Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201012355/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BT2446, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand) een aanvraag van [wederpartij] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012355/1/H2.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna ook: de raad),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 november 2010 in zaak nr. 10/4817 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Rotterdam,

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (lees: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand) een aanvraag van [wederpartij] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 25 juni 2010 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 juni 2010 vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 20 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 januari 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 9 februari 2011 heeft de raad opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar beslist en de gevraagde toevoeging verleend, onder vaststelling van een verschuldigde eigen bijdrage van € 100,00.

Tegen dit besluit heeft [wederpartij] bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 17 februari 2011, beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroepschrift op 27 juni 2011 doorgezonden naar de Afdeling.

[wederpartij] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.M. Munier, werkzaam bij het centraal kantoor van de raad te Utrecht, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de raad tevens verstaan zijn rechtsvoorganger, de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

2.2. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak.

Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt) wordt hierin verstaan onder belang: het belang voor de behartiging waarvan de rechtzoekende rechtsbijstand verzoekt voor zover dat belang hem rechtstreeks en individueel aangaat.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Brt, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt rechtsbijstand op basis van een toevoeging anders dan ten behoeve van eenvoudig rechtskundig advies, als zijnde van onvoldoende belang, niet verleend indien het op geld waardeerbare belang blijft beneden een bedrag van € 180,00.

2.3. [wederpartij] heeft om rechtsbijstand verzocht voor het instellen van beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 25 januari 2010 van de directeur van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling. Bij dit besluit is het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen de aan haar opgelegde aanslag waterschapsbelastingen 2006 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij haar bezwaarschrift te laat heeft ingediend. Wel heeft de directeur aanleiding gezien de aanslag ambtshalve te verminderen tot € 102,35. De door de advocaat van [wederpartij] in die bezwaarprocedure verleende rechtsbijstand heeft niet op basis van toevoeging plaatsgevonden.

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft de raad de aanvraag om een toevoeging afgewezen, omdat het financiële belang van [wederpartij] in deze zaak beneden de in artikel 4, tweede lid, van het Brt bepaalde grens van € 180,00 blijft.

In bezwaar heeft [wederpartij] aangevoerd dat het financiële belang € 275,45 bedraagt, bestaande uit: het resterende bedrag van de aanslag na ambtshalve vermindering, zijnde € 102,35; de kosten van twee uittreksels uit de openbare registers à € 6,05, zijnde € 12,10; en een proceskostenvergoeding voor het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak ad € 161,00.

De raad heeft bij besluit van 25 juni 2010 het bezwaar ongegrond verklaard en daaraan ten grondslag gelegd dat in dit geval het bedrag van de aanslag waterschapsbelastingen 2006 het financiële belang ter zake vormt en dat de niet toegekende vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten daar niet tot gerekend kan worden.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2004, in zaak nr. 200402682/1, overwogen dat de daadwerkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand vallen onder het belang dat de rechtzoekende aangaat en reeds hierom aan het besluit van 25 juni 2010 een onjuiste motivering ten grondslag ligt.

2.4. Ter zitting heeft [wederpartij] haar betoog dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand niet het tot het instellen van hoger beroep bevoegde orgaan is, niet langer gehandhaafd.

Zij betoogt in haar verweerschrift voorts dat het hoger beroep van de raad niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij in de procedure bij de rechtbank geen verweerschrift heeft ingediend en niet bij gemachtigde ter zitting is verschenen, ondanks dat hij door rechtbank daartoe was opgeroepen.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om hieraan, overeenkomstig artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gevolgen te verbinden. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank hiermee een onjuiste toepassing heeft gegeven aan dit artikel, zodat het betoog faalt.

2.5. De raad voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag om toevoeging betrekking heeft op een beroep tegen een niet-ontvankelijk verklaard bezwaar en niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en daarom de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar bij de uitspraak op bezwaar niet zijn vergoed. Hij betoogt dat dit geval niet vergelijkbaar is met de situatie in eerdergenoemde uitspraak van 29 september 2004 en dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat het in strijd is met de bedoeling van de wetgever om die kosten te rekenen tot het financiële belang in de zin van artikel 4, tweede lid, van het Brt.

2.5.1. In de uitspraak van 29 september 2004 heeft de Afdeling overwogen dat de daadwerkelijk door de rechtszoekende in de bezwaarfase gemaakte kosten voor rechtsbijstand gerekend worden tot het belang dat hem rechtstreeks en individueel aangaat. De rechtbank heeft naar die uitspraak verwezen en vervolgens met juistheid overwogen dat de raad aan de hand van de door [wederpartij] gemaakte kosten van rechtsbijstand dient te beoordelen of er voldoende belang bestaat een toevoeging te verlenen. Dat in die uitspraak de aanvraag om toevoeging betrekking had op een beroep tegen een besluit waarbij het bezwaar gegrond was verklaard en het primaire besluit herzien, doet daar niet aan af. Hierbij is in aanmerking genomen dat op een verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten bij besluit op bezwaar dient te worden beslist. Het beroep tegen - in dit geval - de uitspraak op bezwaar waarop de aanvraag om toevoeging betrekking heeft, dat hier niet ter beoordeling voorligt en waarvan de inhoud in dit verband dan ook geen rol kan spelen, kan ertoe leiden dat die kosten alsnog moeten worden toegekend. Anders dan de raad betoogt kan derhalve niet worden geoordeeld dat de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase slechts zijn te rekenen tot het financiële belang in de zin van artikel 4, tweede lid, van het Brt, indien bij besluit op bezwaar het primaire besluit is herroepen. Voorts kan in de bewoordingen van deze bepaling, noch in de totstandkomingsgeschiedenis ervan steun worden gevonden voor het standpunt van de raad dat dit niet de bedoeling van de wetgever is. Het eerst ter zitting door de raad ingenomen standpunt dat artikel 3 van het Brt aan verlening van de gevraagde toevoeging in de weg staat, is niet gemotiveerd, zodat het reeds hierom niet kan worden gevolgd.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De raad was derhalve gehouden, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw te besluiten op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2010.

De raad heeft dit gedaan bij besluit van 9 februari 2011. Hierbij heeft de raad haar alsnog een toevoeging verleend.

2.7. [wederpartij] voert in het daartegen bij de rechtbank ingestelde beroep aan dat zij zich niet kan verenigen met de bij dat besluit opgelegde eigen bijdrage van € 100,00. De rechtbank heeft, nadat zij het beroep op een zitting had behandeld, het onderzoek in de zaak heropend en het met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorgezonden aan de Afdeling ter verdere behandeling.

Voor zover [wederpartij] betoogt dat zulks ten onrechte is geschied en het beroep verder door de rechtbank behandeld had moeten worden, wordt overwogen dat, nu het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit niet geheel aan haar bezwaren tegemoet komt, artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, van toepassing is. Gelet hierop is sprake van een nieuw besluit op bezwaar dat is genomen hangende het hoger beroep tegen een tot vernietiging strekkende uitspraak van de rechtbank, dat van rechtswege aan het oordeel van de hogerberoepsrechter is onderworpen. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht doorgezonden.

2.8. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, voor zover thans van belang, bedraagt, indien binnen zes maanden na verlening van een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand aan een natuurlijk persoon, onder oplegging van een eigen bijdrage als hier aan de orde, een of meer toevoegingen ten behoeve van rechtsbijstand worden verleend aan dezelfde persoon, de eigen bijdrage bij de eerstvolgende en de twee daaropvolgende toevoegingen ten behoeve van rechtsbijstand binnen genoemde termijn van zes maanden, vijftig procent van de eerst opgelegde eigen bijdrage.

2.9. [wederpartij] betoogt dat ingevolge voormelde anticumulatiebepaling de eigen bijdrage € 50,50 dient te bedragen, nu deze toevoeging volgt op een eerdere, binnen genoemde termijn van zes maanden afgegeven toevoeging.

De raad stelt zich op het standpunt dat uit deze bepaling volgt dat de afgiftedatum van de toevoeging bepalend is en dat dit de datum betreft waarop het besluit op de aanvraag om een toevoeging is genomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het zijn vaste praktijk is om in gevallen als de onderhavige een toevoeging met terugwerkende kracht toe te kennen, dit gelet op het aan de aanvraag ten grondslag liggende peiljaar en de jaarlijks aangepaste hoogten van de eigen bijdragen.

2.9.1. Gelet op die toelichting, alsmede de systematiek van de Wrb, die meebrengt dat het besluit van 9 februari 2011 tot gevolg heeft dat de aan [wederpartij] reeds verleende rechtsbijstand in die procedure wordt geacht met terugwerkende kracht op basis van toevoeging te zijn verleend, kan niet worden geoordeeld dat de raad ten onrechte een eigen bijdrage van € 100,00 heeft opgelegd. Hierbij is in aanmerking genomen dat, zoals ter zitting door de raad is gesteld, [wederpartij] kan verzoeken om herziening van de eigen bijdrage die was opgelegd bij de - thans bezien - eerstvolgende verleende toevoeging in de periode van zes maanden na 23 maart 2010, zodat voor die eigen bijdrage alsnog toepassing wordt gegeven aan deze anticumulatiebepaling.

Het betoog faalt.

2.10. Gelet op het hiervoor overwogene zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 februari 2009 van de raad ongegrond verklaren.

2.11. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van 9 februari 2011, kenmerk 3GE4591, ongegrond;

III. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. bepaalt dat van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een griffierecht van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

85-710.