Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
201012546/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant] bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor het plaatsen van een verrijdbare afdekking op het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012546/1/H1.

Datum uitspraak: 7 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2010 in zaak nr. 09/3755 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant] bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor het plaatsen van een verrijdbare afdekking op het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 september 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. drs. M.A.C. Kooij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan, waarvoor het dagelijks bestuur bouwvergunning heeft geweigerd, betreft het plaatsen van een verrijdbare afdekking boven een onoverdekt zwembad op het perceel, voor welk zwembad het dagelijks bestuur bij besluit van 26 augustus 2008 bouwvergunning heeft verleend.

2.2. Aan de weigering bouwvergunning te verlenen, zoals gehandhaafd bij besluit van 24 september 2009, ligt strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Molenlaankwartier" ten grondslag. Het dagelijks bestuur is niet bereid op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan, nu een zwembadoverkapping vanuit stedenbouwkundig oogpunt bezien onwenselijk is. Volgens het dagelijks bestuur wordt gestreefd naar een open karakter van tuinen. Nu dit bestemmingsplan vrij recent is, heeft het dagelijks bestuur de bestendige gedragslijn daarvan niet af te wijken.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren. Hij stelt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in zijn belangen is geschaad. Hij voert daartoe aan dat de omgeving van het perceel geen open karakter heeft. Voorts stelt hij dat bij hem de verwachting is gewekt dat de gevraagde bouwvergunning zou worden verleend.

2.3.1. Het al dan niet verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO is een discretionaire bevoegdheid van - in dit geval - het dagelijks bestuur waarbij de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

2.3.2. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting toegelicht dat het met het streven naar een open karakter van tuinen, wil voorkomen dat grote bouwwerken in de tuinen worden gerealiseerd en de maximale bebouwingspercentages worden overschreden. Dit streven ligt besloten in de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan, aldus het dagelijks bestuur. Mede gelet hierop heeft de rechtbank terecht het hiervoor onder 2.2 weergegeven standpunt van het dagelijks bestuur om vrijstelling te weigeren niet onredelijk geacht. Dat volgens [appellant] reeds vanwege de hoge coniferen, die als erfafscheiding dienen, een open karakter in de omgeving van het perceel ontbreekt, leidt niet tot een ander oordeel, nu het beleid van het dagelijks bestuur is gericht op het voorkomen van grote en te veel bouwsels in tuinen.

2.3.3. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer haar uitspraken van 8 oktober 2008 in zaak nr. 200800761/1 en 26 november 2008 in zaak nr. 200801122/1), nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

De mededelingen van onder meer de heren Oudshoorn en Wong, ambtenaren van de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam, daargelaten wat deze mededelingen precies inhielden, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Zij waren niet bevoegd een besluit te nemen over de benodigde bouwvergunning voor de overkapping van het zwembad. Die bevoegdheid ligt bij het dagelijks bestuur. [appellant] kon derhalve aan voormelde mededelingen niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat voor de overkapping geen bouwvergunning benodigd zou zijn dan wel dat het dagelijks bestuur deze zou verlenen.

Dat de gemeente Rotterdam, zoals [appellant] stelt, gezien de mededelingen van de heer Oudshoorn, welwillend tegenover het bouwplan zou staan en de deelgemeente niet, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel. Zoals ter zitting door het dagelijks bestuur is toegelicht, heeft de gemeentelijke dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting een adviserende rol bij bouwaanvragen, waarover het dagelijks bestuur beslist.

Ook de door [appellant] genoemde bebouwingscommissie heeft slechts een adviserende rol ten aanzien van bouwplannen. Overigens heeft deze commissie, blijkens de gedingstukken en anders dan [appellant] betoogt, ook negatief geadviseerd omtrent het bouwplan.

Ook overigens is niet gebleken van door het dagelijks bestuur terzake gedane toezeggingen waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Zo kan aan de gemeentelijke stempels op de offerte voor de realisatie van het zwembad evenmin de verwachting worden ontleend dat bouwvergunning zal worden verleend. De stempels zijn slechts een ontvangststempel van de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting en een stempel met de tekst "ter informatie".

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens het dagelijks bestuur een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat voor de verrijdbare overkapping geen bouwvergunning benodigd zou zijn dan wel dat bouwvergunning zou worden verleend.

2.3.4. Het betoog van [appellant] dat hij in zijn belangen is geschaad omdat buiten de wettelijke termijn op zijn aanvraag om bouwvergunning is beslist, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel, nu beslissen buiten die termijn niet kan leiden tot vernietiging van het besluit tot weigering vrijstelling en bouwvergunning te verlenen. [appellant] had bovendien tegen het uitblijven van een tijdig besluit rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

2.3.5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om geen medewerking te verlenen aan vrijstelling. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011

374.