Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BS8810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
201104756/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college ontheffing en bouwvergunning verleend aan waterschap De Dommel voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden in verband met traject 2 van het plan "Dommel door Boxtel" op de locatie van de Dommel ter hoogte van Boxtel-centrum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104756/2/H1.

Datum uitspraak: 6 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de vereniging "Vereniging voor natuurbehoud en milieubeheer in midden en noordoost Brabant "het Groene Hart" (hierna: de vereniging), gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 maart 2011 in zaak nr. 10/2701 in het geding tussen:

de vereniging

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college ontheffing en bouwvergunning verleend aan waterschap De Dommel voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden in verband met traject 2 van het plan "Dommel door Boxtel" op de locatie van de Dommel ter hoogte van Boxtel-centrum.

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het college het door de vereniging daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2011, verzonden op 14 maart 2011, heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2011, heeft de vereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 augustus 2011, waar de vereniging, vertegenwoordigd door A.A. van Abeelen en C.D. van Dijk, en het college, vertegenwoordigd door B.A.P. van de Staak en H.L.J. Hoppenbrouwers, bijgestaan door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts is ter zitting waterschap De Dommel, vertegenwoordigd door E. Schellekens en R. van Otterloo, bijgestaan door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Traject 2 van het plan "Dommel door Boxtel" heeft, voor zover thans van belang, betrekking op het bouwen van een zogenaamde veegvuiluitdraaiplaats in de Dommel. Dat is een constructie in een beek, rivier of kanaal waarbij drijfvuil en met name maaisel opgevangen kan worden.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2006" rust op de gronden waarop de veegvuiluitdraaiplaats is beoogd de bestemming "Natuur".

Ingevolge artikel 8.1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke natuurwetenschappelijke en de landschappelijke waarden;

b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de waarden zoals die blijkens de ecologische waardenkaart (plankaart 7) en/of cultuurhistorische en archeologische waardenkaart (plankaart 8) op die gronden voorkomen;

c. de waterhuishouding, indien en voor zover de voorzieningen daartoe reeds bestonden op het tijdstip van de terinzagelegging van het plan;

d. infrastructurele voorzieningen, zoals deze bestonden op het tijdstip van de terinzagelegging van het plan;

e. extensief recreatief medegebruik in de vorm van voet-, fiets- en/of ruiterpaden, zoals deze bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het plan, of kano├źn;

met daarbij behorende andere bouwwerken en voorzieningen.

Ingevolge artikel 8.2, voor zover thans van belang, mogen op de als natuur bestemde gronden uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte niet meer dan 1 m mag bedragen.

Ingevolge artikel 35, onderdeel a, aanhef en onder 4, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de bestemmingsbepalingen en toestaan dat andere bouwwerken worden opgericht met een hoogte van niet meer dan 10 m.

Ingevolge artikel 35, onderdeel b, worden de onder a bedoelde vrijstellingen slechts verleend, indien:

1. de gebiedswaarden worden versterkt;

2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

- het straat- en bebouwingsbeeld;

- de woonsituatie;

- de milieusituatie;

- de verkeersveiligheid;

- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

De bouw van de veegvuiluitdraaiplaats is in strijd met artikel 8.1 van de planvoorschriften. Teneinde daarvoor toch bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 35, onderdeel a, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening ontheffing verleend.

2.4. De vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen en terecht bouwvergunning heeft verleend voor de bouw van de veegvuiluitdraaiplaats, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure en zal in de bodemprocedure onderzocht moeten worden.

Vooralsnog wordt in hetgeen de vereniging naar voren heeft gebracht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de ontheffing en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Daarbij wordt van belang geacht dat het college naar voorlopig oordeel, onder verwijzing naar de door adviesbureau Eelerwoude opgestelde notitie van 2 april 2010 (hierna: de notitie), deugdelijk heeft gemotiveerd dat door de bouw van de beoogde veegvuiluitdraaiplaats de ecologische waarden in en rond de Dommel worden versterkt en dat daarom in het door de vereniging aangevoerde geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat het college niet bevoegd is krachtens artikel 35, onderdeel a, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, de gevraagde ontheffing te verlenen.

De vereniging heeft vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat de notitie naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college deze niet - of niet zonder meer - aan het besluit op bezwaar van 29 juni 2010 ten grondslag heeft mogen leggen.

Onder deze omstandigheden en na afweging van de betrokken belangen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat het waterschap ter zitting erop heeft gewezen dat indien het plan "Dommel door Boxtel" niet tijdig wordt gerealiseerd het waterschap aanspraken op subsidie verliest, wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011

543.