Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201011495/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij gelegen aan [locatie 1] te Scherpenzeel. Dit besluit is op 20 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet ammoniak en veehouderij
Wet ammoniak en veehouderij 3
Wet ammoniak en veehouderij 4
Wet ammoniak en veehouderij 5
Wet ammoniak en veehouderij 6
Wet ammoniak en veehouderij 7
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5682
JM 2011/124 met annotatie van F. Arents
JOM 2011/767
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011495/1/M2.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], wonend te Scherpenzeel, en [appellante B], gevestigd te Scherpenzeel, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij gelegen aan [locatie 1] te Scherpenzeel. Dit besluit is op 20 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2011, waar [appellant A] en [gemachtigde], beiden in persoon en bijgestaan door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door T.F.A. Luttikhold, E. Hassink en J.U.H. van Drunen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door B. Lowijs, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Intrekking beroepsgrond

2.2. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond die inhoudt dat de vergunningaanvraag onvolledig is, ingetrokken.

Belanghebbendheid

2.3. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.1. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.

2.3.2. [appellante B] staat ingeschreven op het adres [locatie 2] te Scherpenzeel. De maatschap exploiteert kleine agrarische activiteiten op dit perceel, welk perceel direct grenst aan het perceel van de inrichting. Het is aannemelijk dat [appellante B] milieugevolgen kan ondervinden van de inrichting. Gelet hierop is zij belanghebbende bij dit besluit.

Vergunningsituatie

2.4. De op 20 november 2007 vergunde situatie zag op het houden van 7.426 opfokhennen in stal C, 34.999 legkippen in stal D, 38.552 legkippen in stal E en 23.767 legkippen in stal F. Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, vergunning verleend voor het houden van 47.735 legkippen in stal E, 12.000 legkippen (biologisch) in stal G en is het aantal legkippen in stal D en F ongewijzigd gebleven. Verder wordt stal G vergroot en aangepast en is het huisvestingssysteem in stal F gewijzigd. Stal C dient in de bij bestreden besluit vergunde situatie als opslagruimte.

Milieueffectrapportage

2.5. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen beoordeling is gemaakt of een milieueffectrapport moest worden opgesteld (hierna: mer-beoordeling). [appellant] voert aan dat het college ten onrechte alleen de toename van het aantal legkippen in stal E heeft meegenomen bij de beoordeling of een mer-beoordelingsplicht bestaat. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat het volgens hem in deze situatie gaat om een oprichting van een inrichting in de zin van het Besluit milieueffectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer). Nu het totaal aantal legkippen van stal E en de nieuw op te richten stal G het aantal van 45.000 legkippen overschrijdt, bestaat volgens hem een mer-beoordelingsplicht. Verder stelt [appellant] in dit kader dat het college heeft nagelaten de effecten voor de volksgezondheid te beoordelen en dat het bestreden besluit hierdoor niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

2.5.1. Het college stelt dat de aanvraag betrekking heeft op het uitbreiden van de inrichting met 21.183 plaatsen voor legkippen in stal E en stal G en het wijzigen van de inrichting voor 23.767 plaatsen voor legkippen in stal F. Volgens het college worden de drempelwaarden niet overschreden. Voorts heeft het college, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08 (www.curia.europa.eu), beoordeeld of de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit of de kenmerken van het potentiële effect aanleiding geven om alsnog een mer-beoordelingsplicht aanwezig te achten. Naar aanleiding hiervan bestaat geen mer-beoordelingsplicht, aldus het college. Verder voert het college aan dat het aspect volksgezondheid niet hoeft te worden beoordeeld, nu geen mer-beoordelingsplicht bestaat.

2.5.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit mer worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer is in categorie 14 onder meer aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met 45.000 of meer plaatsen voor hennen.

Ingevolge onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit mer wordt, voor zover hier van belang, mede verstaan onder:

wijziging: een reconstructie of verandering anderszins van bestaande inrichtingen;

oprichting van een inrichting: een uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie.

2.5.3. De inrichting waarvoor vergunning is verleend is aan te merken als een project als bedoeld in bijlage II van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (hierna: de mer-richtlijn).

Bij de beoordeling of een mer-beoordelingsplicht bestaat, is van belang of de wijziging van de inrichting de in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer genoemde drempelwaarden overschrijdt. Nu in stal E alleen het aantal legkippen toeneemt en het huisvestingsysteem verder ongewijzigd blijft kan niet worden gezegd dat de veranderingen in de inrichting zodanig zijn dat het gaat om de oprichting van een inrichting. Het college heeft daarom terecht slechts de uitbreiding van het aantal dieren in stal E met 9.183 legkippen in aanmerking genomen bij de beoordeling of een mer-beoordelingsplicht bestaat. Verder is niet in geschil dat de aangevraagde vergunning wat betreft stal G ziet op de oprichting van een inrichting voor 12.000 legkippen en wat betreft stal F ziet op een wijziging voor 23.767 legkippen. In totaal gaat het dus om 44.950 legkippen en wordt de drempelwaarde van 45.000, genoemd in categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, niet overschreden.

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009 dient het bevoegd gezag naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van de mer-richtlijn te kijken, die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een milieueffectrapport, ondanks dat de drempelwaarden zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit mer niet worden overschreden.

Gebleken is dat het college de hiervoor genoemde factoren bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het college heeft onder meer overwogen dat de inrichting ten opzichte van de bestaande situatie wordt uitgebreid met 13.757 plaatsen voor pluimvee, dat besparende technieken worden toegepast teneinde het gebruik van natuurlijke hulpbronnen tot een minimum te beperken en dat in de directe omgeving van de inrichting geen zeer kwetsbare gebieden zijn gelegen. Voorts heeft het college de effecten voor de volksgezondheid in zijn beoordeling meegenomen en geconcludeerd dat de aanwezigheid van de inrichting geen effect heeft op de bevolking in de omgeving van de inrichting. Het college is naar aanleiding hiervan tot het oordeel gekomen dat de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de kenmerken van het potentiële effect geen aanleiding geven om een mer-beoordeling te vragen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een mer-beoordelingsplicht niet noodzakelijk is.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geur

2.7. [appellant] betoogt dat het college de woning aan [locatie 2] ten onrechte niet in zijn geurbeoordeling heeft betrokken. [appellant] voert aan dat deze op zeer korte afstand van de inrichting gelegen woning in gebruik is als burgerwoning en feitelijk niet meer tot de inrichting behoort.

2.7.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2009 in zaak nr. 200806627/1/H1) brengt een redelijke wetsuitleg mee dat bij de vaststelling van de mate van bescherming van een agrarische bedrijfswoning die is afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij, eveneens aansluiting wordt gezocht bij de juridisch-planologische status van die woning. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat door de enkele ingebruikneming van een agrarische bedrijfswoning als burgerwoning, bescherming aan die woning toekomt ten opzichte van de veehouderij waartoe deze behoorde, terwijl met de inwerkingtreding van de Wet geurhinder en veehouderij ook de planologische status van belang wordt geacht voor de vraag of een object moet worden beschermd tegen geurhinder.

2.7.3. De woning aan de [locatie 2] is bestemd als agrarische bedrijfswoning en behoort planologisch gezien bij de inrichting. In dit licht bezien maakt de woning onderdeel uit van de inrichting, zodat deze geen bescherming toekomt tegen geuremissie afkomstig van die inrichting. Het college heeft de woning [locatie 2] terecht niet betrokken bij de beoordeling van geurhinder vanwege de inrichting.

De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant] stelt dat de voorschriften 4.9 en 4.10, behorende bij het bestreden besluit, niet toereikend zijn. [appellant] voert aan dat de uittreesnelheid van 9 m/s niet wordt genoemd in de aanvraag. Verder betoogt [appellant] dat met een ventilatiecapaciteit van 10.044 m³ per uur geen uittreesnelheid van 9 m/s kan worden gerealiseerd.

2.8.1. De voorschriften 4.9 en 4.10 van het bestreden besluit zijn van toepassing op stal E.

Ingevolge voorschrift 4.9 moet de uittreesnelheid van de nokventilatoren 9 m/s bedragen. De ventilatoren moeten in cascade worden geregeld. De ventilatiecapaciteit van iedere nokventilator moet 10.044 m³ per uur bedragen.

Ingevolge voorschrift 4.10 moet de ventilatiecapaciteit wekelijks worden gecontroleerd. In het geval van afwijkingen moeten maatregelen toegepast worden om de ventilatiecapaciteit uit voorschrift 4.9 te waarborgen. De uitkomsten van deze controles moeten worden opgenomen in het milieulogboek conform voorschrift 2.2.

2.8.2. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder en veehouderij worden bij regeling van Onze minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, regels gesteld over de wijze waarop de geurbelasting, bedoeld in artikel 3, wordt bepaald.

Deze regeling is neergelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt de geurbelasting van een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010.

Bij het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010 behoort de Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning versie 2010.1 (hierna: de Gebruikershandleiding).

2.8.3. Anders dan [appellant] stelt is voor stal E een uittreesnelheid van 9,0 m/s aangevraagd. De beroepsgrond mist in zoverre feitelijke grondslag.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel doorgaans met betrekking tot ventilatoren als hier aan de orde een uittreesnelheid van 4,0 m/s wordt gehanteerd bij de berekening van de geurbelasting, het hanteren van een andere waarde in paragraaf 3.8.3 van de Gebruikershandleiding wel toelaatbaar wordt geacht wanneer daarvoor een goede onderbouwing wordt gegeven die onderdeel uitmaakt van de aanvraag. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee geen onjuist standpunt ten grondslag gelegd aan de door hem verrichte beoordeling of in dit geval mag worden gerekend met een uittreesnelheid van 9,0 m/s. Gelet op de onderbouwing in bijlage 6 van de vergunningaanvraag, welke bijlage blijkens het bestreden besluit met de aanvraag onderdeel uitmaakt van de vergunning, en hierbij paragraaf 3.8.3 van de Gebruikershandleiding in aanmerking genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet mocht uitgaan van een uittreesnelheid van 9,0 m/s.

De beroepsgrond faalt.

2.9. Voor zover [appellant] betoogt dat voorschrift 4.10 niet toereikend is nu de meetmethode niet is voorgeschreven, overweegt de Afdeling dat een verplichting om een meetmethode voor te schrijven ontbreekt. Vergunninghouder dient zelf zorg te dragen voor een deugdelijke controle.

De beroepsgrond faalt.

Geluid

2.10. [appellant] betoogt dat de woning aan [locatie 2] onvoldoende wordt beschermd tegen geluidhinder. [appellant] voert aan dat voor deze woning ten onrechte een geluidbelasting van 45 dB(A) is vergund nu het college geen bestuurlijke afweging heeft gemaakt.

2.10.1. Bij de beoordeling van het door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau heeft het college hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In dit hoofdstuk zijn voor een landelijke omgeving, zoals hier aan de orde, richtwaarden voor het geluidniveau opgenomen van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Overschrijding van deze richtwaarden is, volgens de Handreiking, mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) is onder meer toelaatbaar op grond van een bestuurlijk afwegingsproces.

2.10.2. In voorschrift 13.1 van het bestreden besluit is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode op de woning aan [locatie 2] niet meer dan 45 dB(A) mag bedragen. De richtwaarde uit de Handreiking voor de dagperiode van 40 dB(A) wordt derhalve overschreden.

2.10.3. Het college betoogt dat het meten van het referentieniveau van het omgevingsgeluid nabij de woning aan [locatie 1] niet mogelijk is. Het college voert hiertoe aan dat de legkippen in de inrichting in vier verschillende stallen worden gehouden. Doordat de cyclus in deze stallen niet gelijktijdig loopt vinden er altijd activiteiten - te weten ventilatie van de stallen - plaats binnen de inrichting. Indien alle ventilatoren gelijktijdig worden uitgeschakeld zullen, vanwege een temperatuurstijging, binnen enkele minuten kippen sterven, aldus het college. Nu het college het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet kon meten, heeft het een schatting gemaakt en is het ervan uitgegaan dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid de richtwaarden uit de Handreiking overschrijdt.

2.10.4. Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college, nu het niet mogelijk is om de ventilatoren in alle stallen gelijktijdig uit te schakelen, afzien van het meten van het referentieniveau van het omgevingsgeluid en een schatting maken van het referentieniveau. Het college gaat ervan uit dat het referentieniveau de richtwaarde van de Handreiking overschrijdt. Het college heeft echter nagelaten om, alvorens een bestuurlijke afweging te maken, te motiveren welke activiteiten of bronnen in de omgeving van de inrichting ertoe leiden dat het referentieniveau de richtwaarde van de Handreiking overschrijdt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepsgrond slaagt.

2.11. [appellant] voert aan dat met de akoestische effecten van de noodventilatie in stal D en E ten onrechte geen rekening is gehouden.

2.11.1. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het volcontinu draaien van de ventilatoren is meegenomen in het akoestisch onderzoek. De beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

2.12. [appellant] betoogt dat ten onrechte een maximale geluidwaarde in de nachtperiode van 70 dB(A) voor de woning aan [locatie 2] is vastgesteld. Het is, mede gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, niet mogelijk een dergelijke maximale grenswaarde in de nachtperiode vast te stellen, aldus [appellant]. Voorts betoogt [appellant] dat uit de milieuvergunningaanvraag volgt dat negentien keer per jaar een bedrijfssituatie optreedt waarbij niet kan worden voldaan aan de geluidsnormen.

2.12.1. De Handreiking gaat uit van maximale geluidniveaus van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In voorschrift 13.2 van het bestreden besluit is bepaald dat het maximale geluidniveau op de woning aan [locatie 2] in de nachtperiode niet meer dan 52 dB(A) mag bedragen. In voorschrift 13.4 van het bestreden besluit is bepaald dat, in afwijking van voorschrift 13.2, het maximale geluidniveau op de woning aan [locatie 2] maximaal twaalf keer per jaar tijdens de volgende activiteiten: het aanvoeren van kippen, het afvoeren van kippen, het afvoeren van mest uit stal G en het aanvoeren van graan, houtkrullen en dergelijke in de nachtperiode niet meer mag bedragen dan 70 dB(A).

2.12.2. In paragraaf 5.3 van de Handreiking is vermeld dat op grond van een afweging van belangen kan worden toegestaan dat maximaal twaalf keer per jaar activiteiten worden uitgevoerd die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal. Het gaat dan om bijzondere activiteiten, de zogenoemde incidentele bedrijfssituaties, welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. De Handreiking vermeldt verder dat steeds moet worden nagegaan in hoeverre de hinder kan worden beperkt, bijvoorbeeld door het stellen van geluidgrenswaarden. Ook is met deze zogenoemde 12 dagen-regeling, anders dan bij de in paragraaf 5.3 genoemde regeling voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie, een hogere geluidbelasting toegestaan dan de in paragraaf 3.2 van de Handreiking genoemde maxima.

2.12.3. Het college heeft het aanvoeren van kippen, het afvoeren van kippen, het afvoeren van mest uit stal G en het aanvoeren van graan, houtkrullen en dergelijke gedurende maximaal twaalf keer per jaar aangemerkt als incidentele bedrijfssituaties, waarop de 12 dagen-regeling van toepassing is. Volgens het college zijn de activiteiten noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Verdere geluidreducerende maatregelen zijn - gelet op de kosten - redelijkerwijs niet mogelijk. Bovendien blijkt uit akoestisch onderzoek dat een geluidscherm 62 meter lang en 5 meter hoog zou moeten zijn om een positief effect te hebben. Voorts is het afvoeren van kippen de enige incidentele bedrijfssituatie die in de avond- en nachtperiode kan plaatsvinden en deze situatie zal maximaal vier keer per jaar voorkomen, aldus het college. Gelet op de door het college gegeven motivering heeft hij zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de incidentele bedrijfssituaties noodzakelijk zijn en voorschrift 13.4 toereikend is om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

De beroepsgrond faalt.

2.13. [appellant] stelt dat voorschrift 13.5 van de vergunning niet naleefbaar is. [appellant] voert hiertoe aan dat volgens het akoestisch rapport behorende bij de vergunningaanvraag de activiteiten genoemd in vergunningvoorschrift 13.5 in de incidentele bedrijfssituatie vaker dan twaalf keer per jaar plaatsvinden.

2.13.1. In voorschrift 13.5 van de vergunning is bepaald dat het aanvoeren van kippen, het afvoeren van kippen, het afvoeren van mest uit stal G en het aanvoeren van graan, houtkrullen en dergelijke maximaal twaalf keer per jaar mogen plaatsvinden.

2.13.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het akoestisch rapport genoemde activiteiten in de incidentele bedrijfssituatie op twaalf dagen kunnen plaatsvinden. Indien dit volgens het college niet het geval is, is dat een kwestie van handhaving.

2.13.3. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in aanmerking komende vervoersbewegingen niet op twaalf dagen kunnen plaatsvinden, bestaat geen grond voor het oordeel dat vergunningvoorschrift 13.5 niet naleefbaar is. De beroepsgrond faalt.

2.14. [appellant] voert aan dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet naleefbaar zijn nu het college heeft nagelaten tonaal geluid vanwege de ventilatoren te beoordelen. Mede gelet op de korte afstand tot de woningen van derden had voor tonaal geluid een straffactor van 5 dB(A), als bedoeld in de Handreiking, moeten worden vastgesteld.

2.14.1. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat metingen hebben aangetoond dat geen tonaal geluid waarneembaar is. Het college wijst er verder op dat tijdens de vergunningsprocedure meerdere bedrijfsbezoeken zijn verricht en dat ook tijdens deze bezoeken geen tonaal geluid van de ventilatoren is waargenomen.

2.14.2. Gelet op het bovenstaande mocht het college ervan uitgaan dat zich geen tonaal geluid voordoet. Het college heeft de straffactor van 5 dB(A) derhalve terecht niet toegepast en terecht gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.15. [appellant] betoogt dat de stelling van het college dat de overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) vergunbaar is geen stand kan houden nu de emissies in de nieuwe situatie sterk toenemen. [appellant] voert hiertoe aan dat het aantal kippen in de nieuwe situatie met circa vijftien procent toeneemt en dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt afgezien van het realiseren van een luchtwasser, welke luchtwasser in de onderliggende vergunning van 20 november 2007 wel was vergund.

2.15.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen de bevoegdheid om te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in het geval waarin bij uitoefening of toepassing met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.15.2. Uit het bestreden besluit blijkt dat op receptorpunt Gooswilligen 15 het gemiddeld aantal overschrijdingen van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie het maximale aantal van vijfendertig maal per kalenderjaar overschrijdt. Uit het bestreden besluit volgt tevens dat de bij het bestreden besluit vergunde situatie een verbetering vormt ten opzichte van de in 2007 vergunde situatie. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is. Hiermee is voldaan aan artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond faalt.

Ammoniak

2.16. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte voorbij gaat aan het feit dat de nieuw te bouwen stal G ziet op het biologisch houden van 12.000 legkippen. In stal G worden niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast en dit is in strijd met de richtlijn 96/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 (hierna: de IPPC-richtlijn), aldus [appellant].

2.16.1. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 juli 2009 (zaak nr. 200804185/1), moet er ten aanzien van een huisvestingsysteem dat voldoet aan de daaraan in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) gestelde eisen van worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken is.

2.16.2. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit huisvesting, voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien in een veehouderij dieren worden gehuisvest van een diercategorie waarvoor in bijlage 1 een maximale emissiewaarde is aangegeven, voor die dieren geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor die hoger is dan deze maximale emissiewaarde.

In artikel 3, derde lid, voor zover hier van belang, is bepaald dat artikel 2 niet van toepassing is indien de dieren worden gehouden overeenkomstig de biologische productiemethoden, zoals bedoeld in het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode.

2.16.3. Voor legkippen die op biologische wijze worden gehouden is in het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarde gesteld. In de nota van toelichting bij het Besluit huisvesting is vermeld dat een maximale emissiewaarde is gesteld voor alle diercategorieën waar dit mogelijk is. Het stellen van een maximale emissiewaarde is mogelijk geacht indien meerdere emissiearme technieken beschikbaar zijn, die technieken op lange termijn breed toepasbaar zijn en die technieken economisch en technisch haalbaar zijn in de desbetreffende veehouderijsector. Voorts blijkt uit de toelichting dat voor de huisvesting van biologisch gehouden dieren geen maximale emissiewaarden gelden omdat voor deze categorieën van veehouderij nog geen betaalbare en breed toepasbare huisvestingssystemen beschikbaar zijn (Stb. 2005, 675, blz. 7, 15-17 en 47). Hieruit volgt dat voor legkippen die op biologische wijze worden gehouden, vooralsnog elk huisvestingssysteem moet worden aangemerkt als beste beschikbare techniek. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken dienen te worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

2.17. [appellant] betoogt dat mede door het vergunnen van stal G en het toestaan van de daarmee samenhangende hoge ammoniakemissie de ammoniakemissie vanwege de inrichting meer dan 10.000 kg NH3 bedraagt en dat hiermee een verdubbeling optreedt ten opzichte van de eerder vergunde situatie. [appellant] stelt - zo begrijpt de Afdeling het beroep - dat het college stal G in het kader van de omgevingstoets als bedoeld in artikel 3, derde lid, Wet ammoniak en veehouderij ten onrechte niet heeft meegenomen.

2.17.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een gpbv-installatie - zoals hier aan de orde - in afwijking van het eerste lid eveneens geweigerd, indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden aan de milieuvergunning moeten worden verbonden, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

2.17.2. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer samen met de Regeling aanwijzing BBT-documenten, is het college verplicht bij vergunningverlening rekening te houden met de Beleidslijn IPPC-omgevingstoets ammoniak en veehouderij van 25 juni 2007 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Beleidslijn).

2.17.3. Het college heeft bij de toepassing van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij aansluiting gezocht bij de Beleidslijn. Het college heeft stal G en de daarmee samenhangende ammoniakemissie echter in het geheel niet in de omgevingstoets betrokken. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

Mestopslag

2.18. [appellant] voert aan dat de aangevraagde noodopslag van 2.700 m³ mest aan de westzijde van stal G niet vergunbaar is. [appellant] stelt dat het, vanwege de beschikbare ruimte aan de westzijde van stal G, onmogelijk is om daar 2.700 m³ mest op te slaan. Verder voert [appellant] aan dat in de aanvraag ten onrechte niet wordt vermeld wat onder nood moet worden verstaan.

2.18.1. Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat het, vanwege de beschikbare oppervlakte aan de westzijde van stal G, niet mogelijk is om op die locatie 2.700 m³ op te slaan. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

Slotoverwegingen

2.19. Het beroep is gegrond. Het besluit van 12 oktober 2010 dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.20. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel van 12 oktober 2010;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.569,91 (zegge: vijftienhonderdnegenenzestig euro en eenennegentig cent), waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

492-684.