Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8867

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201009157/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2005 heeft de raad de verzoeken van

[appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/202
JOM 2011/791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009157/1/H2.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Eibergen, gemeente Berkelland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 augustus 2010 in zaak nr. 09/1046 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de raad van de gemeente Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2005 heeft de raad de verzoeken van

[appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft de raad het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 oktober 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2011,

waar [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. B. Bentem, advocaat te Enschede en ing. F.W. Hudig, werkzaam bij Hudig Adviesbureau, en de raad, vertegenwoordigd door H. ter Beke, werkzaam bij de gemeente Berkelland, bijgestaan door mr. J.A.C.M. Willemse, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dat gold ten tijde hier van belang, kent de raad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering.

2.3. [appellanten] hebben de raad verzocht om vergoeding van de schade die zij stellen te lijden in de vorm van waardevermindering van hun woningen aan de [locaties A en B] te Eibergen (gemeente Berkelland) vanwege de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Kiefte IV". Dit bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het bedrijventerrein in noordelijke en noordoostelijke richting van de percelen van [appellanten] (hierna: de percelen). Het plan laat het oprichten van bedrijfsbebouwing toe met een hoogte van 13,20 m op ongeveer 200 m van de percelen.

2.4. Voorheen gold ter plaatse het bestemmingsplan "Buitengebied". Dit bestemmingsplan kende aan de gronden tussen de percelen en het bedrijventerrein de bestemming "Agrarisch gebied" toe. Ingevolge artikel 6, tweede lid en vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 32, onder b, van de voorschriften van dat bestemmingsplan (hierna ook: de planvoorschriften), mochten op gronden met deze bestemming, al dan niet na vrijstelling, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder sleufsilo's, worden opgericht met een maximale hoogte van 2,20 m, alsmede bij een ongunstige verkavelingssituatie melkstallen, schuilgelegenheden en open kapschuren met per bedrijf een gezamenlijke maximaal bebouwde oppervlakte van 75 m² en een maximale goothoogte van 3,30 m.

2.5. Bij eerder besluit van 12 december 2006 heeft de raad het door [appellanten] tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van planschade gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 augustus 2008 in zaak nr. 200707773/1 heeft de Afdeling het daartegen ingestelde hoger beroep van [appellanten] gegrond verklaard. De Afdeling heeft in 2.6.1. van die uitspraak geoordeeld dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank geen stand kan houden, nu de rechtbank gezien de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006 in zaak nr. 200506199/1 ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van vergelijkbare gevallen en dat de raad zich daarom niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de planologische wijziging niet van invloed is op de waarde van de percelen, nu zowel de afstand tot de op te richten bedrijfsbebouwing als de bebouwingsmogelijkheden op de tussengelegen gronden in die uitspraak aanzienlijker groter waren dan in het voorliggende geval. Voorts valt deze conclusie niet te rijmen met het eveneens door de raad in navolging van de SAOZ ingenomen standpunt dat voor zover een planologische verslechtering optreedt, deze niet zwaarder weegt dan een eveneens uit het nieuwe bestemmingsplan voortvloeiende planologische verbetering voor [appellanten]. Ook deze weging kan zonder een nadere motivering niet standhouden nu de raad zich een onjuist beeld heeft gevormd van de omvang van de planologische verslechtering, aldus de Afdeling in deze uitspraak.

2.6. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de raad een nader advies gevraagd aan de SAOZ. In de adviezen van 8 november 2008 en 9 maart 2009 heeft de SAOZ geconcludeerd dat [appellanten] door de wijziging van het planologische regime niet in een nadeliger positie zijn komen te verkeren. Volgens de SAOZ kon bij een maximale invulling van artikel 6 van de planvoorschriften, na vrijstelling, op de tussengelegen gronden meer dan één melkstal, schuilgelegenheid of open kapschuur met een oppervlakte van 20 bij 4,125 m, met, gelet op de aanvullende werking van de Bouwverordening van de gemeente Eibergen (thans: gemeente Berkelland) van 2004 (hierna: de Bouwverordening), een nokhoogte van 15 m worden opgericht. Gelet op deze bouwmassa en bouwhoogte en met name gezien de afstand tussen deze gronden en de percelen van [appellanten] van minimaal 200 m is de SAOZ tot de conclusie gekomen dat de planologische mutatie niet heeft geleid tot een planologische verslechtering.

De raad heeft deze adviezen ten grondslag gelegd aan het besluit op bezwaar van 19 mei 2009.

2.7. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad in het besluit van 19 mei 2009 gebruik heeft kunnen maken van deze adviezen van de SAOZ. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op de tussenliggende percelen ingevolge de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" aanzienlijke bebouwing mogelijk was zowel gezien de maximaal toegestane oppervlakte als de maximaal toegestane hoogte van deze bebouwing. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet valt uit te sluiten dat meer dan één agrariër gebruik zou maken van deze bouwmogelijkheden, aangezien in de planvoorschriften is bepaald dat per bedrijf een gezamenlijk maximaal bebouwde oppervlakte van 75 m² kan worden benut. Dat aan het desbetreffende planvoorschrift de voorwaarde is verbonden dat sprake moet zijn van een ongunstige ruilverkavelingsituatie, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, aldus de rechtbank.

2.8. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen.

Zij voeren daartoe allereerst aan dat de rechtbank heeft miskend dat de Bouwverordening in dit geval geen aanvullende werking heeft, nu wat betreft de maximale bouwhoogte moet worden uitgegaan van het bestemmingsplan "Buitengebied". Ingeval de Bouwverordening toch aanvullende werking heeft, moet volgens [appellanten] worden uitgegaan van artikel 2.5.25 van de Bouwverordening. Ingevolge dit artikel mag de hoogte van bouwwerken niet meer bedragen dan 2,70 m. Tevens zou de Bouwverordening volgens [appellanten] ter plaatse geen bebouwing toelaten.

Daarnaast voeren zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval een vrijstelling als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de planvoorschriften niet kan worden verleend, nu verdere ruilverkaveling niet aannemelijk is en dat hiermee in de planvergelijking ook geen rekening hoefde te worden gehouden.

[appellanten] voeren voorts aan dat de rechtbank ten onrechte aan de eerdere uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2008 voorbij is gegaan. In dit verband wijzen zij er op dat de Afdeling in die uitspraak onder 2.6.1. reeds heeft geoordeeld dat een gebouw van 10 bij 15 m andere gevolgen heeft voor het uitzicht dan een gebouw van 200 bij 200 m.

Tot slot betogen [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat de WOZ-waarde wel van belang is voor het vaststellen van de omvang van de geleden schade.

Ter nadere onderbouwing van hun standpunten verwijzen zij naar een rapport van Hudig Adviesbureau Diepenveen van 18 augustus 2010.

2.8.1. In artikel 6, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is de maximale goothoogte maar niet de maximale bouw- of nokhoogte voorgeschreven voor de in dat artikel toegelaten bouwwerken.

Het betoog van [appellanten] dat ten onrechte is uitgegaan van de aanvullende werking van de Bouwverordening kan niet tot het door hen beoogde resultaat leiden, omdat op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied" reeds ter plaatse bouwwerken met een maximale bouwhoogte hoger dan 15 m kunnen worden gebouwd.

2.8.2. Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de planvoorschriften kon het college van burgemeester en wethouders uitsluitend vrijstelling verlenen indien sprake was van een ongunstige verkavelingssituatie. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat in verband met een ongunstige ruilverkavelingssituatie (de Afdeling leest: verkavelingssituatie) een maximale invulling van het vorige planologische regime niet mogelijk was. Hierbij is in aanmerking genomen dat een ongunstige verkavelingssituatie niet alleen ontstaat door uitruil van kavels, maar ook indien een kavel bijvoorbeeld na verkoop of erfenis een ongunstigere ligging heeft gekregen ten opzichte van andere kavels. Nu voorts ter zitting is gebleken dat de desbetreffende gronden in eigendom zijn van een achterbuurman, valt niet uit te sluiten dat door verkoop daarvan een ongunstige verkavelingsituatie zou ontstaan. Ook dit betoog faalt.

2.8.3. Uit hetgeen hiervoor onder 2.5. is overwogen volgt - anders dan door [appellanten] is betoogd - niet dat de Afdeling in de uitspraak van 6 augustus 2008 een oordeel heeft gegeven over de gevolgen van de planologische wijzigingen voor het uitzicht. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat, voor zover hier van belang, de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat sprake is van vergelijkbare gevallen. Niet is gebleken dat de rechtbank heeft miskend dat de raad met zijn besluit van 19 mei 2009 de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2008 in acht heeft genomen. De rechtbank heeft dan ook in hetgeen door [appellanten] is aangevoerd, terecht geen grond gevonden om het besluit van 19 mei 2009 op dit punt te vernietigen.

2.8.4. De rechtbank heeft aan het tegenadvies van Hudig Adviesbureau Diepenveen terecht niet de waarde gehecht die [appellanten] aan dit advies wensen toe te kennen, nu uit het voorgaande volgt dat aan dit tegenadvies niet de juiste planologische invulling ten grondslag is gelegd.

2.8.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de raad de bouwmogelijkheden van artikel 6, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften in de planvergelijking mocht betrekken en dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellanten] door de planologische wijziging niet in een nadeliger positie zijn komen te verkeren. Aan het betoog, dat de rechtbank heeft miskend dat de WOZ-waarde wel van belang is voor het vaststellen van de omvang van de geleden schade, komt de Afdeling dan ook niet toe.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

85-680.