Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8855

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201009282/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogeland" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009282/1/R1.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Almouwahidin, gevestigd te Naaldwijk, gemeente Westland,

appellante,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogeland" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2011, waar de vereniging, vertegenwoordigd door A. Ouled en H. Daouti, bijgestaan door mr. K.T.B. Salomons, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door R. van den Berge en J. Boerman, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De vereniging heeft ter zitting de beroepsgrond dat de raad het plan, vanwege de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan, niet heeft kunnen vaststellen zonder opnieuw de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te doorlopen, ingetrokken.

2.2. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor het perceel gelegen tegenover Hoogwerf 8. In het ontwerpplan had dit perceel de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "religie".

De vereniging betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om op het desbetreffende perceel een gebedshuis op te richten. De vereniging voert hiertoe aan dat de raad niet heeft onderkend dat er geen ruimtelijke bezwaren zijn tegen de mogelijkheid tot het oprichten van een gebedshuis en dat deze mogelijkheid uit het plan is verwijderd om redenen die niet zijn te relateren aan een goede ruimtelijke ordening. Volgens de vereniging heeft de raad hierbij gehandeld in strijd met het verbod van vooringenomenheid. Voorts heeft de raad volgens de vereniging bij de vaststelling van het plan gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden en is de verwijdering van de mogelijkheid tot het oprichten van het gebedshuis uit het plan ondeugdelijk gemotiveerd.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheid tot het oprichten van het gebedshuis uit het plan is verwijderd vanwege ruimtelijke bezwaren. Volgens de raad sluit een gebedshuis niet aan bij de ruimtelijke functies van de buurt waarin het desbetreffende perceel is gelegen, voorziet het plan reeds in veel maatschappelijke voorzieningen en kan de vereniging niet voorzien in het aanleggen van de benodigde parkeervoorzieningen op het desbetreffende perceel. Daarnaast is volgens de raad het gebrek aan draagkracht voor een gebedshuis terecht bij de belangenafweging betrokken. Van strijd met het vertrouwens-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is ten slotte geen sprake, aldus de raad.

2.2.2. In het ontwerpplan had het perceel gelegen tegenover Hoogwerf 8 de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "religie". Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, aanhef en onder d, van de regels bij het ontwerpplan waren deze gronden bestemd voor gebouwen en terreinen ten behoeve van een gebedshuis. In het vastgestelde plan heeft het desbetreffende perceel de bestemming "Verkeer".

2.2.3. De raad dient bij het vaststellen van het plan ingevolge artikel 3:2 van de Awb de relevante feiten vast te stellen en de nodige kennis te vergaren over de af te wegen belangen. Anders dan de vereniging betoogt, heeft de raad het geconstateerde gebrek aan draagkracht bij omwonenden van het perceel waar het ontwerpplan voorzag in de mogelijkheid om een gebedshuis op te richten terecht als relevant belang bij de belangenafweging betrokken. Dat de raad mede naar aanleiding hiervan de mogelijkheid tot het oprichten van een gebedshuis uit het plan heeft verwijderd, betekent geenszins dat hij heeft gehandeld in strijd met het verbod van vooringenomenheid. Hetgeen de vereniging heeft aangevoerd, geeft ook anderszins geen grond voor dit oordeel. De raad heeft bij de belangenafweging eveneens betrokken dat het gebedshuis niet aansluit bij de ruimtelijke functies van de buurt, het plan reeds voorziet in veel maatschappelijke voorzieningen en de vereniging niet kan voorzien in het aanleggen van de benodigde parkeervoorzieningen op het desbetreffende perceel, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de mogelijkheid tot oprichting van het gebedshuis uit het plan is verwijderd vanwege redenen die niet zijn te relateren aan een goede ruimtelijke ordening en om die reden sprake is van een motiveringsgebrek. Niet kan worden gesteld dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voormelde belangen zwaarder wegen dan het belang van de vereniging bij oprichting van een gebedshuis. In de omstandigheid dat de commissie ruimtelijke ordening heeft geoordeeld dat geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen de oprichting van een gebedshuis, is, wat daar verder ook van zij, geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit gelegen, omdat de raad bij het vaststellen van het plan niet is gebonden aan een advies van deze commissie. Anders dan de vereniging ter zitting nog heeft betoogd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan heeft gehandeld in strijd met het verbod op discriminatie, reeds omdat hij gelijktijdig met het vaststellen van het plan een motie heeft aangenomen waarin het college van burgemeester en wethouders wordt opgedragen in overleg met de vereniging een nieuwe locatie voor het gebedshuis te vinden.

2.2.4. Over het betoog van de vereniging dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. Voorts heeft de vereniging niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in de mogelijkheid tot oprichting van het gebedshuis zou voorzien. Aan de omstandigheid dat het ontwerpplan hierin voorzag, heeft de vereniging niet deze verwachting kunnen ontlenen. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen over het ter inzage gelegde ontwerpbesluit die overeenkomstig artikel 3:15 van de Awb naar voren zijn gebracht, kan de raad tot het standpunt komen dat een ander besluit moet worden genomen dan het volgens het ontwerp te nemen besluit. Voor het oordeel dat de raad het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld, bestaat derhalve geen grond.

2.2.5. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

523.