Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201008300/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Sint Nicolaasdijk 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008300/1/R3.

Datum uitspraak: 14 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Kampen,

en

de raad van de gemeente Kampen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Sint Nicolaasdijk 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende] en [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2011, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en de raad, vertegenwoordigd door P.M. Schepers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [belanghebbende], vertegenwoordigd door W. van der Haven en A. van der Steeg en bijgestaan door mr. R.G. Wakelkamp, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 40 woningen tussen de Nijverheidsstraat, waar [appellant] en anderen wonen, en de Sint Nicolaasdijk.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet inzichtelijk is en voeren in dat verband aan dat de exploitatiebegroting ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen. Doordat geen onderzoek is gedaan naar de mogelijke planschade, staat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet vast en [appellant] en anderen stellen dat de mogelijke planschade wordt onderschat.

2.2.1. De raad stelt dat met [belanghebbende] een exploitatie- en een planschadeverhaalovereenkomst is gesloten en dat [belanghebbende] in het kader van de financiële uitvoerbaarheid een exploitatiebegroting heeft overgelegd. Hieruit volgt dat het plan financieel uitvoerbaar is. Deze begroting is niet ter inzage gelegd met het ontwerp van het plan omdat hierin vertrouwelijke bedrijfsgegevens staan.

2.2.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing.

Onder bepaalde omstandigheden is het aanvaardbaar dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens, die van belang zijn in het kader van de vraag of het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is, niet tezamen met het ontwerp van het plan ter inzage worden gelegd. In dat geval moet echter wel inzicht worden gegeven in de uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid en de elementen die in dat onderzoek zijn betrokken. In de plantoelichting zijn de resultaten van het onderzoek en de wijze waarop de financiële uitvoerbaarheid is gewaarborgd inzichtelijk weergegeven, nu daaruit onder meer volgt dat sprake is van een sluitende exploitatie, een planschaderisicoanalyse is verricht en dat over de mogelijke planschade een verhaalsovereenkomst is gesloten tussen de gemeente en [belanghebbende].

Voorts bestaat er geen grond voor de verwachting dat de waardevermindering van de omliggende woningen zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Het betoog faalt. Derhalve behoeft het betoog van [belanghebbende] dat artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet in de weg zou staan aan de vernietiging van het besluit op basis van de beroepsgronden over de uitvoerbaarheid geen bespreking meer.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met eerder genomen besluiten en gemeentelijk beleid, nu tussen de Nijverheidsstraat en de Sint Nicolaasdijk woningbouw mogelijk wordt gemaakt en slechts een smalle groenstrook langs de Nijverheidsstraat zal resteren. Uit het in 1971 vastgestelde planologische regime volgt volgens [appellant] en anderen dat het groen ten zuiden van de Nijverheidsstraat als groene buffer zou blijven dienen en dat hier geen woningbouw zou worden toegestaan. Dit volgt volgens hen tevens uit de doorlopende huisnummering aan de andere kant van de Nijverheidsstraat. Verder is in een gemeentelijke nota uit 2000 vermeld dat sprake is van kwalitatief hoogwaardig groen en dat aan de Nijverheidsstraat een beperkt aantal van negentien woningen zou worden toegestaan. De voorziene woningen met een maximale bouwhoogte van 11 meter zijn ten onrechte aanzienlijk hoger dan de woningen van [appellant] en anderen die één bouwlaag hebben. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze woningen ter plaatse aanvaardbaar zijn.

2.3.1. Ten aanzien van het voorheen geldende planologische regime, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Er bestaat evenmin recht op een blijvend vrij uitzicht. Vast staat dat door het vertrek van bedrijven ter plaatse gronden beschikbaar zijn gekomen voor andere doeleinden. Deze gronden hadden in het voorheen geldende plan de bestemming "Gemengde bebouwing met bijbehorende erven", op grond waarvan bebouwing mogelijk was. Dat de raad er, na het vertrek van de bedrijven ter plaatse, voor heeft gekozen om op deze gronden woningbouw mogelijk te maken acht de Afdeling niet onredelijk. Daarnaast is aan de gronden tussen de Nijverheidsstraat en de daaraan parallel lopende sloot, die in het voorheen geldende plan de bestemming "Openbaar groen, plantsoen of berm" hadden, in dit plan grotendeels de bestemming "Groen" toegekend, waarmee een groenstrook langs de Nijverheidsstraat mogelijk is. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een groenvoorziening van grotere omvang in het plan had moeten opnemen. Voor zover [appellant] en anderen zich richten tegen de feitelijke invulling van de groenstrook, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan en dat uitvoeringsaspecten in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Ten aanzien van de doorlopende huisnummering en de gemeentelijke nota uit 2000, wordt overwogen dat deze omstandigheden niet maken dat de raad de voorziene woningbouw, op basis van genoemde gewijzigde planologische inzichten, niet in redelijkheid mogelijk heeft kunnen maken.

De Afdeling overweegt verder dat een maximale goot- en bouwhoogte van 4 en 11 meter niet ongebruikelijk is in een woongebied en dat de enkele omstandigheid dat de woningen van [appellant] en anderen lager zijn geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad deze hoogten niet in redelijkheid mogelijk heeft kunnen maken.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat de ontsluiting via de Nijverheidsstraat zal leiden tot een ernstige verkeerstoename, zodat de verkeersveiligheid en hun woon- en leefklimaat ernstig zullen worden aangetast. De voorgestelde verkeersmaatregelen zijn niet in het plan opgenomen en van zulke maatregelen kan derhalve niet worden uitgegaan. De raad is bij de berekening van de verkeersintensiteit ten onrechte van een aantal van vijf extra verkeersbewegingen per etmaal per nieuwe woning uitgegaan, nu de woningen in het duurdere segment vallen en bewoners van Kampen vaak meer auto's hebben. De raad heeft ook niet gemotiveerd waarom de door [appellant] en anderen gewenste alternatieve ontsluiting via de Sint Nicolaasdijk niet mogelijk is.

2.4.1. Nu is voorzien in ongeveer 40 woningen, die worden ontsloten via de Nijverheidsstraat, is de raad terecht uitgegaan van enige toename van het verkeer op de Nijverheidsstraat. Daarbij is uitgegaan van vijf extra verkeersbewegingen per etmaal per nieuwe woning, gebaseerd op de kengetallen van het CROW. Niet is gebleken dat ter plekke sprake is van een dusdanig afwijkende situatie, dat de raad niet in redelijkheid van deze kengetallen heeft kunnen uitgaan. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen zodanige verkeerstoename zal zijn dat de verkeersveiligheid ernstig zal worden aangetast. De raad heeft overigens ter zitting verklaard dat reeds diverse verkeersmaatregelen zijn genomen, waaronder het verlagen van de toegestane maximumsnelheid naar 30 km/uur, om het gebruik van de Nijverheidsstraat door doorgaand verkeer te ontmoedigen en de mogelijke overlast te beperken.

Uit de verbeelding volgt dat de ontsluitingsweg op twee locaties uitkomt op de Nijverheidsstraat, onder meer tegenover de woningen van [appellant] en anderen. Het is niet uitgesloten dat het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen nadelig zal worden beïnvloed vanwege extra geluidhinder en lichthinder door naar binnen schijnende koplampen. De raad heeft echter in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van de aanleg van de ontsluiting op deze plaats dan aan het belang van [appellant] en anderen bij behoud van de bestaande situatie. Daarbij is van belang dat het verkeer wordt gespreid doordat de ontsluitingsweg op twee locaties uitkomt op de Nijverheidsstraat en dat de ontsluitingsweg slechts door bestemmingsverkeer zal worden gebruikt. Voorts zijn er maatregelen mogelijk om overlast van inschijnende koplampen van personenauto's te beperken, zoals het aanplanten van een heg in de voortuin. Eventuele overlast van bouwverkeer is overigens tijdelijk van aard.

Ten aanzien van de door [appellant] en anderen gewenste alternatieve ontsluiting, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad alternatieven niet voldoende in de afweging heeft betrokken. De raad heeft daarbij in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheden dat de woningen aan de Sint Nicolaasdijk dicht op elkaar staan en dat de hogere ligging van deze straat het aanleggen van een ontsluitingsweg ter plaatse bemoeilijkt.

2.5. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen verbod op beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis in het plan heeft opgenomen, nu de voorwaarden voor de in dat kader te verlenen ontheffing uit artikel 9, lid 9.6, aanhef en onder a en h, van de planregels er reeds toe leiden dat geen ontheffing kan worden verleend. Daartoe voeren zij aan dat nagenoeg alle activiteiten in categorie 1 in de bij de planregels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten vergunning- of meldingsplichtig zijn in de zin van de Wet milieubeheer.

2.5.1. In artikel 9, lid 9.6, aanhef en onder a, van de planregels, is, voor zover hier van belang, bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ontheffing kan verlenen van het binnen de bestemming "Wonen" toegestane gebruik voor beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis als genoemd onder categorie 1 van Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten bij het plan, dan wel beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met de in deze lijst genoemde activiteiten.

Onder h is bepaald dat vergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten ingevolge de Wet milieubeheer niet zijn toegestaan.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat de als categorie 1 aangegeven bedrijfsactiviteiten in de Staat van bedrijfsactiviteiten kunnen vallen onder de vergunning- of meldingsplicht als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), onderscheidenlijk de Wet milieubeheer als sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Anders dan [appellant] en anderen betogen, zijn echter tevens activiteiten in de lijst opgenomen die zich lenen voor zodanige beroeps- of bedrijfsmatige uitoefening aan huis dat deze activiteiten niet vergunning- of meldingsplichtig hoeven te zijn. Het betoog van [appellant] en anderen dat van voornoemde bepaling uit de planregels geen gebruik kan worden gemaakt en dat derhalve een verbod had moeten worden opgenomen, faalt. Dat de raad naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht voornemens is de in het plan vervatte regeling te gaan wijzigen, maakt niet dat de raad ten tijde van het bestreden besluit, de aan de orde zijnde regel niet heeft mogen vaststellen.

2.6. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011

459-715