Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT2116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
201011257/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft het college geweigerd aan [appellante] ontheffing en reguliere bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van zes appartementen op de begane grond op het perceel [locatie] te Zwanenburg (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 46
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2011/78 met annotatie van H.J. Bos
JOM 2011/768
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011257/1/H1.

Datum uitspraak: 21 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 oktober 2010 in zaak nr. 10/2006 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft het college geweigerd aan [appellante] ontheffing en reguliere bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van zes appartementen op de begane grond op het perceel [locatie] te Zwanenburg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.O. Klaassen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M. Metselaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college verzocht nadere inlichtingen te verstrekken.

Bij brief van 11 juli 2011 heeft het college een reactie ingediend. Deze reactie is aan [appellante] toegezonden en zij heeft daarop bij brief van 27 juli 2011 gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de verbouwing van gemeenschappelijke bergingen en garages, die zich bevinden op de begane grond van het appartementencomplex op het perceel, tot woningen.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen bouwvergunning van rechtswege is verleend. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat zij bij de bouwaanvraag een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven over de te realiseren parkeerplaatsen en dat haar informatieplicht zwaarder weegt dan de onderzoeksplicht van het college. In dit verband voert zij aan dat artikel 46, vierde lid, van de Woningwet imperatief is geformuleerd, zodat geen ruimte bestaat om de omstandigheden van het geval af te wegen.

2.2.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.

Ingevolge het vierde lid is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid.

Ingevolge artikel 52a, eerste lid, voor zover hier van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, blijkt dat de grond ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel bij hen uit andere hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, duurt de aanhouding totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegd gezag overeenkomstig artikel 29, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 37, eerste lid, van die wet heeft vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, beslissen, na de beëindiging van de aanhouding, burgemeester en wethouders op de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46, met dien verstande dat de termijn, die in het eerste lid van dat artikel is genoemd, aanvangt op de dag die volgt op de datum waarop de aanhouding is beëindigd.

2.2.2. Niet in geschil is dat het besluit op de bouwaanvraag is aangehouden op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Woningwet.

De rechtbank wordt niet gevolgd in haar oordeel dat voor de vraag of het besluit op de aanvraag buiten de in artikel 46 van de Woningwet genoemde termijn is genomen, niet van belang is of deze aanhouding is geëindigd. Anders dan het college stelt, is de aanhouding ingevolge artikel 52a, tweede lid, van de Woningwet geëindigd met de brief van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 10 februari 2009. Deze brief dient immers te worden aangemerkt als een voorwaardelijke beschikking, inhoudende dat vermoedelijk sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is, indien het bodemgebruik niet wordt gewijzigd en niet behoeft te worden gegraven in de grond. Dat het college voormelde brief ook als zodanig heeft aangemerkt, blijkt uit de omstandigheid dat het [appellante] op 10 juni 2009, nadat is gebleken dat het bouwplan kan worden gerealiseerd zonder dat daarbij behoeft te worden gegraven in of gebouwd op de verontreinigde grond, heeft bericht dat aan de voorwaarde als bedoeld in de brief van 10 februari 2009 wordt voldaan. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat de aanhouding nog immer niet is geëindigd, hetgeen ook niet in overeenstemming is met het besluit van het college om ontheffing en reguliere bouwvergunning voor het bouwplan te weigeren.

Nu de aanhouding op 10 februari 2009 is geëindigd en het college eerst op 7 oktober 2009 op de aanvraag heeft beslist, is het besluit op de aanvraag buiten de in artikel 46 van de Woningwet genoemde termijn genomen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat, naar ook niet in geschil is, het bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zwanenburg Midden", is voor het bouwplan ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet van rechtswege bouwvergunning verleend. De rechtbank heeft niet onderkend dat, buiten zeer uitzonderlijke omstandigheden die zich hier niet voordoen, zoals bedrog, artikel 46, vierde lid, van de Woningwet geen ruimte biedt voor een afweging van de omstandigheden van het geval en alleen strijd met het bestemmingsplan aan verlening van een vergunning van rechtswege in de weg staat.

Het betoog slaagt.

2.3. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat [appellante] terecht heeft betoogd, dat het college zijn besluit van 7 oktober 2009 onbevoegd heeft genomen, nu eerder van rechtswege een bouwvergunning is verleend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van 23 maart 2010 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 7 oktober 2009 gegrond verklaren, dat besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 maart 2010.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 oktober 2010 in zaak nr. 10/2006;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 23 maart 2010, kenmerk 2010.0014132;

V. verklaart het tegen het besluit van 7 oktober 2009, kenmerk Bv\Bouw\2008\79-bv75a, gemaakte bezwaar gegrond;

VI. herroept dat besluit;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 maart 2010, kenmerk 2010.0014132;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: éénduizendzevenhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 746,00 (zegge: zevenhonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Graaff-Haasnoot

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011

531-593.