Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6908

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
200907666/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft het college aan de raad van de gemeente Haaren een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 9 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Wet ruimtelijke ordening 4.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/4 met annotatie van H.J. Breeman en R.J.G. Bäcker
JOM 2011/756
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907666/1/R3.

Datum uitspraak: 7 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Haaren,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft het college aan de raad van de gemeente Haaren een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 9 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben de raad, [appellant sub 2] en [appellanten sub 3], bij afzonderlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 2 november 2009. [appellant sub 2] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 2 november 2009. [appellanten sub 3] hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 29 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door ing. A.L. Verduijn, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J.K. van Polanen, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.H. Hartman, [appellanten sub 3], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Eliazer, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellanten sub 3] hun beroep tegen de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 3, lid 3.7.11, artikel 4, lid 4.7.11, artikel 6, lid 6.7.9 en artikel 8, lid 8.6.2, van de planregels ingetrokken.

2.2. Het beroep van [appellant sub 2], de raad en [appellanten sub 3] is gericht tegen de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 5, lid 5.7.11, van de planregels, waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het splitsen van een agrarisch bouwblok op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden- landschapswaarden 2 (AW-L2)". Het beroep van de raad is voorts gericht tegen de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 3, lid 3.7.11, artikel 4, lid 4.7.11, artikel 6, lid 6.7.9, waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het splitsen van een agrarisch bouwblok op overige agrarische gronden, en artikel 8, lid 8.6.2 van de planregels, waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het splitsen van een bouwblok op gronden met de bestemming "Bedrijf (B)".

[appellant sub 2] en [appellanten sub 3] betogen dat het college niet bevoegd was om een reactieve aanwijzing te gegeven nu hieraan geen provinciale verordening ten grondslag lag zoals bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro. [appellant sub 2] voert voorts aan dat er geen noodzaak bestond voor de reactieve aanwijzing.

Daarnaast voert [appellant sub 2] aan dat niet duidelijk is welke provinciale belangen in het geding zijn en dat de in het bestreden besluit voorgestane belangen van de land- en tuinbouw niet worden genoemd in de Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling (hierna: Interimstructuurvisie). Hij stelt dat het college niet heeft kunnen uitgaan van de door hem aangehaalde provinciale beleidsdocumenten. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de mogelijkheid om agrarische bouwblokken te splitsen juist in het belang is van een duurzame land- en tuinbouw die ten gunste komt van een vitaal landelijk gebied en dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd dat met de reactieve aanwijzing een bovengemeentelijk belang wordt gediend. Ook stelt hij dat in het bestreden besluit niet is afgewogen of van het provinciale beleid kon worden afgeweken. Voorts voeren [appellant sub 2], de raad en [appellanten sub 3] aan dat met het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid om bestaande agrarische bouwblokken te splitsen geen nieuwe bouwblokken worden gecreëerd zoals bedoeld in de Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: Paraplunota). Van nieuwvestiging van agrarische bedrijven door splitsing zoals bedoeld in de Interimstructuurvisie is derhalve volgens hen geen sprake.

Het bestreden besluit is volgens [appellant sub 2] ook rechtsonzeker nu dit besluit niet ziet op regels voor zover daarin naar artikel 5, lid 5.7.11, van de planregels wordt verwezen.

Voorts betogen de raad en [appellanten sub 3] dat met de voorziene wijzigingsbevoegdheid voor het splitsen van agrarische bouwblokken onderscheidenlijk bouwblokken op bedrijfspercelen tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van enkele mede-eigenaren van percelen dat zij niet afzonderlijk van elkaar een bedrijf op hun perceel kunnen ontwikkelen. Zij stellen dat de mogelijkheid om bestaande agrarische bouwblokken te splitsen niet strijdig is met het provinciale uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik nu het splitsen niet leidt tot extra ruimtebeslag. Ook stelt de raad dat de vrees van het college dat het aantal agrarische bouwblokken en bouwblokken op bedrijfspercelen sterk zal toenemen ongegrond is nu aan het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid voorschriften zijn verbonden. Ten aanzien van bouwblokken op bedrijfspercelen wijst de raad ook op de omstandigheid dat de bedrijvigheid in omvang niet groter wordt of in aard zal veranderen.

2.3. In het bestreden besluit is overwogen dat de provinciale belangen onder meer zijn verwoord in de Interimstructuurvisie die op 27 juni 2008 door provinciale staten is vastgesteld en dat provinciale staten, om deze provinciale belangen te borgen, hebben besloten om voor een zeventiental onderwerpen een verordening voor te bereiden. Dit is nader uitgewerkt in de Startnotitie Verordening Ruimte die op 12 december 2008 door provinciale staten is vastgesteld (hierna: de Startnotitie). Voorts heeft het college de provinciale belangen en de thema's die een vertaling zouden krijgen in de verordening toegelicht tijdens het vooroverleg dat heeft plaatsgevonden over het bestemmingsplan. De reactieve aanwijzing is gegeven daar waar de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de verordening niet of onvoldoende in het plan zijn gewaarborgd.

2.3.1. Uit hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1 volgt dat het college onder meer gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing in gevallen waarin het stellen van algemene regels wordt overwogen of voorbereid.

In de Startnotitie is gesteld dat de onderwerpen waarvoor het voornemen bestaat tot het opstellen van een verordening, onder meer zijn beschreven in bijlage 6 bij de Interimstructuurvisie en dat de verordening als instrument wordt gekoppeld aan de belangen en doelen van de Interimstructuurvisie en de Paraplunota. In genoemde bijlage 6 is ingegaan op het voornemen tot het opstellen van een verordening, waarbij per onderwerp is aangegeven waar het beleid ten aanzien van dat onderwerp is terug te vinden in de Interimstructuurvisie en in de Paraplunota. In aanvulling op bijlage 6 bij de Interimstructuurvisie is in de Startnotitie ten aanzien van zeventien thema's aangegeven op welke termijn deze zullen worden uitgewerkt en welke uitgangspunten daarbij zullen worden gehanteerd.

In de Startnotitie is aangegeven dat een aantal onderwerpen direct in een verordening zal worden uitgewerkt, waarbij het ontwerp van de verordening is voorzien voor de zomer van 2009 (categorie 1-onderwerpen), en dat de uitwerking van een aantal andere onderwerpen wordt afgestemd op de totstandkoming van een nieuwe structuurvisie, waarbij de ontwerpverordening is voorzien voor eind 2009 (categorie 2-onderwerpen). De Interimstructuurvisie, de Paraplunota en de Startnotitie dateren van voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de Startnotitie is de procedure tot vaststelling van de eerste fase van de Verordening Ruimte Noord-Brabant gestart.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet bevoegd was tot het geven van een reactieve aanwijzing.

2.4. Nu niet was uitgesloten dat, zolang de Verordening Ruimte, eerste en tweede fase nog niet in werking was getreden, in afwijking van deze verordening een nieuw agrarisch bedrijf kon worden gevestigd, heeft het college, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro en onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis inzake de totstandkoming van de Wro wat betreft het begrip provinciale belangen, zoals uiteengezet in voornoemde uitspraak van 20 oktober 2010, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan.

De omstandigheid dat de verordening nog moest worden vastgesteld door provinciale staten behoefde het college, gelet op het voorgaande, geen aanleiding te geven af te zien van het geven van de aanwijzing. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik in het buitengebied en, in samenhang daarmee, de beleidslijn dat nieuwe agrarische bouwblokken in beginsel zijn uitgesloten, onderdeel uitmaken van een bestendig provinciaal beleid.

Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het provinciaal belang onvoldoende kon worden beschermd door het toepassen van andere bevoegdheden dan het geven van een reactieve aanwijzing. Het geven van een zogenoemde proactieve aanwijzing of het vaststellen van een inpassingsplan liggen volgens het college in de rede voor ontwikkelingen die het provinciebestuur met het oog op een goede ruimtelijke ordening juist wenselijk of noodzakelijk acht, anders dan in het voorliggende geval, terwijl het stellen van algemene regels bij provinciale verordening reeds in vergaande mate was voorbereid.

2.5. Volgens het bestreden besluit zijn in de Interimstructuurvisie tien ruimtelijke thema's benoemd die in belangen en doelen zijn uitgewerkt. Ten aanzien van de thema's ruimtelijke kwaliteit, land- en tuinbouw en natuur stelt het college dat het plan onvoldoende rekening houdt met provinciale belangen. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 2] dat de ruimtelijke thema's niet in het aanwijzingsbesluit zijn terug te vinden. Volgens §4.2.2 van de Interimstructuurvisie was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit hoofdlijn van beleid ten aanzien van het landelijk gebied dat wordt gestreefd naar het zuinig omgaan met de beschikbare ruimte en het daarmee tegengaan van verdere verstening. Overal in de provincie komen voormalige agrarische bouwblokken voor. Centraal staat het agrarisch hergebruik van vrijkomende bouwblokken boven het toestaan van nieuwe agrarische bouwblokken, aldus de Interimstructuurvisie.

De nadere concretisering van het beleid in de Interimstructuurvisie was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit neergelegd in de Paraplunota. Volgens de Paraplunota dient onder nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf te worden verstaan: de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een bouwblok.

Volgens §4.7.1 van de Paraplunota is nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf in de Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS) uitgesloten en in de Agrarische Hoofdstructuur (hierna: AHS)-landbouw uitsluitend onder de in deze paragraaf genoemde voorwaarden toegestaan.

2.5.1. Niet valt in te zien dat het college ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de Interimstructuurvisie en de Paraplunota voor het antwoord op de vraag of provinciale belangen in het geding zijn nu de ruimtelijke belangen en doelen van de provincie Noord-Brabant in deze beleidsdocumenten zijn verwoord en uitgewerkt en ten tijde van het bestreden besluit een provinciale verordening, zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wro nog niet was vastgesteld.

Volgens het bestreden besluit verdraagt het splitsen van agrarische bouwblokken zich niet met het provinciale belang van zuinig ruimtegebruik. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 2 februari 2011 in zaak nr. 200910224/1/R3 ziet de Afdeling niet in waarom het college zich niet in redelijkheid het belang van zuinig ruimtegebruik in het buitengebied en daarmee het belang van het voorkomen van een inbreuk op de kwaliteit van het buitengebied in de provincie Noord-Brabant als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. Hierbij heeft de Afdeling van belang geacht dat het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik en de hieruit voortvloeiende beleidslijn dat nieuwe agrarische bouwblokken in de GHS en de AHS-landbouw in beginsel zijn uitgesloten, onderdeel uitmaken van bestendig beleid dat in ieder geval sinds de inwerkingtreding van het Streekplan Brabant in Balans in 2002 door het college ongewijzigd wordt voorgestaan. Deze beleidslijn is voortgezet in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota en is overigens inmiddels omgezet in algemene regels in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011.

Volgens het bestreden besluit is het provinciale belang mede gericht op een duurzame land- en tuinbouw ten behoeve van een vitaal landelijk gebied. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de mogelijkheid om agrarische bouwblokken te splitsen zich verdraagt met het belang van een duurzame land- en tuinbouw, nu dit belang volgens §3 van de Interimstructuurvisie een uitwerking is van het hoofdbelang van zuinig ruimtegebruik.

Gelet hierop kan voorts het betoog van [appellant sub 2] niet worden gevolgd dat de in het bestreden besluit voorgestane belangen van de land- en tuinbouw niet zijn genoemd in de Interimstructuurvisie.

2.5.2. Met de projectie van een afzonderlijk bouwblok voorziet het plan in een extra bouwblok voor een agrarisch bedrijf en daarmee - in planologisch-juridische zin - in de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf, omdat het een tweede agrarisch bedrijf mogelijk maakt waar op grond van de voorheen geldende bestemming één agrarisch bedrijf was toegestaan. Dat dit mogelijk wordt door splitsing van een bestaand bouwblok is in dit kader niet relevant. Reeds omdat het bouwblok is gesplitst en derhalve op het resterende deel ook nog een agrarisch bedrijf is toegelaten, doet zich niet het geval voor van hervestiging op een bestaand bouwblok waar het bijbehorende agrarische bedrijf zou zijn gestaakt. Het college heeft zich derhalve met juistheid op het standpunt gesteld dat het plan voorziet in de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf, in strijd met het geldende provinciale beleid zoals neergelegd in de destijds nog in voorbereiding zijnde provinciale verordening.

2.5.3. In het bestreden besluit heeft het college gemotiveerd dat de mogelijkheid tot splitsing van agrarische bouwblokken een verdubbeling mogelijk maakt van de bestaande agrarische bouwblokken, terwijl het provinciale beleid geen nieuwvestiging toestaat van agrarische bedrijven, daargelaten enkele uitzonderingen welke zich hier niet voordoen. Voorts heeft het college in aanmerking genomen dat voor zover toename mogelijk wordt gemaakt van intensieve veehouderijen daarmee in strijd met de Reconstructiewet wordt gehandeld.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college niet in zijn afweging heeft betrokken of van het provinciale beleid kon worden afgeweken.

2.5.4. In het betoog van de raad en [appellanten sub 3] dat met de voorziene wijzigingsbevoegdheid voor het splitsen van agrarische bouwblokken tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren ten aanzien van mede-eigenaren van een viertal percelen die niet afzonderlijk van elkaar een bedrijf op hun perceel kunnen ontwikkelen, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om van een reactieve aanwijzing af te zien. Daarbij overweegt de Afdeling dat, daargelaten dat de wijzigingsbevoegdheid niet tot deze percelen is beperkt, in §4.7.1 van de Paraplunota mede-eigendom van percelen niet wordt genoemd als uitzondering op de regel dat nieuwvestiging van agrarische bedrijven niet is toegestaan.

In de stelling dat nieuwvestiging als gevolg van splitsing geen extra ruimtebeslag met zich brengt en aan voorschriften is verbonden, heeft het college, wat hiervan ook zij, evenmin aanleiding behoeven te zien om van het bestreden besluit af te zien. Het toestaan van splitsing zou betekenen dat het beleid, dat is gericht tegen nieuwvestiging van agrarische bedrijven, zou worden doorkruist.

2.5.5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit rechtsonzeker is. Niet valt in te zien dat planregels, voor zover daarin wordt verwezen naar artikel 5, lid 5.7.11, door de reactieve aanwijzing rechtsonzeker zouden zijn.

2.5.6. Volgens § 3.2.1 van de Interimstructuurvisie is het provinciale beleid met het oog op het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit onder meer gericht op het behoud van het contrast tussen het landelijke en stedelijke gebied.

Volgens §4.13 van de Paraplunota kunnen agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven zich vestigen op voormalige agrarische bedrijfslocaties in het buitengebied. Zogenoemde overige niet aan het buitengebied gebonden bedrijven horen thuis op een bedrijventerrein of in de kern. Nieuwvestiging van laatstgenoemde bedrijven is daarom niet toegestaan, aldus de Paraplunota.

2.5.7. Het betoog van de raad dat de bedrijvigheid van een bedrijf, genoemd in de bij artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, van de planregels behorende tabel, na splitsing van het bouwblok waarop het is gevestigd niet zal toenemen of in aard zal veranderen kan niet worden gevolgd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het toestaan van de mogelijkheid tot splitsing van bouwblokken en daarmee nieuwvestiging van agrarisch-technische, agrarisch verwante en overige niet aan het buitengebied gebonden bedrijven het beleid op dit punt zou doorkruisen. Het college heeft voorts aan het belang bij het behoud van het contrast tussen landelijk en stedelijk gebied en daarmee het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang ten aanzien van mede-eigenaren bij het ontwikkelen van een afzonderlijk bedrijf op hun perceel. Dat volgens de raad een sterke toename van het aantal nieuwe bouwblokken niet valt te verwachten heeft het college niet van doorslaggevend belang behoeven te achten.

2.5.8. In hetgeen [appellant sub 2], de raad en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening het geven van de reactieve aanwijzing, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.7.11, artikel 4, lid 4.7.11, artikel 5, lid 5.7.11, artikel 6, lid 6.7.9, en artikel 8, lid 8.6.2, niet noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.6. Verder betoogt de raad dat het college ten onrechte een reactieve aanwijzing heeft gegeven voor zover deze ertoe strekt dat artikel 3, lid 3.7.8, artikel 4, lid 4.7.8, artikel 5, lid 5.7.8 en artikel 6, lid 6.7.6, van de planregels, waarin de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders is opgenomen om de bestemming van gronden binnen het bouwblok van een agrarische bestemming na beëindiging van het agrarische bedrijf te wijzigen naar de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)", geen deel blijven uitmaken van het plan. Daartoe voert de raad aan dat de door het college gestelde eis om bedrijfsbebouwing te slopen, omdat de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" mede voorziet in het gebruik van gronden voor wonen, te ver gaat. In dit verband stelt de raad dat "Gemengd-2 (GD-2)" een tijdelijke bestemming is ter overbrugging naar een definitieve agrarische bedrijfs- of woonbestemming. In deze tussentijd wil de raad onder meer opslagactiviteiten toestaan, zodat met de hieruit verkregen inkomsten de bestaande bebouwing op een voormalig agrarisch bedrijfsperceel kan worden onderhouden. De raad wil hiermee kapitaalvernietiging voorkomen.

2.6.1. Volgens §3 van de beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling (hierna: BIO) wordt, ingeval een voormalige agrarische bedrijfslocatie gebruikt wordt voor wonen, vanuit de doelstelling het buitengebied te ontstenen de eis gesteld om niet meer in gebruik zijnde agrarische bebouwing te slopen, zodat oneigenlijk gebruik en verval van bebouwing worden voorkomen.

Volgens §3.3 van de beleidsnota BIO is hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor statische opslagactiviteiten toegestaan, mits, voor zover hier van belang, de opslag beperkt blijft tot maximaal 1.000 m² van het voormalige bouwblok en de overige bedrijfsbebouwing zonder cultuurhistorische waarde wordt gesloopt.

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

2.6.2. Het betoog van de raad dat de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" voorziet in een overgangssituatie gaat eraan voorbij dat de bestemmingswijziging niet gebonden is aan een tijdelijke duur of situatie. De stelling van de raad dat ooit door de rechthebbende van een voormalige agrarische bedrijfslocatie een definitieve keuze voor een agrarische bedrijfs- of woonbestemming moet worden gemaakt gaat er voorts aan voorbij dat de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" reeds definitief is, uitgaat van beëindiging van het agrarische bedrijf en voorziet in het gebruik van de gronden voor wonen. Hoewel de raad met de voorziene wijzigingsbevoegdheid rekening heeft willen houden met de mogelijkheid dat de rechthebbende ooit wederom een agrarisch bedrijf wil vestigen op zijn perceel, heeft hij zich daarbij in dit geval onvoldoende rekenschap gegeven van het in het provinciale beleid verankerde belang bij het voorkomen van oneigenlijk gebruik en sloop van bebouwing op deze voormalige agrarische bedrijfslocaties teneinde het buitengebied te ontstenen.

Gelet hierop kan ook het standpunt van de raad niet worden gevolgd dat de opslagactiviteiten niet tot een maximale oppervlakte van 1.000 m² van het bouwblok zijn beperkt.

2.7. In hetgeen de raad heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening het geven van de reactieve aanwijzing, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.7.8, artikel 4, lid 4.7.8, artikel 5, lid 5.7.8 en artikel 6, lid 6.7.6, van de planregels, niet noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

2.8. Voorts betoogt de raad dat het college ten onrechte een reactieve aanwijzing heeft gegeven voor zover deze ertoe strekt dat artikel 3, lid 3.5.1, onder c, sub 7, artikel 4, lid 4.5.1, onder c, sub 7, artikel 5, lid 5.5.1, onder c, sub 6 en artikel 6, lid 6.5.1, onder c, sub 6, van de planregels, waarin de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders is opgenomen om ontheffing te verlenen van het gebruik van agrarische gronden voor een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang als nevenactiviteit, geen deel uitmaken van het plan. Daartoe voert de raad aan dat niet duidelijk is waarom een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang als nevenactiviteit van een agrarisch bedrijf niet is toegestaan nu deze nevenactiviteit kan bijdragen aan de educatie van kinderen, evenals nevenactiviteiten zoals zorgboerderijen en kinderboerderijen die daarentegen wel zijn toegestaan. Daarnaast voert de raad aan dat verregaande uitbreiding van een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang tot hoofdactiviteit niet zal plaatsvinden nu hiertoe voorschriften in het plan zijn opgenomen. Ook voert hij aan dat deze voorzieningen meer overlast met zich brengen in een stedelijke omgeving en dat zij beter passen in het buitengebied. Verder voert de raad aan dat de regeling voor kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang aansluit bij de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening van 1 januari 2011.

Verder betoogt dat de raad dat het provinciale belang met betrekking tot nevenactiviteiten niet is vertaald in de Verordening Ruimte.

2.8.1. Ter zitting heeft het college verklaard dat de vestiging van een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang in het buitengebied niet zonder meer toelaatbaar is. De Verordening Ruimte kent volgens het college evenwel geen regeling voor nevenactiviteiten omdat dit te gecompliceerd zou zijn.

2.8.2. Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen is de reactieve aanwijzing gegeven om de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de verordening te waarborgen. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van de raad is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden over de nevenactiviteiten geen bespreking meer.

2.8.3. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling op dat de raad naar aanleiding van deze uitspraak het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op artikel 3, lid 3.5.1, onder c, sub 7, artikel 4, lid 4.5.1, onder c, sub 7, artikel 5, lid 5.5.1, onder c, sub 6, en artikel 6, lid 6.5.1, onder c, sub 6, van de planregels, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend dient te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

2.9. Ten aanzien van de raad is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de raad van de gemeente Haaren gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 11 augustus 2009, kenmerk 1562356/1570364, voor zover daarbij ten aanzien van het op 9 juli 2009 door de raad van de gemeente Haaren vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot:

- artikel 3, lid 3.5.1, onder c, sub 7,

- artikel 4, lid 4.5.1, onder c, sub 7,

- artikel 5, lid 5.5.1, onder c, sub 6, en

- artikel 6, lid 6.5.1, onder c, sub 6, van de planregels;

III. verklaart het beroep van de raad van de gemeente Haaren voor het overige en de beroepen van [appellant sub 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellanten sub 3] geheel ongegrond;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de raad van de gemeente Haaren het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011

429-629.