Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8836

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201107638/1/H3 en 201107638/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college de aan [wederpartij] verleende marktvergunning met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107638/1/H3 en 201107638/2/H3.

Datum uitspraak: 9 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juni 2011 in zaak nr. 10/6762 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Rotterdam,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college de aan [wederpartij] verleende marktvergunning met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft het het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft het de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.H. Cramer Bornemann, werkzaam in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. R.R.J. Dayala, advocaat te Diemen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Marktverordening gemeente Den Haag 2004 (hierna: de marktverordening) is het verboden zonder marktvergunning een verkoopplaats op een markt in te nemen.

Ingevolge artikel 7, voor zover thans van belang, komt voor het verlenen van een vergunning uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie.

Ingevolge artikel 11, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, kan het college een vergunning als bedoeld in artikel 5 intrekken indien de vergunninghouder het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt.

2.3. Aan het bij de rechtbank bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat [wederpartij] niet aan zijn publiekrechtelijke verplichtingen in de zin van artikel 7 van de Marktverordening voldoet, omdat hij failliet is en geen toestemming van een curator (hierna: de curator) heeft om op eigen naam goederen te verkopen. Het heeft zich hierbij gebaseerd op schriftelijke verklaringen van de curator van 14 en 28 juli 2010.

2.4. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar een verklaring van de curator van 11 februari 2011, overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat [wederpartij] geen toestemming van de curator heeft gekregen om goederen op eigen naam te verkopen. Gelet hierop, is het besluit van 18 augustus 2010 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, aldus de rechtbank.

2.5. Het college voert aan dat de rechtbank aldus ten onrechte de bewijslast heeft omgedraaid. Het was aan [wederpartij] om aan te tonen dat de curator hem toestemming heeft gegeven om goederen op eigen naam te verkopen, aldus het college.

2.5.1. Dit betoog slaagt. Nu [wederpartij] failliet is, was het aan hem om aan te tonen dat hij toestemming van de curator heeft om op eigen naam handel te drijven.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het tegen het besluit van 18 augustus 2010 bij haar ingestelde beroep beoordelen.

2.7. [wederpartij] heeft betoogd dat het college heeft miskend dat de curator hem toestemming heeft gegeven om op eigen naam handel te drijven. In dit verband stelt hij dat de curator in 2007 hem na een eerder faillissement zodanige toestemming heeft verleend en de curator deze toestemming, gelet op schriftelijke verklaringen van 14 en 28 juli 2010, niet heeft ingetrokken. Daarom is volgens hem de situatie gelijk aan die van 2007 en heeft het college, door zijn bezwaar tegen het intrekken van de marktvergunning, anders dan in 2007, ongegrond te verklaren, in strijd met het ne bis in idem- en het gelijkheidsbeginsel gehandeld.

2.8. Het college heeft de verklaringen van 14 en 28 juli 2010 van de curator terecht onvoldoende geoordeeld om aan te nemen dat [wederpartij] diens toestemming heeft om op eigen naam handel te drijven. Hiertoe heeft het terecht in aanmerking genomen dat de curator in de schriftelijke verklaring van 28 juli 2010 de door het college aan hem gestelde vraag of [wederpartij] toestemming heeft om op eigen naam verkoophandelingen te verrichten, niet ondubbelzinnig bevestigend heeft beantwoord. Reeds omdat toestemming van de curator om op eigen naam handel te drijven thans ontbreekt en deze situatie derhalve niet gelijk is aan die in 2007, faalt het betoog.

2.9. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het bij haar ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.10. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juni 2011 in zaak nr. 10/6762;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011

176-591.