Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201101292/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2009 heeft het college onder verwijzing naar zijn besluit van 22 december 2008 de door [appellant] op 12 en 29 december 2008 per fax ingediende stukken buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101292/1/H1.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Soesterberg, gemeente Soest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 december 2010 in zaken nrs. 09/2695 en 09/2696 en 09/3220 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2009 heeft het college onder verwijzing naar zijn besluit van 22 december 2008 de door [appellant] op 12 en 29 december 2008 per fax ingediende stukken buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 5 februari 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de afwatering van hemelwater op het perceel [locatie 1] te Amersfoort ten gevolge van een aanbouw op het perceel [locatie 2] afgewezen.

Bij afzonderlijke besluiten van 14 augustus 2009 heeft het college de door [appellant] tegen het besluit van 23 januari 2009 en 5 februari 2009 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank zich ten aanzien van het beroep van [appellant] tegen het uitblijven van een besluit van het college op zijn verzoek van 27 mei 2009 onbevoegd verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. T. Kroes, advocaat te Utrecht en het college, vertegenwoordigd door mr. R.C. Alblas, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan [appellant] is op 20 april 2007 een bouwvergunning verleend voor het vergroten van de achterkant van zijn woning gelegen aan de [locatie 1] (hierna: het perceel). [appellant] heeft het bouwplan nog niet gerealiseerd, omdat hij de fundering op zijn perceel- in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning-verdiept wenst aan te leggen. Hij heeft hiertoe graafwerkzaamheden op zijn perceel verricht. Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het college hem aangeschreven de kuil op zijn perceel op te vullen en te verdichten tot een hoogte gelijk aan de bovenkant van het maaiveld vanwege verzakkingsgevaar op het naastgelegen perceel [locatie 2].

Voor het gewijzigde bouwplan heeft [appellant] bij het college diverse schetsen ingediend. Het college heeft deze schetsen buiten behandeling gesteld omdat de wijziging volgens het college niet kan worden aangemerkt als een wijziging van ondergeschikte aard waarvoor geen bouwvergunning is vereist. Volgens het college worden door de wijziging van de fundering kelderwanden met een grondkerende functie gerealiseerd.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de wijziging van het bouwplan een wijziging van ondergeschikte aard betreft waarvoor geen nieuwe aanvraag om bouwvergunning behoeft te worden ingediend. Hij voert daartoe aan dat het bebouwd oppervlak gelijk blijft, de aard van de fundering gelijk blijft en de verdiepte fundering nog geen kelder maakt.

2.2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), gelezen in verbinding met artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, is geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, mits onder meer deze verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie van dat bouwwerk.

2.2.2. De wijzigingen kunnen niet worden geacht deel uit te maken van de op 20 april 2007 verleende bouwvergunning, reeds omdat de schetsen daarvoor zijn ingediend ruim nadat die bouwvergunning in rechte onaantastbaar is geworden. De voorgenomen wijziging betreft in dit geval de fundering en heeft derhalve betrekking op de draagconstructie, zodat deze reeds hierom evenmin bouwvergunningvrij is op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb, gelezen in verbinding met artikel 43, eerste lid, van de Woningwet. Anders dan [appellant] voorts stelt, is het bij de Woningwet voorziene vereiste van een bouwvergunning, in dit geval voor de beoogde wijziging, gesteld in het algemeen belang. Van een schending artikel 1, Protocol nr. 1, bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden is derhalve geen sprake.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat door de afwatering van hemelwater afkomstig van het naastgelegen perceel [locatie 2] een gevaarlijk situatie is ontstaan op zijn perceel waartegen het college handhavend had moeten optreden.

2.3.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet, voor zover van belang, draagt de eigenaar van een bouwwerk er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

2.3.2. Uit het inspectierapport van 19 november 2008 blijkt dat op 12 november 2008 is geconstateerd dat de eigenaar van het perceel [locatie 2] de hemelwaterafvoer van de uitbouw heeft verlegd naar de achterzijde van het perceel, waar geen ontgraving is. Alleen het hemelwater dat op het maaiveld terecht komt zoekt de weg naar het laagste niveau, in dit geval de ontgraven bodem op het perceel van [appellant].

De eigenaar van het perceel [locatie 2] staan echter geen mogelijkheden ter beschikking om dit te voorkomen, aldus het rapport. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat geen sprake is van een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat het college zich ten aanzien van de afwatering van het hemelwater terecht niet bevoegd heeft geacht om handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de door de eigenaar van het perceel [locatie 2] gerealiseerde fundering niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit en de toepasselijke door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven NEN-normen faalt eveneens, nu de aan de eigenaar van het perceel [locatie 2] verleende (gewijzigde) bouwvergunning voor de uitbouw in rechte onaantastbaar is. Voorts heeft de Afdeling in haar uitspraak van 28 oktober 2009, in zaak nr. 200900535/1/H1, waarbij is beslist over het door [appellant] ingestelde beroep ter zake van deze bouwvergunning, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"De wijziging ziet op het oprichten van een eigen spouwmuur en fundering tegen de perceelsgrens waardoor het oppervlak van het bouwplan afneemt met ongeveer 0,42 m². Anders dan [appellant] heeft betoogd, heeft het college het standpunt kunnen innemen dat met de gewijzigde bouwtekeningen aannemelijk is gemaakt dat de uitbouw voldoet aan de constructie-eisen uit het Bouwbesluit 2003 en dat de hoofddraagconstructie van de uitbouw van [belanghebbende] niet verandert."

Nu de Afdeling in haar uitspraak van 28 oktober 2009 een expliciet oordeel heeft gegeven over de toetsing van de gewijzigde bouwtekeningen voor het perceel [locatie 2] aan het Bouwbesluit 2003 en gesteld noch gebleken is dat [belanghebbende] in afwijking van de verleende bouwvergunning heeft gebouwd, heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat de door [belanghebbende] gebouwde uitbouw, gelet op de fundering en constructie, voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. Het betoog van [appellant] stuit hierop af, reeds omdat het is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat het college bij het verlenen van de bouwvergunning niet van de bestaande maar van de hypothetische situatie diende uit te gaan dat hij de fundering van de uitbouw op zijn perceel zonder bouwvergunning zou mogen verdiepen. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college terecht tot zijn besluit is gekomen om het verzoek van [appellant] om handhaving op dit punt af te wijzen.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de weigering van het college om gehoor te geven aan zijn verzoek van 27 mei 2009, om in te gaan op een tiental door hem aangevoerde punten met betrekking tot genoemd besluit van 30 oktober 2008, niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) waartegen beroep open staat. Hij voert daartoe aan dat dit verzoek is bedoeld als een verzoek aan het college om een nieuw dan wel gewijzigd besluit te nemen.

2.5.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.5.2. Ingevolge artikel 6:2 van de Awb, onder a, worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld de schriftelijke weigering een besluit te nemen.

2.5.3. Het betoog faalt. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat [appellant] heeft verklaard dat zijn verzoek met betrekking tot de aanschrijving van 30 oktober 2008 geen herzieningsverzoek betreft, doch dat hij een nadere verduidelijking van de aanschrijving wenst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de weigering van het college om gehoor te geven aan het verzoek van [appellant] om een nadere duiding van het besluit niet is gericht op rechtsgevolg en dan ook niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:2 van de Awb waartegen beroep bij de rechtbank open staat.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

17-564.