Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201008950/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2009 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] om vergoeding van de kosten van aangepast leerlingenvervoer voor het vervoer van zijn vijfjarige [zoon] naar de Leonardoschool in Delfzijl afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008950/1/H2.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van De Marne,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 juli 2010 in zaak nr. 10/237 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [wederpartij]), wonend te Kloosterburen, gemeente De Marne

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2009 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] om vergoeding van de kosten van aangepast leerlingenvervoer voor het vervoer van zijn vijfjarige [zoon] naar de Leonardoschool in Delfzijl afgewezen.

Bij besluit van 17 februari 2010 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en [wederpartij] op basis van een kilometervergoeding van € 0,37 per km voor het resterende schooljaar 2009/2010 een vergoeding van € 2.800,16 toegekend.

Bij uitspraak van 26 juli 2010, verzonden op 30 juli 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 februari 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 september 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2010, waar het college, vertegenwoordigd door W.K. de Wind en A. Kruger, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Bij tussenuitspraak van 23 februari 2011 in zaak nr. 201008950/1/T1/H2 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen één maand na de verzending van die tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 17 februari 2010 te herstellen.

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak het door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw beoordeeld en dat bezwaar opnieuw gegrond verklaard.

Bij brief van 4 april 2011 heeft [wederpartij] een zienswijze ingediend.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen, dat gelet op artikel 5, zesde lid, aanhef en onder a, van de Verordening leerlingenvervoer-cliëntenraad De Marne (hierna: de verordening), anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, een aan [wederpartij] toegekende vervoersvoorziening voor het schooljaar 2009-2010 moest worden getroffen met ingang van 17 augustus 2009 en dat het college de aanvraag van [wederpartij] ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 13, gelezen in samenhang met artikel 11, van Titel 2 van de verordening. Uit de tussenuitspraak volgt dat de rechtbank het besluit van 17 februari 2010 terecht, zij het op onjuiste gronden, heeft vernietigd en dat het hoger beroep van het college ongegrond is.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen een maand na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 17 februari 2010 te herstellen door een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit aan [wederpartij] en de Afdeling te zenden.

2.2. Bij het besluit van 22 maart 2011 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard en hem een vervoerkostenvergoeding op basis van passend vervoer toegekend. Daarbij heeft het college de aanvraag van [wederpartij] aan artikel 13 van de verordening getoetst en vermeld dat de reistijd per openbaar vervoer 133 minuten en de reistijd met aangepast vervoer 60 minuten bedraagt en dat, nu de reistijd per aangepast vervoer derhalve met meer dan de helft wordt bekort, [wederpartij] voor het schooljaar 2009-2010 recht had op vergoeding van de kosten van het vervoer van zijn [zoon] naar de Leonardoschool in Delfzijl op basis van aangepast vervoer. [wederpartij] heeft volgens het besluit aanspraak op deze vergoeding voor de periode 17 augustus 2009 tot 19 januari 2010, omdat [zoon] sinds de laatst vermelde datum met toestemming van de leerplichtambtenaar is thuisgehouden. Het college heeft voor deze periode de vervoerkostenvergoeding op basis van een bij het besluit gevoegde berekening vastgesteld op een bedrag van € 8.811,48. Het college heeft voorts vermeld dat het reeds een bedrag van € 3.158,32 aan [wederpartij] heeft betaald, zijnde een eerder toegekende kilometervergoeding voor het vervoer van [zoon] naar de Leonardoschool over voormelde periode, en dat [wederpartij] daarom nog recht heeft op een vergoeding ten bedrage van € 5.653,16, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 augustus 2009 tot aan de datum van het besluit ten bedrage van € 288,85. Het college heeft bij het besluit van 22 maart 2011 aldus bepaald dat het totaal aan [wederpartij] te betalen bedrag € 5.942,01 bedraagt.

Het besluit van 22 maart 2011 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van Awb mede onderwerp van dit geding.

2.3. [wederpartij] betoogt in de eerste plaats dat het bedrag van de door het college bij het besluit van 22 maart 2011 vastgestelde vervoerkostenvergoeding onjuist is. Hij voert aan dat het bedrag naar rato lager is dan het bedrag dat het college ter zitting bij de rechtbank heeft vermeld.

2.3.1. Volgens de aantekeningen van de zitting bij de rechtbank is ter zitting van de zijde van het college desgevraagd meegedeeld dat de door [wederpartij] gevraagde vergoeding van vervoerkosten, uitgaande van aangepast vervoer gedurende veertig weken, € 34.000,00 zou bedragen. Het college heeft aan het besluit van 22 maart 2011 een door de vervoerder opgestelde opgave van de kosten van het aangepaste vervoer en een daarop gebaseerde berekening ten grondslag gelegd. [wederpartij] heeft deze berekening niet betwist. Nu voorts uit de aantekeningen van de zitting van de rechtbank niet blijkt waarop het vermelde bedrag van € 34.000,00 voor vervoer gedurende veertig weken is gebaseerd en [wederpartij] niet heeft aangevoerd dat de door hem betaalde kosten van het aangepaste vervoer hoger zijn dan de toegekende vervoerkostenvergoeding, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door het college bij het besluit van 22 maart 2011 voor het schooljaar 2009-2010 toegekende vervoerkostenvergoeding ten bedrage van € 8.811,48 onjuist is. Zoals hiervoor onder 2.2 is overwogen heeft het college van dit bedrag al een gedeelte ten bedrage van € 3.158,32 aan [wederpartij] betaald en heeft het college bij het besluit van 22 maart 2001 bepaald dat [wederpartij] recht heeft op het resterende gedeelte ten bedrage van € 5.653,16.

Het betoog faalt.

2.4. [wederpartij] betoogt voorts dat het college de wettelijke rente niet juist heeft berekend. Volgens [wederpartij] dient de wettelijke rente overeenkomstig artikel 119, tweede lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek samengesteld te worden berekend, dient de berekening plaats te vinden over de gehele vervoerkostenvergoeding ten bedrage van € 8.811,48 en derhalve ook over de reeds uitgekeerde vergoeding ten bedrage van € 3.158,32, en dient de rente te worden berekend vanaf 17 augustus 2009 tot aan de dag van uitbetaling en niet tot aan de datum waarop het nieuwe besluit op bezwaar is genomen.

2.4.1. Dit betoog slaagt. De wettelijke rente moet worden berekend op de voet van de artikelen 119 en 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De wettelijke rente dient in dit geval te worden berekend over de bij het besluit van 22 maart 2011 aan [wederpartij] toegekende vervoerkostenvergoeding ten bedrage van € 8.811,48 over de periode vanaf 17 augustus 2009 tot aan de dag van uitbetaling van dat bedrag of een gedeelte daarvan. Ingevolge artikel 119, tweede lid, van Boek 6 van het BW wordt telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Het college heeft bij het besluit van 22 maart 2011 ten onrechte over het reeds betaalde bedrag van € 3.158,32 geen wettelijke rente berekend en betaald over de periode vanaf 17 augustus 2009 tot aan de dag van uitbetaling van dat bedrag, over het resterende bedrag van € 5.653,16 de wettelijke rente niet berekend tot aan de dag van uitbetaling, maar tot aan de datum van het besluit, en geen toepassing gegeven aan artikel 119, tweede lid, van Boek 6 van het BW. Hieruit volgt dat bij het besluit van 22 maart 2011 ten onrechte is bepaald dat het aan [wederpartij] te betalen bedrag € 5.942,01 bedraagt.

2.5. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 22 maart 2011 is gedeeltelijk gegrond. De Afdeling zal dat besluit wegens strijd met artikel 119 van Boek 6 van het BW vernietigen, voor zover dat besluit de wettelijke rente betreft en daarbij is bepaald dat het aan [wederpartij] te betalen bedrag € 5.942,01 bedraagt. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid aanhef en onder a, van de Awb het college opdragen de wettelijke rente over de vervoerkostenvergoeding ten bedrage van € 8.811,48 overeenkomstig hetgeen daarover onder 2.4.1 is bepaald vast te stellen en het aldus vastgestelde bedrag van de wettelijke rente en het resterende bedrag van de vervoerkostenvergoeding ten bedrage van € 5.653,16 aan [wederpartij] te betalen. De Afdeling zal voorts bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 maart 2011.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Marne van 22 maart 2011, kenmerk 2011000565, voor zover dat besluit de wettelijke rente betreft;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van De Marne op om de wettelijke rente over de vervoerkostenvergoeding ten bedrage van € 8.811,48 overeenkomstig hetgeen daarover onder 2.4.1 van deze uitspraak is bepaald vast te stellen en het aldus vastgestelde bedrag van de wettelijke rente en het resterende bedrag van de vervoerkostenvergoeding ten bedrage van € 5.653,16 aan [wederpartij] te betalen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 maart 2011;

V. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van de Marne een griffierecht van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

507.