Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR6906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
201103250/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van het Gewest afgewezen om een evenredig deel van hetgeen overblijft, nadat na opheffing van de Gemeenschappelijke regeling zorgverzekering ambtenaren Nederland (hierna: de Regeling) aan alle verplichtingen is voldaan, aan haar uit te keren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103250/1/H2.

Datum uitspraak: 7 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het Gewest Gooi en Vechtstreek, gevestigd te Hilversum, (hierna: het Gewest)

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 januari 2011 in zaak nr. 10/453 in het geding tussen:

het Gewest

en

het dagelijks bestuur van het Instituut Zorgverzekering voor Ambtenaren Nederland (hierna: het dagelijks bestuur).

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van het Gewest afgewezen om een evenredig deel van hetgeen overblijft, nadat na opheffing van de Gemeenschappelijke regeling zorgverzekering ambtenaren Nederland (hierna: de Regeling) aan alle verplichtingen is voldaan, aan haar uit te keren.

Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur het door het Gewest daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2011, verzonden op 4 februari 2011, heeft de rechtbank het door het Gewest daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het Gewest bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 april 2011.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2011, waar het Gewest, vertegenwoordigd door mr. M.J.E. Boudesteijn, advocaat te Rotterdam, en W.J.M. Dirkman en R.W.M. van der Haagen, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. de Snoo, advocaat te Amsterdam, en L.M.M. Verheijen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: de Wgr) kunnen de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van een of meer gemeenten, afzonderlijk of tezamen met provinciale staten, de colleges van gedeputeerde staten of de commissarissen van de Koning, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente, onderscheidenlijk provincie bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten of provincies.

De Regeling is een regeling, als bedoeld in voormelde bepaling.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling is er een openbaar lichaam. Het draagt de naam Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland (I.Z.A. Nederland) en is gevestigd te Nieuwegein.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, is het algemeen bestuur bevoegd onder door hem te stellen voorwaarden als deelnemers toe te laten het personeel dat werkzaam is in een betrekking in dienst van een lichaam of een rechtspersoon, als bedoeld in artikelen B2 en B3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, kan slechts worden overgegaan tot opheffing der regeling, nadat op voorstel van het algemeen bestuur tweederde van de algemene besturen van de deelnemende lichamen daartoe heeft besloten.

Ingevolge artikel 42, derde lid, zal hetgeen overblijft, nadat verder aan alle verplichtingen is voldaan, aan de deelnemende lichamen worden uitgekeerd in verhouding tot de bijdrage van elk tot het totaal der bijdragen over de laatste verlopen drie kalenderjaren.

Ingevolge het vierde lid zal, hetgeen in geval van opheffing ontbreekt ter dekking van nog te verrichten uitgaven, ten laste van de deelnemende lichamen worden omgeslagen naar de in het derde lid bedoelde verhouding.

2.2. De Regeling is per 1 januari 2006 opgeheven. Het dagelijks bestuur heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat het Gewest geen deelnemend lichaam is, als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de Regeling.

2.3. Het Gewest betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat redelijke uitleg van die bepaling met zich brengt dat het Gewest, wat betreft de verdeling van het batige liquidatiesaldo, wordt gelijkgesteld met de deelnemende lichamen. Daartoe voert het aan dat het niet alleen heeft bijgedragen aan het positieve liquidatiesaldo, maar het op grond van een brief van 4 december 1968 ook zou hebben kunnen worden aangesproken ter dekking van een negatief liquidatiesaldo of een tekort op de jaarrekening.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 december 2008 in zaak nr. 200801184/1), is voor de vraag of aanspraak bestaat op een deel van een batig saldo op de voet van artikel 42, derde lid, van de Regeling slechts van belang of betrokkene een aan de Regeling deelnemend lichaam is. Niet in geschil is dat het Gewest dat niet is.

Het betoog van het Gewest dat de rechtbank heeft miskend dat redelijke uitleg van artikel 42, derde lid, van de Regeling ertoe noopt hem gelijk te stellen aan een aan de Regeling deelnemend lichaam faalt. De bepaling, die duidelijk is, biedt voor zodanige gelijkstelling geen ruimte.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011

362.