussen Stichting Thuisvester en het gemeentebestuur van 12 februari 2010, het 'Mitigatieplan en ecologisch werkprotocol' (Regelink, 2010, hierna: het mitigatieplan), de resultaten van de besprekingen naar aanleiding van het waterhuishoudplan van 9 december 2010 en de e-mail van het waterschap van 22 december 2010 niet met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd.

2.4.1. De voorzitter stelt vast dat het plan van 11 november 2010 tot en met 22 december 2010 ter inzage heeft gelegen. Het mitigatieplan is eerst 16 november 2010 gereed gekomen en kon derhalve niet bij aanvang van de termijn voor inzage ter inzage worden gelegd. Bij de terinzagelegging van het ontwerpplan waren de eerdere onderzoeken waar dat ontwerp op was gebaseerd ter inzage gelegd. Het mitigatieplan is eerst naar aanleiding van die onderzoeken opgesteld en lag dan ook niet aan het ontwerp ten grondslag. De resultaten van de besprekingen naar aanleiding van het waterhuishoudplan van 9 december 2010 en de e-mail van het waterschap van 22 december 2010 hoefden naar het oordeel van de voorzitter om diezelfde reden niet ter inzage te worden gelegd, nog daargelaten dat deze volgens de raad betrekking hebben op de uitvoering van het plan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201007248/1/R1) verplicht artikel 3:11 van de Awb niet tot de terinzagelegging van anterieure overeenkomsten, nu deze niet kunnen worden aangemerkt als op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken als bedoeld in dit artikel. Overigens heeft de zakelijke beschrijving van de overeenkomst volgens het verweerschrift overeenkomstig artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening wel ter inzage gelegen.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan onzorgvuldig is voorbereid.

Woningbehoefte

2.5. [verzoeker] en anderen stellen dat de woningbehoefte in het plan onvoldoende is onderbouwd.

2.5.1. Uit de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose van 2008 volgt volgens de raad een woningbouwprogramma voor de gemeente Oosterhout van in totaal 3175 woningen voor de periode tot en met 2019. De in het plan voorziene woningbouw maakt onderdeel uit van dat woningbouwprogramma. Gelet hierop bestaat vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de woningbehoefte onvoldoende is onderbouwd.

Provinciaal beleid

2.6. Voorts betogen [verzoeker] en anderen dat het plan is vastgesteld in strijd met het provinciale beleid zoals neergelegd in de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening). Hiertoe voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan de in artikel 2.1.6, eerste lid, van de Verordening gestelde eis dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in de nieuwbouw van woningen een verantwoording bevat over de wijze waarop afspraken die daaromtrent in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt worden nagekomen en hoe de beoogde woningbouw zich verhoudt tot deze afspraken en de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.

2.6.1. Voorop staat dat aan de plantoelichting geen bindende betekenis toekomt. Blijkens het memo van de provincie Noord-Brabant van 10 augustus 2010 geeft het plan invulling aan de herstructurering en inbreiding binnen het stedelijk gebied in overeenstemming met de regionale programma-afspraken. Het plan is volgens dat memo niet in strijd met het provinciale beleid uit de Verordening Ruimte. Weliswaar wordt in het memo de vraag opgeworpen of de in het plan voorziene niet grondgebonden woningen op de langere termijn aansluiten bij de woningbehoefte, doch hierover zijn geen regionale woningbouwafspraken gemaakt. De raad heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het provinciaal beleid.

Gemeentelijk beleid

2.7. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met het gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in de Ontwikkelingsvisie De Warande Oosterhout (hierna: de ontwikkelingsvisie) en het Structuurplan Paterserf (hierna: het structuurplan), waarin de bijzondere ligging en de groenzone van het plangebied worden benadrukt.

2.8. De raad stelt dat het plan in overeenstemming is met de hoofdlijnen van de ontwikkelingsvisie en het structuurplan. Bij de uitwerking van het verkavelingsplan is rekening gehouden met de relatie tussen de aanwezige bebouwing en het groene karakter van de omgeving. Daarbij is aan de houtwal de bestemming "Groen (G)" toegekend.

Gelet hierop ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding dat het plan in zoverre in strijd is met het gemeentelijke beleid.

Milieu-effectrapportage en luchtkwaliteit

2.9. Voorts betogen [verzoeker] en anderen dat ten onrechte niet is beoordeeld of een milieu-effectrapportage (hierna: m.e.r.) had moeten worden uitgevoerd en een luchtkwaliteitsonderzoek moest plaatsvinden. Daartoe stellen zij dat het plan in samenhang met de realisering van het bestemmingsplan "Slotjes" ten noordoosten van het plangebied had moet worden beoordeeld. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het bestemmingsplan "Slotjes" een ruimtelijke en planologische relatie heeft met het voorliggende plan. Voorts betogen zij onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, C-255/08, Commissie tegen Nederland (www.curia.europa.eu), dat het plan, gelet op de aard en ligging van het plangebied, zodanig omvangrijke milieueffecten heeft dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is gemaakt.

2.9.1. De raad stelt dat van de door [verzoeker] en anderen gestelde samenhang tussen het plan en bestemmingsplan "Slotjes" geen sprake is, nu deze plannen door zowel het Wilhelminakanaal als de Europaweg worden gescheiden. Voorts voorziet het plan "Slotjes" in de sloop van 650 woningen en de bouw van 950 woningen, wat leidt tot een toename van het aantal woningen met 300. In het thans voorliggende plan wordt voorzien in de bouw van 109 woningen.

2.9.2. De voorzitter stelt vast dat ook als sprake zou zijn van een zodanige samenhang tussen het voorliggende plan en bestemmingsplan "Slotjes" dat die laatste had moeten worden betrokken bij de vraag of een m.e.r. en een luchtkwaliteitsonderzoek hadden moeten worden uitgevoerd ten behoeve van het voorliggende plan, de raad zich naar voorlopig oordeel terecht op het standpunt heeft gesteld dat zowel een m.e.r. als een luchtkwaliteitsonderzoek achterwege konden blijven. Daartoe wordt als volgt overwogen.

De drempelwaarden van 4000 onderscheidenlijk 2000 woningen of meer binnen de bebouwde kom zoals opgenomen in de onderdelen C en D, categorie 11.1, van de bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994, worden niet overschreden waardoor voor de in de twee plannen voorziene 409 woningen geen milieueffectrapportage-plicht (hierna: m.e.r.-plicht) dan wel m.e.r.-beoordelingsplicht geldt als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Voorts hebben [verzoeker] en anderen niet onderbouwd dat, in weerwil van de uitkomsten in de milieuparagraaf van de plantoelichting en bijlagen, andere factoren aanwezig zijn als bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten - zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 - in verband waarmee, gelet op het arrest van het Hof, ondanks het feit dat de omvang van het project ruim onder de drempelwaarden blijft ook bij het niet overschrijden van een drempelwaarde toch een MER dan wel een m.e.r.-beoordeling had moeten worden gemaakt. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte heeft gesteld dat ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

Volgens artikel 5.16 van de Wet milieubeheer en artikel 2 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit NIBM) draagt een project niet in betekende mate bij aan de toename van de concentratie fijn stof of stikstofdioxide indien deze maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes of stikstofdioxide bedraagt. Volgens artikel 4, eerste lid, van het Besluit NIBM gelezen in samenhang met voorschrift 3A.2 in bijlage 3A van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: de Regeling NIBM) geldt dat bij woningbouwprojecten de 3% toename pas bereikt wordt in geval van één ontsluitingsweg bij netto meer dan 1500 nieuwe woningen en in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling bij een woningbouwlocatie van netto meer dan 3000 woningen. Nu vast staat dat de woningbouwlocatie ruim onder de 1500 woningen blijft en het plan behoort tot een categorie gevallen die in het Besluit en de Regeling NIBM is aangewezen als een geval dat in ieder geval niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen, behoeft in dit geval geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden. Dientengevolge heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat geen luchtkwaliteitsonderzoek is vereist.

Verkeer en geluid

2.10. [verzoeker] en anderen betogen dat ten onrechte geen verkeersonderzoek aan het plan ten grondslag ligt. Ten onrechte is volgens hen niet berekend wat de gevolgen van het plan zijn voor de verkeersdruk op de Warandelaan, terwijl het verkeer van de 109 woningen waarin het plan voorziet via de Warandelaan ontsloten zal moeten worden. [verzoeker] en anderen stellen dat reeds nu sprake is van een verkeersknelpunt op de kruising van de Warandelaan en Wilhelminakanaal Zuid. Bij het akoestisch onderzoek dat ten behoeve van het plan is verricht is ten onrechte het verkeersgeluid op de Warandelaan buiten beschouwing gelaten, aldus [verzoeker] en anderen. Dit is volgens hen in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.10.1. De raad stelt in het verweerschrift en met verwijzing naar het akoestisch onderzoek dat uit verkeerstellingen uit 2009 blijkt dat het verkeer op de Warandelaan een relatief lage intensiteit heeft van 2650 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal). Indien het volledige plangebied via de Warandelaan ontsloten zou worden, is een verkeersintensiteit van 3300 mvt/etmaal te verwachten. Deze intensiteit is voor de Warandelaan niet te hoog en de geluidbelasting op de gevels van de woningen op de Warandelaan zal in dat geval met maximaal 0,95 dB toenemen, aldus de raad. Voorts zal volgens de raad slechts een beperkt gedeelte van het verkeer ontsloten worden via de Warandelaan, nu het plan in nog andere ontsluitingsmogelijkheden voorziet.

2.10.2. Voor de Warandelaan geldt een maximum snelheid van 30 km per uur. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 maart 2011 in zaak nr. 200910011/1/R2) hoeft het geluid van het verkeer op wegen of woonerven waar een maximale snelheidslimiet geldt van 30 km/uur op basis van artikel 74, tweede lid, van de Wgh niet mee te tellen bij de berekening van de geluidbelasting. Het feit dat op grond van de Wgh akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in de Warandelaan niet verplicht is, laat echter onverlet dat moet worden beoordeeld of het plan in zoverre uit het oogpunt van geluidbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Ten behoeve van het plan is een akoestisch onderzoek verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport 'Wegverkeerslawaai Paterserf te Oosterhout' (Wematech Milieu Adviseurs, 2010). [verzoeker] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat, dat de raad in het kader van het plan niet van deze resultaten had mogen uitgaan. Uit dit onderzoek volgt dat indien al het door het plangebied te genereren verkeer aan de Warandelaan zou worden toegerekend, de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de Warandelaan niet wordt overschreden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter heeft de raad zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de Warandelaan als gevolg van het plan aanvaardbaar is.

Een substantiële toename van de verkeersintensiteit op de Warandelaan valt gelet op de overige ontsluitingen van het plangebied bovendien niet te verwachten. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat enkele van die ontsluitingen, anders dan de ontsluiting bij de Warandelaan, nabij een hoofdweg zijn gelegen.

Ten aanzien van het door [verzoeker] en anderen gestelde verkeersknelpunt op de kruising van de Warandelaan en Wilhelminakanaal Zuid overweegt de voorzitter dat hier volgens de raad geen sprake is of zal zijn van een onaanvaardbare verkeersdruk. Voor de eventuele wachttijden en verkeersonveilige situaties kunnen verkeersmaatregelen worden getroffen. In hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat het plan niettemin tot verkeersonveilige situaties zal leiden.

Watertoets

2.11. [verzoeker] en anderen stellen dat de watertoets niet compleet is, nu nog geen waterhuishoudingsplan is vastgesteld en een vergunning op grond van de Keur van het waterschap nog niet is aangevraagd en ongewis is of deze zal worden verleend. Dit is volgens hen in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, sub b, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro).

2.11.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, sub b, van het Bro gaan bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin is neergelegd een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

2.11.2. In de toelichting staat dat ten behoeve van het plan een geohydrologisch onderzoek is uitgevoerd aan de hand waarvan het infiltratieadvies "Plangebied Paterserf-Warande te Oosterhout" (Lankelma Ingenieursbureau, 2009) is opgesteld. Hieruit blijkt dat de bodem geschikt is voor infiltratie, maar dat er meer mogelijkheden zijn om te kunnen voldoen aan de wateropvang binnen het plangebied. Bij de technische uitwerking van het plan zal moeten blijken wat in deze situatie de beste oplossing is en daarbij zal het waterschap worden betrokken. Het waterschap heeft bij brief van 21 juli 2010 positief geadviseerd over de watertoets. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is met deze beschrijving voldaan aan artikel 3.1.6, eerste lid, sub b, van het Bro. Overigens is volgens het verweerschrift de vergunning op grond van de Keur inmiddels verleend.

Flora- en faunawet

2.12. [verzoeker] en anderen stellen dat de voor het plan benodigde ontheffing op basis van de Flora- en faunawet niet zal worden verleend, nu geen mitigerende maatregelen kunnen worden genomen voor de in het plangebied foeragerende vleermuizen. De zogeheten garage voor vleermuizen kan volgens [verzoeker] en anderen niet meer worden gerealiseerd omdat in het gewijzigd vastgestelde plan een weg wordt aangelegd tussen de geplande bebouwing en de garage in.

2.12.1. De Voorzitter overweegt dat de vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde komen in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Deze situatie doet zich hier niet voor.

In het rapport "Mitigatieplan en ecologisch werkprotocol" (2010, Regelink, hierna: het mitigatieplan) staat welke mitigerende maatregelen moeten worden genomen bij de uitvoering van het plan. Het betreft het realiseren van een garage voor vleermuizen in het noordwestelijk gedeelte van het plangebied waarvoor in het mitigatieplan een blauwe zone staat aangegeven. De voorzitter overweegt dat deze blauwe zone volgens het rapport "Ecologie & Landschap, Notitie alternatieve procedure Warandepoort Oosterhout in het kader van de Flora- en faunawet" (2011, Regelink, hierna: de notitie) is bedoeld als zoekgebied om een of meerder objecten van een beperkt formaat in te plaatsen. De zone dient niet te worden volgebouwd. De door [verzoeker] en anderen bedoelde weg ter plaatse zal volgens de notitie dan ook geen effect hebben op de vereiste mitigerende maatregelen. Voorts heeft de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij brief van 11 april 2011 overwogen dat door de voorgestelde mitigerende maatregelen de gunstige staat van instandhouding en de functionaliteit van de gewone dwergvleermuis gewaarborgd blijven. Gelet hierop bestaat op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er in redelijkheid niet van uit kon gaan dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan.

Financiële uitvoerbaarheid

2.13. Volgens [verzoeker] en anderen is het plan financiëel niet uitvoerbaar nu sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

2.14. Wat betreft dit betoog overweegt de voorzitter dat, zelfs als zou worden aangenomen dat sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun bij de verkoop van gronden in het plangebied door de gemeente, voor welke aanname de beschikbare gedingstukken overigens geen aanknopingspunten bieden, [verzoeker] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit in de weg zal staan aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Voor zover Stichting Thuisvester door middel van steunmaatregelen van overheidswege zou zijn of worden begunstigd op een zodanige wijze dat sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun, is naar het voorlopige oordeel van de voorzitter vooralsnog voldoende aannemelijk geworden dat Stichting Thuisvester de in het plan voorziene woningen zal realiseren, nu zij schriftelijk heeft verklaard ook indien in verband met staatssteun de anterieure overeenkomst gewijzigd zou moeten worden het bestemmingsplan te zullen uitvoeren.

Conclusie

2.15. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

429-653.